Tagarchief: Voorlopige hechtenis

De pen en de inktpot: het motiveren van de voorlopige hechtenis

“Een goede en op de individuele zaak toegespitste motivering van de beslissing tot voorlopige hechtenis is niet alleen een wettelijk vereiste, maar ook een recht van de verdachte. De verdachte heeft recht op uitleg van de beslissing en als er verweer wordt gevoerd, waarom dat niet slaagt. Het fundamentele karakter van dit recht wordt onder meer onderstreept door de jurisprudentie van het EHRM.”

Deze wijsheid valt te lezen in een recente publicatie getiteld “Tekst en uitleg” van het te Utrecht gevestigde College voor de rechten van de mens. Uit het onderzoek blijkt evenwel dat rechterlijke beslissingen over de voorlopige hechtenis niet altijd zijn gemotiveerd langs deze lat, en dat zou volgens het College wel moeten.

Lees meer …

Recht schokkende bevindingen

We vreesden en wisten het natuurlijk eigenlijk allang, maar nu is het ook “officieel”: beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis worden onvoldoende gemotiveerd. Op basis van een studie van 300 dossiers (50 bij ieder van vier rechtbanken en 50 bij ieder van twee gerechtshoven, verspreid over het land) concludeert het College voor de rechten van de mens in een rapport van maart 2017 (Tekst en uitleg) dat het in onze rechtspraak schort aan de wijze waarop de motivering van de voorlopige hechtenis er in de praktijk uitziet, en aan de verhouding tussen die praktijk en de relevante mensenrechten. Het College doet in zijn rapport een aantal aanbevelingen waarmee hierin verbetering kan worden gebracht.

Lees meer …

Faites vos jeux

De vraag die het meest aan strafrechtadvocaten gesteld wordt is uiteraard de vraag naar het kunnen verdedigen van een – zoals de advocaat weet – schuldig persoon. De motieven om de discussie aan te gaan zijn interessant; soms straalt de verontwaardiging er vanaf maar ook vaak de oprechte fascinatie of pure nieuwsgierigheid. Tijdens mijn jaarlijkse gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam, bedoeld om beginnende rechtenstudenten te enthousiasmeren voor de studie (“hou ze aan boord” is het devies) boeien het onderwerp en de discussie erover steeds opnieuw.
Er is een andere interessante vraag die ook steeds terugkomt.
“Maakt het eigenlijk verschil voor welk hof, welke rechtbank, welke kamer of zelfs welke rechter je zaak dient?” Die vraag beantwoord ik steevast met een volmondig ja, een ja dat met de jaren steeds steviger wordt. Er zijn talloze voorbeelden van verschillen, waaronder zeer grote, te geven.
Op dit moment springt het meest in het oog de manier waarop verschillende rechters, ook in één rechtbank, omgaan met de voorlopige hechtenis. In feite is dat hele gebeuren voor de verdachte niets meer of minder dan een loterij. Dat beeld wordt bevestigd wanneer rechters zelf hierover aan het woord zijn, er blijkt ronduit sprake te zijn van verschillende stromingen, die ook nog eens van richting kunnen veranderen. Toen het “Rotterdamse model” (hoofdregel: alleen vastzetten als het echt niet anders kan) al hier en daar in het land werd gevolgd vertelde een Rotterdamse rechter mij dat daar juist weer een terugtrekkende beweging was ingezet.
Het is natuurlijk niet te verkopen dat op een eerste pro forma zitting alle verdachten van de invoer van 1000 kilogram cocaïne bij betaling van een kleine borgsom met een schorsing naar huis kunnen, op grond van bovenstaande hoofdregel, terwijl een verdachte van het witwassen van € 90.000 even verderop in dezelfde rechtbank moet blijven. Dezelfde rechtbank, maar weer een andere kamer die vervolgens beslist dat de verdachte die € 20 miljoen zou hebben witgewassen geschorst wordt, dit keer zonder borgsom. In alle gevallen uiteraard ernstige bezwaren en verschillende gronden maar nergens een spoor van bijzondere persoonlijke omstandigheden, vandaar de benaming oneigenlijke schorsing. Onderdeel van de loterij is overigens ook het forum; wordt er op de zitting geschorst dan blijft de verdachte buiten, wordt er in raadkamer geschorst dan wordt na appèl van de officier van justitie door bijvoorbeeld het hof Den Haag weer steevast naar die bijzondere persoonlijke omstandigheden gevraagd, waarvan iedereen weet dat die er niet zijn; dan weet je al hoe het af gaat lopen. Sterker, de voorzitter die er in Den Haag naar vraagt (wie kent hem niet) wéét dat bij een dergelijk appèl die omstandigheden niet gaan komen en een beetje advocaat belt daarna niet eens voor de beslissing. Zo kon het gebeuren dat de rechtbank Rotterdam schorste in raadkamer, dat het hof Den Haag de officier gelijk gaf, de verdachte weer naar binnen ging, maar slechts een paar weken tot aan de volgende zitting omdat de rechtbank toen zo moedig was om tegen de zin van het hof in weer te schorsen en de officier toen niet in appèl kon (later werd door de rechtbank 8 jaar opgelegd).
Daarentegen heeft bijvoorbeeld het hof Amsterdam weer wat meer oog voor de “oneigenlijke” schorsing. Misschien heeft het daar geholpen dat vorig jaar een aantal advocaten in een zogeheten spiegelbijeenkomst ten overstaan van de gehele strafsectie mochten vertellen wat er in hun ogen mis was. De gang van zaken in raadkamer en op zitting met betrekking tot de voorlopige hechtenis was met afstand topic nummer 1. Maar daardoor is het verschil in raadkamer tussen hof Den Haag maar ook hof vestigingsplaats Arnhem en hof Amsterdam weer groter geworden.
Het is overal in het land anders. Faites vos jeux!

