De macht over de oriëntatiepunten in het strafproces

Medeblogger Rick Robroek is recent gepromoveerd op het proefschrift “De macht over het strafproces”. Hij legt daarin bloot de machtsverhoudingen tussen de gerechtsbesturen en de Raad voor de Rechtspraak enerzijds en de rechters anderzijds, beiden met een wettelijke taak belast, waartussen zich de laatste jaren helaas de nodige spanningen voordoen. De eersten behartigen de algemene belangen van de rechtspraak, zoals financiering, gebouwen, personeel, maar ook de bevordering van vlotte rechtspraak en rechtseenheid in algemene zin en de laatsten oefenen de rechtspraak uit in rechtszaken, de core business, of zoals in de rechtspraak zelf wordt gezegd: het primaire proces. De rechters zijn voor de goede vervulling van hun taak mede afhankelijk van de eersten en de eersten zijn voor hun algemene taken (in zeer sterke mate) afhankelijk van de rechters. Robroek legt deze verhoudingen bloot en signaleert de scharnierpunten in de Wet op de rechterlijke organisatie, die de laatste jaren steeds meer zijn gaan kraken en piepen en die volgens hem aanpassing behoeven. Een kritisch punt is namelijk dat de rechters onafhankelijk zijn en dat de huidige wetgeving op een aantal punten in onvoldoende mate een basis biedt om rechters te verbinden aan genoemde algemene doelstellingen van de rechtspraak, terwijl dat wel wordt geprobeerd en vaak trouwens nobele doelstellingen dient.

Lees meer …

Sneller straffen

In een strafrecht dat normbevestiging en normherstel als doel heeft, moet niet alleen het aantal interventies omhoog en moet er anders worden gestraft; er moet ook sneller worden gereageerd op normschendingen. Slachtoffers en samenleving hebben recht op een zo prompt mogelijke reactie en daders moeten voelen dat de strafrechtelijke overheid in staat is om snel te handelen na het plegen van een misdrijf. En: “justice delayed is justice denied”. Vrij vertaald: trage rechtspraak is geen (goede) rechtspraak. Uit onderzoek bij dieren is gebleken dat alleen een onmiddellijke reactie op ongewenst gedrag effect heeft in de richting van gewenst gedrag. De mens beschikt gelukkig over een wat langer geheugen en kan verbaal worden geholpen om zich zijn wandaad te kunnen herinneren maar bij de behandeling in appel komt het toch regelmatig voor dat de verdachte zich het feit niet meer voor de geest kan halen. En ook hier geldt dus: hoe sneller hoe beter.

Lees meer …

I beg to disagree, Egbert

Een politierechter zou zich te pletter schrikken, als op een gemiddelde middagzitting ineens elke verdachte zou verschijnen. “Ik kan de kinderen niet ophalen”, “ik moet het concert laten schieten” – deze en vergelijkbare gedachten zouden paniekerig door zijn of haar hoofd schieten. Wij zijn gewend dat een fors aantal verdachten niet op de zitting komt. Ons appointeringssysteem is daarop ingericht. We proberen daaraan door de toepassing van de regels voor al of niet uitdrukkelijk gemachtigde advocaten nog een draai te geven. Maar in het algemeen doen wij veel strafzaken zonder de hoofdpersoon af.
Het is in verreweg de meeste gevallen de keuze van de hoofdpersoon, de verdachte, zelf niet naar de rechtbank te gaan. Dat kan heel bewust zijn, doordat hij na ontvangst van de dagvaarding besluit weg te blijven. Veelal heeft hij echter hooguit juridisch-technisch wetenschap van de zitting, doordat de dagvaarding – wettelijk correct – is betekend op een plek waar hij formeel woont, maar feitelijk niet verblijft.

Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief

Deze bijdrage is de eerste in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Dit deel bevat de inleiding op die waarnemingen en gaat verder in op het debat over instrumentaliteit en rechtsbescherming.

Inleiding
De discussie van alweer meer dan een kwart eeuw geleden over de positionering van het Openbaar Ministerie ging vaak over de verhouding tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming.[1] Een bepaald abstracte discussie die vooral wetenschappelijke gemoederen verdeeld hield. Op zich ging het echter wel ergens over. Als het Openbaar Ministerie tot de magistratuur gerekend mag worden en niet deformeert tot een gedeconcentreerd bestuursorgaan [2] of een uitvoeringsorganisatie van het ministerie, dan dient het Openbaar Ministerie zijn magistratelijkheid te bewaren, te behoeden en te beschermen. Juist omdat het Openbaar Ministerie geen uitvoeringsdienst is moet het Openbaar Ministerie ook de (verdachte) burger beschermen tegen de overheid, een overheid die in vroeger tijden zonder veel rechtsbescherming voor de burger opereerde. Een Openbaar Ministerie dat geen departementaal onderdeel is kan zelfs tegen die overheid optreden en loopt niet aan de leiband van de departementale betaalheren vanuit het motto: wie betaalt bepaalt. Dat was toentertijd zo ongeveer de discussie.
Sindsdien is er wel wat veranderd. Er is landelijk beleid ontstaan en er is een landelijke aansturing door het College van Procureurs-Generaal geïnstitutionaliseerd, en in de beeldvorming zijn er naar verluid ook officieren van justitie gekomen die zich als crime fighters etaleerden om de puzzels van een misdrijf op te lossen en niet zozeer als magistraten die het gezag over de politie uitoefenden en toezien op de wijze van opsporing. Ontwikkelingen die de aanvoerders van het toenmalige debat over de positionering van het Openbaar Ministerie niet vrolijk zouden hebben gestemd. Ontwikkelingen die een groeiend aantal rechters doet verzuchten dat het Openbaar Ministerie niet langer tot de magistratuur behoort.
Het is lastig deze beelden, want dat zijn het en vooralsnog niet meer, op hun waarde te schatten, temeer omdat stug bestaande en groeiende beelden het gevaar in zich meedragen een zelfstandige realiteit worden.
In mijn komende bijdragen zal ik de positie van het Openbaar Ministerie in de strafrechtspleging nader proberen te beschrijven. Ik doe dat aan de hand van enkele grensvlakken, zoals rond straf en zorg en de uitvoering van reclasseringstaken en van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Eerst een oud en een nieuw debat.

