50 jaar

Deze maand zijn mijn vrouw en ik 50 jaar getrouwd. Ik vind dat een mooie aanleiding om eens terug te kijken. Niet op dat huwelijk natuurlijk, ik ben niet gek, hoewel daar heel wat over te zeggen zou zijn, maar op mijn studieuze, werkzame en gepensioneerde leven dat zich, gezamenlijk en in wisselwerking met dat huwelijk, heeft voltrokken. Niet op mijn ontwikkeling als zodanig, maar op de dingen die er die periode van 50 jaar, in mijn opvatting, veranderd zijn. Ik onderscheid een viertal periodes: de tijd in Groningen, eerst nog als student, daarna als promovendus en ten slotte als wetenschappelijk medewerker, al met al van 1965 – 1975. De tijd dat ik werkzaam was in Den Haag bij het WODC. De periode bij het Openbaar Ministerie, van 1982-2006, onderbroken door een korte terugkeer naar het Ministerie en, ten slotte, het post arbeidzame leven. Ik ben voornemens de ontwikkelingen die ik meen te hebben waargenomen, in een aantal columns te beschrijven. Hoeveel dat er worden weet ik nog niet. Dat hangt af van wat me, na enig nadenken, te binnen schiet en wat ik daarvan relevant genoeg acht om met U te delen. Ik zal proberen het “opa vertelt syndroom” zoveel mogelijk te vermijden. Lees meer …

Buiten redelijke twijfel als nieuw criterium?

In het kader van de operatie “Modernisering van Strafvordering” wordt de mogelijkheid besproken de inmiddels ruim 90 jaar oude bewijsstandaard te wijzigen. De gedachte zou dan zijn in het nieuwe wetboek de formule “buiten redelijke twijfel” in te voeren. Er is weinig fantasie voor nodig vast te stellen dat dit een vertaling van de Engelse term “beyond reasonable doubt” vormt. Vraag is wat het voor onze strafrechtpraktijk zou kunnen betekenen.

In vonnissen en arresten staat tegenwoordig meestal dat de rechter “wettig en overtuigend” bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarmee wordt de toepassing van de nu in artikel 338 Wetboek van Strafvordering (Sv) opgenomen bewijsstandaard beoogd. Wie deze bepaling goed leest, weet dat die veel gebruikte formule onjuist is. In artikel 338 staat, geparafraseerd in minder archaïsch Nederlands, dat de rechter het uitsluitend tot een bewezenverklaring kan komen, als het (geleverde) wettige bewijs hem ervan heeft overtuigd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Met andere woorden, volgens artikel 338 moet je eerst bepalen of het wettig bewijs er is (en, bijvoorbeeld, of aan het wettig bewijsminimum is voldaan). Vervolgens dien je te vast te stellen of je op grond van dat wettig bewijs ervan overtuigd bent dat de verdachte het tenlastegelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan. Kortom, eerst wettig bewijs en dan pas daarna en daaruit de overtuiging. Er is niet zo iets als “wettig bewijs en overtuigend bewijs”. De nevenschikking die de formule “wettig en overtuigend” suggereert, is dan ook onjuist. (En hoe vaak hoor je niet: “Ik heb wel de overtuiging, maar niet het bewijs.”) Lees meer …

Cybercrime, de repressie voorbij?!

Ik was juist bezig met een column over cybercrime, toen de wereldwijde aanval met zogenaamde ransom software plaatsvond, die in ieder geval het eerste deel van wat ik wilde betogen, krachtig onderstreepte. Nederland bleef, min of meer toevallig, betrekkelijk buiten schot; verder dan wat problemen bij betaalautomaten van parkeergarages, die overigens wel vaker kuren vertonen, kwam het niet, maar elders in de wereld werden ook meer essentiële onderdelen van de samenleving, zoals ziekenhuizen getroffen. Lees meer …

De inhoud van de rechterlijke functie? Zonder duidelijkheid geen kwaliteit noch onafhankelijkheid

Door Herman Tjeenk Willink

Deze bijdrage vormt een bewerking van de inleiding die Herman Tjeenk Willink hield op de gerechtsvergadering van de Rechtbank Noord-Nederland op 9 mei 2017 met als thema ‘Kijk naar je eigen!’. De andere inleiding werd verzorgd door Rick Robroek en is hier te vinden.

Ter voorbereiding op deze bijzondere gerechtsvergadering, en mijn aandeel daarin, zijn u verschillende stukken toegezonden.* De boodschap uit al die stukken is steeds dezelfde:

De democratische rechtsstaat is geen rustig bezit. Door gebrekkig onderhoud vindt er een sluipende uitholling (betonrot) plaats. Die uitholling bedreigt ook de rechterlijke macht. Rechters bieden daartegen tot nu toe zelf onvoldoende inhoudelijk tegenwicht. Lees meer …

Nooit voltooid

Door Peter Lemaire

Nederland is wel een fijn land, zeker in de maand mei. Als ik in Nederland ben, stap ik zoveel mogelijk op de fiets. Zelfs op een doordeweekse dag wordt er stevig gefietst, door allerlei krasse 60 plussers, en met mijn kennelijk wat Arubaanse tempo word ik ook nog eens aan de kant gejoeld door een stel kleurrijk geklede 70 plussers op racefietsen.

