De zaak Anne Faber: tijd voor een paradigmashift?

Door Wim Canton, forensisch psychiater

In de afgelopen weken was Nederland geschokt door de verdwijning van een jonge vrouw. Ze fietste in de stromende regen door de bossen bij Zeist maar kwam nooit op haar bestemming aan. Pas dertien dagen later werd haar lichaam op aanwijzingen van de vermoedelijke dader gevonden.

Er werden sporen op haar jas gevonden die wezen naar een jonge man, die opgenomen was in een in de buurt gelegen FPA (forensisch psychiatrische afdeling). Hij werd daar behandeld in het kader van het laatste deel van een gevangenisstraf, die was opgelegd naar aanleiding van een tweetal verkrachtingen van jonge meisjes. Na deze delicten had hij een onderzoek naar zijn geestesvermogens geweigerd. Hem werd geen Tbs opgelegd, hoewel zijn gedrag rond de delicten wel als vrij opmerkelijk gezien kan worden. Rechters zijn echter zeer terughoudend in het opleggen van deze maatregel als er geen door deskundigen onderbouwde bevindingen zijn die aantonen dat er sprake is van een stoornis en van een relatie tussen deze stoornis en het gepleegde delict. Lees meer …

Anne Faber

Zó voorspelbaar.
Bij de eerste berichtgeving over de vermissing van de volwassen vrouw Anne Faber leek de kans op een misdrijf al groot en kon de nabije toekomst worden uitgetekend: wanneer de verdachte een bekende van justitie is breekt de pleuris uit, zoals vrijwel altijd wanneer blijkt dat de overheid zijn burgers geen 100% veiligheid kan bieden. Heel goed verwoord in de petitie die het falend rechtssysteem als uitgangspunt heeft genomen om daar vervolgens onderzoek naar te eisen. Met als doel dat zoiets nooit meer gebeurt. Dat het systeem heeft gefaald staat daarbij vast, kennelijk vanuit de gedachte dat dit in een niet falend systeem niet kan gebeuren. Eerst een mening en dan de feiten, bij voorkeur voorzover deze niet in strijd zijn met de mening.
Verontrustend is dat deze aanpak de overhand lijkt te hebben, in ieder geval bij hen die zich publiekelijk roeren.
Youp van ’t Hek meent in de NRC van 14 oktober 2017 dat wanneer psychiatrisch onderzoek wordt geweigerd het zo goed als zeker is dat tbs ontlopen wordt. Hij verwijst vervolgens de officier van justitie die in beroep zou zijn gegaan tegen het eerdere vonnis inzake Michael P. naar het PBC, in gezelschap van zijn medewerkers en van de rechters van de rechtbank (!) die het vonnis met 5 jaar verlaagden.
De raadsheren moeten naar het PBC, zo begrijp ik Youp, omdat zij geen uitzondering wilden maken, het is een zootje onverschilligen.
Maar Youp is een columnist en een columnist heeft de bekende vrijwel ongebreidelde vrijheid. En hoeft dus ook niet (altijd) op de kwaliteit van de door hem aangeboden waar te letten. Nog zo’n columnist is Theodoor Holman die in het Parool (14/10/17) zijn punt kracht bij wil zetten door als uitgangspunt te nemen dat iemand die een gruwelijke moord heeft gepleegd per definitie gestoord is. Dat psychiaters dat niet met hem eens zijn is toe te schrijven aan te veel status en te veel macht bij deze non-wetenschappers. Bij Holman hebben – zoals vaker – vooral de strafrechtadvocaten het gedaan.
Meent Youp nog dat door weigering de tbs zo goed als zeker ontlopen kan worden, bij Theodoor kan de weigeraar alleen gevangenisstraf krijgen. Vervolgens is het niet de verdachte die daar handig gebruik van maakt, nee dat is de strafrechtadvocaat.
Wat opviel in het verbale geweld was een genuanceerde column in de Telegraaf (18/10/17) van de hand van John van de Heuvel, die terecht pleit voor eerst de feiten en dan een mening.
Onverwacht en zeer opmerkelijk zijn de uitlatingen van emeritus hoogleraar forensische psychiatrie H. van Marle, gedaan in Nieuwsuur van 12 oktober 2017. De rechter had in 2012 Michael P. tbs moeten opleggen. En dat had hij moeten doen door meer te vertrouwen op een onderbuikgevoel of zijn intuïtie. Volgens Van Marle zie je als psychiater op basis van het delict gewoon de geestelijke verdraaiing en de perversie, dan kun je afronden richting perversies en dan heb je de stoornis. De psychiater kon dus destijds bij Michael P. een stoornis vaststellen. Helaas gaf Van Marle niet aan waarom er desondanks niet een dergelijk advies kwam.
Het is te bizar: de rechter doet wat hij moet doen en besluit om Michael P. naar het PBC te sturen. Daar zitten psychiaters die volgens van Marle op basis van het delict de perversie en dus de stoornis kunnen vaststellen. Maar zij, de deskundigen, doen dat niet, want de observandus werkt niet mee. Vervolgens moet de rechter, als leek, zijn onderbuik raadplegen en tbs opleggen. De rechter hád aan Michael P. tbs moeten opleggen, zo sterk zet Van Marle het aan, om ook nog even aan Twan Huys te bevestigen dat dus de oorzaak van dit drama bij de beslissing van het hof in Arnhem ligt. Een hoogleraar die weet wat de rechter had moeten doen, die hoeft in ieder geval niet lang op een uitnodiging voor een tv-optreden te wachten. Misschien ook iets voor problemen in de bewijssfeer, die onderbuik en intuïtie? Lees meer …

