Tagarchief: ZSM

Reactie op Plea bargaining. Een vereenvoudige procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep.

Het voorstel van Rinus Otte voor een nieuwe, vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachte in hoger beroep op basis van de beginselen van plea bargaining biedt interessante, nieuwe input in de discussie over efficiency in de Nederlandse strafrechtspleging. Ofschoon ik nog altijd wat moeite heb met de negatief geladen Anglo-Amerikaanse term ‘plea bargaining’ en pleit voor het neutralere, en daardoor in rechtsvergelijkend opzicht wat preciezere woord ‘vonnisafspraken’, is er veel te zeggen voor zijn voorstel. Een procedure waarbij openbaar ministerie en verdediging in overleg een conceptvonnis in hoger beroep opstellen dat na rechterlijk fiat ten uitvoer kan worden gelegd bespaart veel tijd en dus capaciteit. Dit is niet alleen in het belang van de rechtstreeks betrokkenen, maar ook van de rechterlijke macht en dus de samenleving. Lees meer …

Plea bargaining. Een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep

Sinds de jaren negentig is langdurig gebouwd en gesleuteld aan een nieuwe inrichting van het hoger beroep. De discussie verliep langs de vraag of een grievenstelsel wenselijk was of het huidige voortbouwend appel. Zonder die discussie te herhalen kan vastgesteld worden dat het grievenstelsel niet is ingevoerd. Het vigerende voortbouwend appel komt in hoofdzaak hierop neer dat de behandeling in hoger beroep in het bijzonder is gefocust op de behandeling van de geschilpunten tussen verdediging en het openbaar ministerie. Op die inzet wordt regelmatig afgedongen door een bepaald segment van de strafrechters. De laatsten menen dat de rechter per definitief gehouden is om ambtshalve alle onderdelen van de beschuldiging te behandelen en beroepen zich daartoe op bepaalde lijnen in de cassatierechtspraak die zouden dwingen tot het voorhouden van bepaalde processtukken op straffe van het niet kunnen benutten daarvan voor een mogelijke bewijsconstructie of bewijsoverweging. Over de (uitleg van de) jurisprudentiële lijnen zal tot het einde van de rechtsprekende tijden gediscussieerd worden, dat is ook de bedoeling van een normatief discours waarin veel keuzen pleitbaar maar niet altijd overtuigend zijn. Die meningsverschillen over de betekenis van het voortbouwend appel verklaren waarom een deel van de strafrechters substantieel meer tijd nodig heeft voor de behandeling van de zaak of meent dat nogmaals getuigen moeten worden gehoord. Lees meer …