No more mr Nice Guy: Verhoor? Dossier op tafel!

Een wetsartikel dat een vrij slaperig bestaan leidt en erop wacht wakker gekust te worden luidt:

artikel 30 lid 1 Wetboek van Strafvordering
De kennisgeving van de processtukken wordt de verdachte op diens verzoek tijdens het voorbereidend onderzoek verleend door de officier van justitie. De kennisgeving wordt de verdachte in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor na aanhouding.

Op grond van artikel 48 Sv (het oude artikel 51) moet de raadsman ‘onverwijld’ (Van Dale: ‘zonder uitstel’) een afschrift van deze stukken te krijgen. Artikel 149a lid 2 Sv bepaalt wat processtukken zijn: alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor een door de rechter ter terechtzitting te nemen beslissing. Dat is dus in elk geval alles wat de verdenking raakt.
Artikel 30 lid 3 Sv stelt dat de officier van justitie, in het belang van het onderzoek, ‘bepaalde processtukken’ kan achterhouden. Dat is geen inkoppertje: op grond van lid 4 moet de verdachte van een dergelijke onthouding schriftelijk op de hoogte worden gesteld en staat er bezwaar open bij de rechter-commissaris.
Hiermee is, sinds de wetswijziging per 1 januari 2013, de hoofdregel helder: het eerste verhoor na aanhouding bepaalt het uiterste moment waarop de verdachte een zo compleet mogelijke inzage toekomt in het dossier, met kopie voor de advocaat. Lees meer …

Een visie van de Rechtspraak op de rechter-plaatsvervanger is hard nodig

Door Marijke Malsch

Het is alweer enige tijd geleden dat er aandacht was voor de rechter-plaatsvervanger. Ashley Terlouw snijdt het onderwerp weer aan in haar hoofdstuk in een recent verschenen bundel.[1] Zij heeft interviews gehouden met plaatsvervangers die afkomstig zijn uit de wetenschap. Het is belangrijk dat dit onderwerp weer ter sprake komt. De Rechtspraak is niet altijd duidelijk over wat er van de plaatsvervanger wordt verwacht, en er bestaat onder de plaatsvervangers enige onvrede over hoe met hen wordt omgegaan in de praktijk. Lees meer …

Een onzalig plan

We bevinden ons op een willekeurige dag in 2019 in een zittingzaal in een willekeurige rechtbank in Nederland. Aan de orde is een zware mishandeling, gepleegd in de nachtelijke uren in het uitgaansgebied van een grote Nederlandse provincieplaats. Het slachtoffer is vreselijk toegetakeld en zal daarvan de rest van zijn leven de gevolgen ondervinden. Na langdurig politieonderzoek is uiteindelijk een man aangehouden. Hij staat nu als verdachte terecht, maar ontkent met volle overgave dat hij de dader is. Uit de behandeling van de feiten door de voorzitter van de Meervoudige Kamer blijkt dat het bewijs ook allerminst voor het oprapen ligt. Het zou best weleens vrijspraak kunnen worden, denken kenners in de zaal. Lees meer …

Het zelfvervullende karakter van de belofte van de oriëntatiepunten

Afgelopen dinsdag reageerde Lemaire op mijn bijdrage “De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan”. Het is niet de eerste keer dat Lemaire en ik discussiëren over het beschrijvende karakter van de LOVS oriëntatiepunten (Zie Lemaires bijdrage “De macht over de oriëntatiepunten” en mijn reactie daarop “Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten”).

In dit naschrift zal ik dan ook niet in herhaling vallen en verwijs ik naar mijn eerdere argumenten voor de stelling dat oriëntatiepunten niet beschrijvend kunnen zijn. De rechtspraak betoogde al ver voor dat ik die stelling innam het tegendeel. Nu is het natuurlijk de vraag wie de steller is die moet bewijzen. Zelf denk ik dat dat de rechtspraak zou moeten zijn. Zij zijn immers diegene die zonder empirisch bewijs stellen dat hun rechtspraak door de oriëntatiepunten beschreven wordt terwijl op die stelling nogal wat in te brengen valt. Wanneer een stelling argumentatief (en dus met bewijzen!) wordt weerlegd, ligt het voor de hand dat op die argumenten wordt ingegaan. Dat is nimmer gebeurd. Lees meer …