De ontwikkeling en positionering van het Openbaar Ministerie

Inleiding

Uit sommige hoeken wordt het idee vernomen worden dat het ministerie van Veiligheid en Justitie mogelijk twee bewindslieden krijgt, een voor de rechtsstaat en een voor justitie en veiligheid. Een daaraan gekoppelde gedachte is dat het Openbaar Ministerie mogelijk bij de minister van Justitie en Veiligheid zou worden ondergebracht, samen met de politie. Wat zou er tegen zijn, zo werd gereageerd op mijn verbazing, het Openbaar Ministerie is sinds de eeuwwisseling toch een veiligheidsorganisatie geworden zijn met af en toe een strafzitting? Het Openbaar Ministerie doet toch steeds minder zaken af en beweegt zich toch grotendeels bij de voordeur om preventief bezig te zijn en voor het overige speelt het zwaartepunt zich toch af bij de gemeenten en andere uitvoeringsorganisaties rond het bestrijden van ondermijning? Officieren zouden zich sinds jaar en dag al als boevenvangers manifesteren. De sprekers straalden bij deze uitlatingen geen enkele ironie of spot of ergernis uit, zij vonden het een logische ontwikkeling. Over het waarom van mijn verbazing gaat deze blog. Als ik het goed zie zijn er drie nieuwe of aangescherpte ontwikkelingen die het OM van de laatste kwart eeuw domineren. Lees meer …

Een punt achter de zaak

Op 18 augustus 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan in een klachtzaak betreffende een voormalige topambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Na uitvoerig onderzoek komt het hof tot de slotsom dat er geen enkele verdenking is gebleken ter zake van verkrachting van minderjarige jongens in Turkije door deze topambtenaar. Diens naam werd daar wel jaren lang mee in verband gebracht.

Voor ik hier op terugkom maak ik eerst een uitstapje, te weten naar Israël waar ik deze zomer was. Ik kan me niet zo gauw een ander land bedenken waar zoveel nationaliteiten elkaar met zoveel emotie verdringen rond als heilig ervaren plaatsen. Het scherpst geslepen worden de potloden op en rond de Tempelberg in Jeruzalem met daarbovenop de Al Aqsa moskee (uit de 6e eeuw, eerder een Byzantijnse kerk) en de Rotskoepel (uit de 7e eeuw) en aan de rand de Klaagmuur, officieel de Westmuur geheten, het fundament van de rond ’70 (door de Romeinen) verwoeste tweede Joodse tempel. Recent zijn daar nog relletjes geweest vanwege het plaatsen van detectiepoortjes bij de toegang tot de berg, voor moslims die daar willen bidden. Lees meer …

Het motiveren van getuigenverzoeken na Schatschaschwili. Moet er meer, mag er minder of is alles bij hetzelfde gebleven?