Ook ga ik even langs bij mijn hof in Arnhem, waar ik onbetaald verlof geniet. Daar word ik wel eens verrast door collega’s die ineens aankondigen met pensioen te gaan. Het zijn bijna zonder uitzondering vitale mensen, zelfs degenen die met 70 vertrekken, fitter lijkt het wel dan menig dertiger die dagelijks de triatlon moet zwoegen tussen werk, crèche en thuis. Lees meer …

Voltooid leven

Door rabbijn Lody B. van de Kamp (BEd.)

In een Nederlandse samenleving, een parlementaire democratie met als basis de rechtsstaat gefundeerd op een grondwet, beschikken wij over het recht van interventie in het leven van de medeburgers.

Dit komt op ‘milde’ wijze tot uiting in het begrip van rechtshandhaving door de overheid over het leven van de burger.

Een ‘zwaardere’ manier van interventie is het geweldsmonopolie waar de overheid over beschikt en dat gemandateerd is aan de politie en aan de krijgsmacht. Lees meer …

Een spiegel voor de rechtspraak

Deze bijdrage vormt een bewerking van de inleiding die Rick Robroek hield op de gerechtsvergadering van de Rechtbank Noord-Nederland op 9 mei 2017 met als thema ‘Kijk naar je eigen!’. De andere inleiding werd verzorgd door Herman Tjeenk Willink en zal binnenkort te lezen zijn op dit blog.

Laat ik mijn inleiding beginnen met twee vragen: zou een discussie over de wijze waarop professionals hun werk als professional moeten verrichten over geld moeten gaan? Of anders gezegd: vindt u dat we het vandaag over geld moeten hebben? Ik denk dat iedereen het over eens is dat dat niet het geval zou moeten zijn. Ik onderschrijf die stelling en ik zal u zo vertellen waarom. Lees meer …

Meer structuur in straftoemeting nodig

Bert Berghuis

[1] In 1992 publiceerde Trema een themanummer over rechtsgelijkheid, waarbij ik was gevraagd om een empirische bijdrage te leveren over het strafrecht. Die bijdrage “De harde en de zachte hand” toonde een forse ongelijkheid in straftoemeting aan en maakte veel los. De media doken erop, ontkenning van rechtbankpresidenten in de NRC, natuurlijk ook enige agressie naar degene die de boodschap verkondigde. Toch bleek het ook een stimulans voor wat later de oriëntatiepunten van de strafrechtspraak zouden worden. We zijn nu 25 jaar verder – wat is er terecht gekomen van de inspanningen om tot een grotere rechtsgelijkheid te komen? Het meest tastbare resultaat zijn de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting bij een dertigtal delicten. Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie Deel 3. Versterking van de positie van het OM. Vragen over klassieke, nieuwe taken en schaarste

Deze bijdrage is de derde in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Het eerste deel vindt u hier, het tweede deel hier.

Een substantieel deel van de officieren van justitie is minder bezig met concrete strafzaken, maar met beleid of gemeentelijke of landelijke preventie of andersoortige opsporingstaken. Het preventieve deel, zoals in ZSM, is nog niet direct als instrumentaliteit te beschrijven, maar juist bedoeld om mensen uit het strafrecht te houden. Dat eenzijdige beeld van de toenmalige debataanvoerders ’t Hart en Foqué, zoals ik dat in het eerste deel van deze serie schetste, is dus illusoir gebleken. Toch is het goed om het fundament van het strafrecht nog eens te bezien en te beoordelen of de positionering van het OM aan herijking toe is of niet. Ik doe dat aan de hand van een klassieke insteek, die van het straf- en vergeldingsbegrip. Lees meer …

Artikel 12 Sv

Tot de dagelijkse bezigheden van de strafrechtadvocaat hoort het aan de cliënt vertellen hoe het allemaal werkt. Dat is oppassen geblazen want het uitleggen van wettelijke regelingen en beslissingen van rechters kan snel opgevat worden als het verdedigen van bepaalde zaken terwijl de cliënt daar helemaal niet op zit te wachten. Bovendien kan het ook heel vervelend zijn om voor de zoveelste keer te verduidelijken waarom bij een first offender die nog alleen maar verdachte is toch vrij gemakkelijk het recidivegevaar wordt aangenomen. Vaak weten cliënten een zinnige uitleg ook nog eens te pareren met de avonturen van een medegedetineerde waar toch uit blijkt dat het allemaal niet klopt. Zo gaf ik laatst aan dat een poging tot moord richting de dubbele cijfers zou kunnen gaan en was de reactie dat een medegedetineerde daar toch maar 2 jaar voor had gekregen. Bij toeval deed ik ook de zaak van deze medegedetineerde die inderdaad was veroordeeld tot twee jaar maar van poging tot moord was geen sprake, wel van een zeer ernstige bedreiging middels schieten. Er zitten ook nog al wat eigenwijze snuiters tussen die vooral aan mij vertellen hoe het precies zit. Dat kan overigens best amusant zijn omdat daarbij soms de meest vreemde theorieën op tafel komen. Zoals de theorie dat sommige officieren alleen maar gevangenisstraf eisen omdat zij weten dat je in de bak van alles kunt leren en deze officieren zo hun eigen werkgelegenheid veilig stellen. Lees meer …