De oriëntatiepunten straftoemeting in de werkelijkheid

In zijn bijdrage “De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan” stelt Rick Robroek – kort gezegd – dat het voor een doelmatige toepassing van de OM-beschikking handig zou zijn om iets onder de door de strafrechters toegepaste strafmaat te gaan zitten. Daarmee wordt onnodige belasting van de rechtspraak voorkomen. De oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS zouden voor de strafrechtpraktijk een belangrijke kenbron moeten zijn hoe strafrechters dat doen. Evenwel vermoedt Robroek dat strafrechters in de praktijk lager straffen dan ‘hun’ oriëntatiepunten zouden suggereren. Lees meer …

De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan

Mijn vorige bijdrage eindigde ik met de constatering dat de prestaties van de officier van justitie in de strafbeschikkingenpraktijk niet strenger zouden moeten worden beoordeeld dan de prestaties van de officier van justitie in de dagvaardingspraktijk en van de strafrechter. Dat de officier van justitie die een strafbeschikking oplegt rechterlijke kwaliteit moet leveren volgt uit de bedoeling van de wetgever. Die bedoeling komt erop neer dat het openbaar ministerie wat schuld- en strafvaststelling betreft een rechterlijk niveau dient te halen met een rechterlijke gerichtheid. In procedurele zin moet een eigen ‘staande’ procedure gevolgd worden die slechts aan minimale randvoorwaarden voldoet om het rechterlijk niveau en de rechterlijke gerichtheid te borgen. In deze bijdrage wil ik het vooral hebben over de rechterlijke gerichtheid ten aanzien van de straftoemeting. Daarbij put ik wederom op het door mij verrichte onderzoek met betrekking tot de OM-strafbeschikking dat onlangs verscheen. Lees meer …

Over e- en remigratie van rechtspraak

De feestdagen zijn alweer een tijdje voorbij. Sinterklaas is terug naar Catalonië, de discussies over Zwarte Piet weer even in de ijskast.

In mijn jeugd ging de discussie niet zozeer over Zwarte Piet, maar over Sinterklaas. Je had toen nog conservatieve protestanten die zich verzetten tegen het rooms-katholieke karakter van de goedheiligman. Feministen stoorden zich daarentegen aan het patriarchale en vermeend vrouw-onvriendelijke karakter van de kindervriend en zijn knechts. De enige die zich dacht ik niet druk heeft gemaakt over de persiflage die de Sint onmiskenbaar ook is van het heilige bisschopsambt, is de katholieke kerk. Misschien omdat kinderen door Sinterklaas niet worden gestimuleerd tot het vervolgen van protestanten, het onderdrukken van vrouwen of zich be- of afkeren van de roomse kerk. Kinderen zijn vrij goed in staat onderscheid te maken tussen sprookjes, films en computerspelletjes en de wereld van goed en kwaad, al zijn er natuurlijk grenzen te bewaken. Lees meer …

Transparantie

In april 2014, al weer bijna 4 jaar geleden, schreef ik een column over het voornemen van de Raad voor de Rechtspraak, om de doorlooptijden in 2018 met 40% te hebben gereduceerd. De titel van de column luidde: sneller recht is beter dan beter recht. Ik toonde mij ingenomen met het voornemen van de Raad, met als kanttekening dat nog niet zo heel erg duidelijk werd, wat er nu precies in 2018 moest zijn bereikt.

Dat jaar is inmiddels aangebroken, wat het zal brengen is nog niet bekend en of de geformuleerde doelstellingen zullen worden gehaald zal pas in oktober 2019 kunnen worden bekend gemaakt. Dan verschijnt namelijk de jaarlijkse publicatie van Raad, WODC en CBS onder de tittel Criminaliteit en Rechtshandhaving, een zeer nuttig overzicht van de prestaties van de strafrechtsketen. Lees meer …

Brein, gedrag, agressie en veerkracht: 40-min-1 jaar na Buikhuisen’s Leidse oratie

Door Frans L. Leeuw (WODC en Universiteit Maastricht)