Op 15 december 2015 deed de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (zie NJ 2017, 294 m.nt. B.E.P. Myjer). In dat arrest biedt het EHRM meer duidelijkheid over de eisen die op grond van Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk (zie NJ 2012, 283 m.nt. Schalken en Alkema) gelden voor het gebruik van verklaringen van getuigen die niet ter zitting gehoord zijn geworden. In de kern komt het arrest inzake Schatschaschwili erop neer dat aan de hand van de vragen (1) of er een gerechtvaardigde reden is voor het niet kunnen horen van de getuige, (2) of de verklaring al dan niet sole or decisive is en (3) of er voorzien is in maatregelen die compensatie bieden aan de verdediging voor het niet horen van de getuige dient te worden vastgesteld of de procedure in zijn geheel fair is te noemen. Het antwoord op de vragen sturen als het ware het oordeel over de fairness van de procedure maar dat betekent niet dat het beschouwd mag worden als een stroomschema waarin voor alle gevallen door maar de drie vragen te beantwoorden als vanzelf het antwoord volgt op de vraag of artikel 6 EVRM al dan niet geschonden is. Het EHRM benadrukt dat ‘all three steps (…) are interrelated and, taken together, serve to establish whether the criminal proceedings at issue have, as a whole, been fair’ (voor alle nuances en rijke inhoud van het arrest zie het arrest zelf en de annotatie van Meyer). Lees meer …

De rechtspraak op Sint Maarten na de orkaan Irma: RR-COG

Het gebeurt Nederlandse rechters niet vaak dat ze door oorlogen of calamiteiten met tabula rasa te maken krijgen, maar op Sint Maarten was het dit jaar dan zover. De orkaan Irma kwam rechtover alsof het een grasmaaier was en duurde in zijn hefstigste razernij ongeveer drie uur. Het deed mij denken aan beschrijvingen van het bombardement van Rotterdam. De Sint Maartense collega’s hadden het al voorspeld, het lawaai, gedreun, getril en gekraak zijn het allerergste. Veel mensen, ook sommige collega’s, verloren hun dak of zelfs hun hele huis en zochten toevlucht in keuken- en kledingkasten of moesten tijdens de storm hun heil buiten zoeken en liepen daarmee groot gevaar. Sommige huizen werden getroffen door rondvliegende zeecontainers en auto’s. Daar helpt geen orkaanproof bouwen tegen. Persoonlijk werd ik danki Dios minder zwaar getroffen, maar het waren toch erg nare uren. Lees meer …

Buikhuisen

De hooggeleerde Buikhuisen heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn arbeidzame leven. Hij was niet alleen mijn promotor in academische zin, maar in veel breder opzicht.

Toen hij in 1973 naar Den Haag vertrok om Algemeen Adviseur Wetenschappelijk werk te worden bij het Ministerie van Justitie en het huidige WODC nieuwe impulsen te geven, was dat een grote aderlating voor het Criminologisch Instituut. Niet alleen in wetenschappelijk opzicht, maar vooral in culturele zin. Met zijn vertrek ging er een andere wind waaien op het Instituut. Van een nogal strak geleide organisatie met een duidelijke leider, werd het onder zijn opvolger Jongman veel meer een “free for all” club. Wetenschappelijk gezien stonden de beide hoogleraren aan de ene kant dicht bij elkaar, waar het ging om de methodologie en de operationalisering van onderzoekvragen. Jongman was gepromoveerd bij de Groot op een proefschrift getiteld “Het denken van de schaker” een zeer interessante dissertatie die zich o.a. richtte op het verschil in denken tussen meester schakers en gewone spelers. Lees meer …