Lees meer …

Geen lichtvaardigheid, wel een lichtend voorbeeld

Peter Plasman

In zijn blog van 8 september jl. stelt Ferdinandusse dat de rechter-commissaris in Alkmaar wel heel lichtvaardig op de stoel van de wetgever is gaan zitten toen hij besloot om op verzoek van een verdachte het verhoor als bedoeld in artikel 59a Wetboek van Strafvordering eerder dan voorzien te doen plaatsvinden.
Ervan uitgaande dat Ferdinandusse niet zal bedoelen dat de rechter wel op die stoel mag gaan zitten als hij dat maar niet heel lichtvaardig doet is zijn standpunt interessant in het licht van de “stoelendans” die thans gaande lijkt. De benadering zou ook kunnen zijn dat wanneer de rechter tijdens die stoelendans constateert dat zijn stoel bezet is door de wetgever hij dan maar even op de stoel van laatstgenoemde moet plaatsnemen.

Lees meer …

Toetsing van de inverzekeringstelling: de rechter als wetgever?

Ward Ferdinandusse

Kan een in verzekering gestelde verdachte nog voor zijn voorgeleiding de rechter-commissaris vragen de rechtmatigheid van die inverzekeringstelling te toetsen? Of moet hij daarmee wachten tot zijn voorgeleiding?

Het antwoord op die vraag lijkt eenvoudig: art. 59a Sv bepaalt dat:

  • tijd en plaats van verhoor van de verdachte onverwijld worden bepaald door de rechter-commissaris na daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben ontvangen (lid 2)
  • dat verhoor moet plaatsvinden binnen drie dagen en vijftien uur na de aanhouding (lid 1)
  • de verdachte bij zijn verhoor de rechter-commissaris zijn invrijheidstelling kan verzoeken (lid 4)

Er is dus door de wetgever niet voorzien in een toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling voorafgaand aan het verhoor van de verdachte, en het initiatief om dat verhoor te doen plaatsvinden ligt alleen bij de officier van justitie.

Lees meer …

De voorlopige hechtenis als tombola

In december 2013 verscheen in het Strafblad een uitvoerige beschouwing van de hand van drie Rotterdamse rechters over de toepassing van het dwangmiddel voorlopige hechtenis in ons land. Het artikel schijnt in rechtersland de nodige commotie te hebben opgeleverd, door sommige rechters werd zelfs over echte ruzies gesproken.
Begrijpelijk want de boodschap is niet mis te verstaan: de toepassing van de voorlopige hechtenis is uit de hand gelopen en rechters maken er maar een potje van. Dat horen rechters niet graag, rechters nemen immers gewetensvol en met kennis van zaken afgewogen beslissingen; dat dat soms in tientallen zaken per dag moet doet daar niet aan af.
Bij lezing gingen mijn gedachten zoals vaker terug naar het moment dat ik over een raadkamerbeslissing belde en dat ik voor ik één woord had gezegd al hoorde dat mijn client was gehouden; de griffier kon dat doen omdat iedereen was gehouden, dat waren toen zestig afgewogen en gewetensvol genomen beslissingen.
Natuurlijk is boosheid bij rechters terecht; vele rechters passen de voorlopige hechtenis toe zoals dat ooit bedoeld was en zijn bij ontbreken van ernstige bezwaren of een grond rigoureus. Maar er zijn ook rechters die zouden moeten opheffen maar dan opeens een nieuwe grond zien die daarvoor drie maanden lang niet aan de orde was. Het gaan horen van één onbelangrijke getuige kan zomaar betekenen dat de onderzoeksgrond herleeft, vooral wanneer andere gronden niet langer bestaan.
In veel te veel zaken hebben de Rotterdamse rechters het gelijk aan hun zijde: eerst beslissen of de verdachte eruit mag of niet en vervolgens zonodig de bezwaren en/of grond(en) erbij vinden.
Het is strafrechtadvocaten eigen om zich met regelmaat te beklagen over niet welgevallige beslissingen, maar zelfs met dat gegeven in het achterhoofd is de communis opinio onder advocaten als het om de voorlopige hechtenis gaat te groot om te negeren. De strafrechtadvocatuur is het in feite volledig eens met de drie Rotterdamse rechters en de rechters zijn inmiddels populaire docenten in de permanente opleiding van advocaten (u weet wel, die punten).

Lees meer …

(On)zinnige toepassing van de voorlopige hechtenis

Het is bij de rechtbank Amsterdam lang gebruik geweest dat een advocaat die wilde weten hoe de raadkamer had geoordeeld over de voorlopige hechtenis een dag na de zitting belde met de betreffende griffier.

Optimistisch als meestal belde ik weer eens een keer zelf en het gesprek liep als volgt:

Ik: “Goedemorgen, u spreekt met Plasman, advocaat, ik bel even om te horen…”
Griffier: “Uw cliënt is gehouden”
Ik (verbaasd): “Weet u dan precies wie mijn cliënt is ?”
Griffier: “Nee, maar ze zijn allemaal gehouden, achter elke naam staat een H’tje”
(H van Houden)!

Lees meer …