In een vorige column schreef Dato Steenhuis over Wouter Buikhuisen en hoe met zijn gedachtengoed is “omgegaan”, om het vriendelijk te zeggen. Steenhuis’ poging wijlen Piet Grijs na te bootsen in een gefingeerde column over de (academische) moord op Buikhuisen, was interessant. Het daarin gekozen historische perspectief roept de vraag op wat inhoudelijk over het erfgoed van Buikhuisen in het heden te zeggen valt. Daar is namelijk alle reden toe, bijna 40 jaar nadat hij zijn Leidse inaugurale rede (Kriminologie in biosociaal perspectief, 1979) uitsprak.
Waar het zo’n 4, 5 decennia geleden nog om zeer kleine aantallen wetenschappers ging die naar biologische aspecten van criminaliteit keken [1], zoals Adrian Raine in zijn The Psychopathology of Crime (1993) of Wouter Buikhuisen zelf, dat beeld is de laatste 10 – 15 jaar grondig veranderd. Neuro-criminologie, het bio-psychosociale model en sociale neurowetenschappen (Cacioppi & Cacioppi, 2013)[2] worden steeds belangrijker. Ook cyber crimes worden vanuit dit kennisfonds geanalyseerd. Lees meer …

In memoriam. Een goede rechter: mr. F.W. (Willem) den Ottolander

Op donderdag 4 januari 2018 overleed een goede oud-collega, gepensioneerd senior raadsheer Willem den Ottolander. Ik heb dierbare herinneringen aan deze markante, licht excentrieke, complexe oud-collega die ik benut om iets te schrijven over goede magistratuur. Mijn herinneringen gaan terug naar de twee gerechtshoven waar hij en ik hebben samengewerkt
Ik wil een paar voorbeelden noemen die het bijzondere karakter illustreren. Ik denk terug

– aan hoe hij kon beraadslagen over een strafzaak, en waarbij hij tijdens dat zogeheten raadkameren uit zijn tas een groot brood haalde, dat openmaakte, belegde met speciaal meegebracht beleg, daarna het brood met een schaar in stukken sneed en soms knipte en vroeg of anderen wat wilde;
– aan zijn kamer op het paleis van justitie die net als thuis in veelvoud, volgestouwd was met boeken, van cowboyromans tot theologie, vaak weggesleept uit rommelmarkten en kraampjes;
– aan zijn werkkamer waar allerlei overhemden en colberts hingen;
– aan zijn beslissingen als unusrechter en waarin hij de verdachte meedeelde dat deze met tegenbewijs twee dagen later moest terugkomen, vijf minuten voor de nieuwe zitting zou aanvangen en dat over twee dagen de advocaat-generaal en griffier van de zitting van dat moment dan maar even voor een paar minuten acte de presence moesten geven, dit alles in weerwil van wat de organisatorische afspraken ook waren over de ordentelijke wijze van oproepingen en registratie van zaken;
– aan zijn zich van niets aantrekkende houding door maar vragen te blijven stellen aan de verdachte terwijl de voorzitter steeds onrustiger heen en weer schoof omdat er geen eind aan zijn vragenreeks leek te komen en waarbij hij doodgemoedereerd zei: ik merk dat de voorzitter onrustig word maar ik verstout me toch nog een enkele vraag;
– aan zijn zitting waar hij een verdachte van het illegale balletje-balletje spel vroeg om met drie ondoorzichtige koffiebekertjes en een muntje uit Willems zak de werkwijze van dit spel te demonstreren;
– aan een rij voorbeelden die ik moeiteloos tot het honderdvoudige kan uitbreiden en die slechts illustreren dat we hier met een unieke rechter van doen hebben gehad die in de ware zin des woords onafhankelijk was, die verder altijd gericht was op praktisch recht, die niet hechtte aan elitair gedrag, met gemak in toga gehuld door de paleisgangen liep om voor zichzelf en de griffier koffie te halen, die niet klaagde over zijn werklast, altijd loyaal was naar de leiding, ondertussen toch zijn eigen rechterlijke onafhankelijke gang ging. Wie van ons kan het hem nazeggen? Kortom, het was een goede, zeer intelligente, originele, daadkrachtige, niet werkschuwe, loyale, collegiale rechter die zijn talenten heeft vertienvoudigd en tegenover de hoogste rechter waarin hij zo geloofde kan vertellen dat hij gewoekerd heeft zoals de heer van de wijngaard dat hem heeft opgedragen. Lees meer …