Lees meer …

Straftoemeting. Een reactie en een naschrift.

Door Ronny van de Water (reactie) en Dato Steenhuis (naschrift)

Reactie
Dato Steenhuis breekt in zijn laatste bijdrage aan de Ivoren Toga een lans voor meer en hogere detentiestraffen. Het is duidelijk dat hij met enkele provocerende uitspraken de discussie op scherp wil zetten.

Een reactie op de oproep van Steenhuis zou kort kunnen zijn met de opmerking dat het sanctiebeleid van de Nederlandse rechters blijkbaar effectief is gezien de gestaag dalende criminaliteitscijfers, maar dat zou te gemakkelijk zijn. Het is immers de vraag of deze dalende cijfers wel kloppen. In ieder geval blijkt uit interne notities van de politie dat er twijfels zijn over deze daling. Ook het oplossingspercentage daalt (helaas) gestaag. De door Steenhuis opgesomde percentages over de opgelegde straffen zeggen ook niet veel. Het is mijn ervaring dat de afgelopen 15 jaar veel bagatelzaken het strafrecht zijn ingetrokken en dan is het logisch dat in dergelijke zaken ook bagatelstraffen worden opgelegd.

Lees meer …

Vooroordelen en straftoemeting

Vele wijsgeren hebben zich het hoofd gebroken over de vraag of de mens beschikt over ‘a priori-kennis’, kennis die los staat van ervaring en bij de geboorte is meegegeven. Dat blijkt nogal tegen te vallen. Eigenlijk blijken mensen bij de geboorte vooral begiftigd te zijn met vaardigheden die kennis mogelijk maken, bijvoorbeeld de vaardigheid tot logisch denken. Ook humor zou je tot dit soort a priori kennis kunnen rekenen. Zuigelingen kunnen bijvoorbeeld al snel de humor inzien van dingen die niet kloppen, zoals het geven van een melkfles aan de knuffel of het op je hoofd staan in plaats op je voeten.

Lees meer …

Reactie op Prinsen en Bakkum

Door Wim Canton

Allereerst mijn dank voor het genuanceerde commentaar vanuit het NIFP op het door mij geschreven blog over de gevolgen van doorgeschoten kwaliteitscontrole voor de rechtsgang rond pro justitia rapportages.

Zoals ook al in het blog door mij betoogd heeft het NIFP in het verleden een grote rol gespeeld in het verbeteren van de kwaliteit van pro justitia rapportages. Het komen tot een standaard vraagstelling, betere indicatiestelling, het ontwikkelen van formats, het bijdragen aan richtlijnen en opleidingen en het beschikbaar zijn voor vragen en overleg zijn grote verdiensten, waar nog dagelijks de vruchten van worden geplukt.

Lees meer …

Reactie op Weblog Wim Canton: de gevolgen van doorgeschoten kwaliteitscontrole voor de rechtsgang rond pro justitia rapportages in het strafrecht

Door Merel Prinsen en Theo Bakkum

Inleiding
Het NIFP is het met alle partijen eens dat het belangrijk is voor het strafproces dat de doorlooptijden in orde zijn. Dit is belangrijk voor de verdachte, die in voorarrest het proces afwacht, voor slachtoffers die mogelijk in grote onzekerheid verkeren, alsook voor de partijen in het strafrecht en de samenleving als geheel om helderheid te krijgen over de afloop van een strafzaak.

Binnen het NIFP is dan ook met veel belangstelling kennis genomen van de bijdrage van Wim Canton aan deze weblog. Wim Canton beschrijft de problemen met de doorlooptijden van de Pro Justitia rapportages in het strafrecht en beschrijft de rol die het NIFP naar zijn mening heeft in deze problematiek. Hij eindigt zijn bijdrage met het aankondigen van een pilotstudie die op initiatief van het Openbaar Ministerie (OM) wordt ingericht. Het NIFP is bekend met de pilotstudie en is hierover in overleg met verschillende belanghebbenden.

Lees meer …

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting.

Lees meer …

De straftoemetingsmal in de gereedschapskist

Door Henk Elffers

1. Allereerst een woord van dank aan Albert Klijn, die zich niet neerlegde bij de teleurstellende stilte jegens mijn oproep op Ivoren Toga om over een “straftoemetingsmal” na te denken en ermee te experimenteren. Hij besprak mijn voorstellen met enkele deskundige betrokkenen, en daardoor ben ik in de gelegenheid te reflecteren op de zeer gewaardeerde reacties op mijn voorstel van Van Atteveld, Janssen, Mulder en Tak. (Klijn, A. (2017), Het grote zwijgen van de ZM, in antwoord op: Elffers, H. (2016), De straftoemetingsmal: een middel om straftoemeting begrijpelijker te maken)

Lees meer …