Het strafrecht is een inhoudelijk bedrijf

Tussen inhoud en vorm, tussen vakuitoefening en organisatie daarvan, bestaat van nature een grote spanning die soms naar buiten spat via manifesten, maar die zich nog vaker manifesteert in stroperigheid en verlamming. Ik ga die millennia oude discussie niet overdoen of zelfs maar proberen samen te vatten, maar ik wil vooraf wel iets kwijt over de psychologische spanningen. Die spanningen worden vaak verbaliseerd met diskwalificaties of aanbevelingen als het zijn van blauw of rood. Ik ken geen kleuren of kernkwadranten omdat ik claustrofobische neigingen krijg in een hokje. Sinds jaar en dag verdedig ik de noodzakelijke interferentie tussen de strafrechtelijke inhoud en de bedrijfsvoering. Wie de cassatierechtspraak over het onderzoek ter zitting of over het doen horen van getuigen kent, dient ook na te denken over hoe deze rechtspraak kan worden vertaald in het organiseren van het eigen rechterlijke werk. Omgekeerd moeten de bedrijfsvoering en de leiding van een gerecht weten wat de rechter nodig heeft om hem in de basisnoden te faciliteren. Toen ik er in 2007 over ging schrijven was het nieuw, maar toch is dat idee nog steeds niet geland. Dat is niet zo gek, het is immens ingewikkeld om tussen inhoud en organisatievormen een vruchtbare relatie te laten ontstaan. Wel broodnodig, want veel van de nog steeds toenemende spanningen in de rechterlijke organisatie zijn te herleiden tot een ervaren kloof tussen de inhoudelijke professionals, het zogeheten primaire werk, en de leiding die de inhoud zou aansturen als ware het een koekjesfabriek met kpi’s, audits, monotoringsinstrumenten, en dat vaak onder het mom van Engelse termen als CEO’s, want dat klinkt serieuzer. Omgekeerd zijn de beelden ook niet mals. De meeste bedrijfsvoeringsmedewerkers menen – navoelbaar – dat de inhoudelijke vaklieden geen benul hebben van organiseren, dat de inhoudelijke eindverantwoordelijken niet doorpakken, want op deze manier is er geen eenheid en zonder de discipline en trouw om de opgelegde formats na te leven gaat de kwaliteit van de organisatie teloor. Over en weer zijn dit soort schrikbeelden en verwijten fors.
Voor de goede orde: ook bedrijfskundigen, bedrijfseconomen en bestuurskundigen zijn uiteraard professionals die gedreven worden door de wil en eigen vakmatige inzichten de organisatie te verbeteren. In dit opstel gaat het echter om de organisatieontwikkeling door middel van (de aansluiting met) de vakinhoudelijke professionals zelf en hoe bedrijfsvoering en de inhoudelijke professionals kunnen samenwerken. Lees meer …

“Ze”

Advocaten mopperen wel eens over de bijstand tijdens het politieverhoor: mager betaald en er mag niet zoveel. Ik vind het toch wel nuttig, vooral wanneer de tekst van het proces-verbaal wordt vastgesteld. Leerzaam ook om de politie op de vingers te kijken, zoals die keer dat rechercheurs hemel en aarde bewogen om, tegen alle regels in, de ghb van de zwaar verslaafde cliënt aan de vernietiging te ontfutselen zodat hij niet ‘zonder niks’ de straat op hoefde, ‘want daar heeft niemand wat aan’. Mag een officieel beginsel van strafrechtelijk handelen worden: ‘heeft iemand er wat aan?’ Lees meer …

Een lerende rechterlijke organisatie

Inleiding
Nieuwsgierig, leergierig, een lerende organisatie, individuen en organisaties zijn bezig met leren. Van de wieg, leren kruipen, lopen, praten en uiteindelijk (hopelijk leren) sterven. Hoe gaat dat leren in zijn werk en kun je dat leren?

Er wordt veel geschreven over leren, meestal in relatie tot kwaliteit, een serieuze organisatie heeft onderwijskundigen en bedrijfskundigen in dienst die een kennismanagementsysteem in het leven roepen, ontwikkelen en onderhouden. Soms zijn er kwaliteitssystemen, zoals INK en RechtspraaQ (waarde lezer, even googelen), die na enkele jaren een stille dood sterven. Die zachte dood is door de organisatieleiding niet gewenst, maar kon worden voorzien omdat de meeste professionals nauwelijks enige sympathie voelen voor dit soort organisatiemodellen. Toch is een van bovenaf opgelegd leermodel niet weg te denken uit een organisatie als die van de rechterlijke macht. Er is een SSR, er zijn PE-punten en nog veel meer. Of de magistraten echter de wekelijks verschijnende Nederlandse Jurisprudentie bijhouden is de vraag, en nog meer of en hoe ze nieuwe rechtspraak, wet- en regelgeving verwerken in hun dagelijkse werk is nog meer de vraag. Ik bedoel dat niet cynisch, we weten het domweg niet. Het helpt evenmin om te bezien welke rechter of officier van justitie de meeste vrijspraken of aanhoudingen ‘scoort’. Vrijspraken kunnen onterecht zijn, en zelfs als de cassatierechter een vrijspraak intact laat, kan het goed zijn dat de voorliggende casus en de opeenvolgende rechtsoordelen de rechtsontwikkeling hebben bevorderd.
Beelden als dat het huidige kennisniveau slechter is dan vroeger, dat de huidige magistraat zijn of haar vak minder goed verstaat dan de vroegere magistraten, beroeren noch overtuigen mij. We kunnen ternauwernood overzien wanneer zich een breuklijn in een ontwikkeling voordoet, wel dat er veel minder zijn dan we in onze bestaande emoties menen.
Als we loskomen van beelden over kwaliteit, en of deze af- of toeneemt, kan er wel iets preciezer worden geschreven over onze juridische en magistratelijke kennisontwikkeling. Lees meer …