Tagarchief: Taakopvatting

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting.

Lees meer …

Keffende strategen

“Een advocaat die niet van te voren informeert wie de zittingsrechters zijn, doet zijn werk niet goed”, hield een rechter ons cursisten vorige week voor, wat mij op slag onrustig maakte want dat vraag ik maar zelden. Maar inderdaad speelt (juist) in strafrechtland de menselijke factor ongetwijfeld een grote rol. Het maakt heel wat uit of je één van die minzaam knikkende maar hard afrekenende sfinxen treft, of de over-assertieve Amsterdamse voorzitter die onder het uitzenden van borende blikken over zijn bril al na twee zinnen de poten onder je pleidooi wegzaagt, maar wel de discussie opengooit en naar mijn ervaring verdachten vaker niet dan wel onder uit de zak geeft (ik verdenk hem ervan dat hij niet tegen saaie zittingen kan).

Lees meer …

De smoesjescatalogus

De raadsman als delictscenarioschrijver

Tijdens mijn allereerste strafzitting (over een vordering tenuitvoerlegging) vroeg ik aan een raadsman waarom zijn cliënt er niet was. Hij wist het niet. Ik vroeg: zit hij soms in de gevangenis? Waarop hij met een theatraal gebaar naar zijn hart greep en uitriep: míjn cliënt in de gevangenis?! Het klopte. Zijn cliënt zat niet in de gevangenis, maar op het politiebureau. Vraag fout gesteld.

Sommige advocaten gaan vol voor het standpunt van hun cliënt, ook al is dit feitelijk of juridisch niet erg trefzeker of overtuigend. Mogelijk is hun cliënt na afloop tevreden, de feitelijke invloed van het pleidooi op de uitkomst van het proces is dan meestal beperkt. Andere advocaten concentreren zich meer op effectiviteit en kunnen zeer subtiel laten doorschemeren waar ze het standpunt van hun cliënt verwoorden en aan welke argumenten ze zelf veel of weinig gewicht toekennen. Als rechter vind ik die advocaten heel goed die in staat zijn dat te doen op basis van een reële inschatting van bijvoorbeeld feiten, jurisprudentie, het bewijsmateriaal. Die advocaten zijn meer dan evenredig invloedrijk, omdat ik bij hen nog wat meer geneigd ben op het puntje van mijn stoel te gaan zitten en gevolg te geven aan hetgeen zij zeggen dan bij advocaten die een soort vast patroon van verdediging laten zien, bijvoorbeeld met veel verve verweren voeren die in het licht van wet en jurisprudentie weinig kansrijk zijn.

Lees meer …

Graag meteen ook de antwoorden

Een advocaat mag niet liegen. Zeker niet tegen de rechter. Daar schijnt wisselend over gedacht te worden, maar dat ligt misschien aan de definitie. Ik versta eronder: bewust feitelijke onjuistheden voor waar meedelen, en dat mag dus niet. Ik denk trouwens dat de meeste advocaten ook helemaal niet willen liegen. Het maakt de boel ingewikkeld en het strafproces is al complex genoeg.
Voor de verdachte ligt het anders: hij mag alles, dus ook liegen dat het gedrukt staat. En veel verdachten zullen kleine of grote redenen hebben om, zoals wel parmantig in vonnissen staat, ‘de waarheid te bemantelen’. Of het wijs is om dat te doen is de vraag, en dat raakt aan een belangrijke taak voor de advocaat: de cliënt voorbereiden op de verhoren.
Niet altijd gemakkelijk. Ook voor de advocaat is er een afbreukrisico: je voelt je er toch op aangekeken als jouw cliënt tijdens het verhoor alle hoeken van de kamer ziet!
En waar bereid je eigenlijk op voor? De gemiddelde cliënt wil niet alleen de vragen horen die hij kan verwachten maar graag meteen ook de antwoorden. Maar iemand zijn verklaring kant-en-klaar voorschotelen is duidelijk niet de bedoeling. Van de raadsman wordt wel verwacht dat hij wijst op de juridische gevolgen van diverse te volgen strategieën, waaronder af te leggen verklaringen. Dat houdt dus in: de best mogelijke verklaring met de meeste kans op een gunstige afloop. Je ontkomt er dan niet aan om verschillende opties door te nemen, en het waarheidsgehalte hoeft niet doorslaggevend te zijn.
Het kan ook niet anders, want de advocaat is niet bezig met waarheidsvinding, maar met eenzijdige belangenbehartiging. Wat niet wegneemt dat hij de grens met zijn cliënt moet bewaken; die moet de bron van de verklaring zijn, niet zijn raadsman. Een potentieel mijnenveld.

Lees meer …

Hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de strafrechter bij de betekening?

Een verdachte heeft het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Een van de waarborgen om dat recht te bewerkstelligen is dat bij aanvang van de behandeling van een zaak beoordeeld wordt of de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.

Het doel van de betekeningsregeling is de verdachte in kennis te stellen van de behandeling van zijn strafzaak en hem of haar op die manier in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn.[1] Omdat die inspanningsverplichting een voorwaarde is om de behandeling van een strafzaak aan te vangen, is de betekeningsregeling er op gericht het kennis geven van de strafzaak aan de verdachte zo snel en efficiënt mogelijk te laten geschieden. Dit geldt eens temeer daar de verdachte het recht heeft op een behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn. Een recht dat ook slachtoffers en de samenleving toekomt. Nietigverklaring van de dagvaarding of het moeten aanhouden van de behandeling van een strafzaak omdat er sprake is van een betekeningsgebrek, leidt er toe dat een verdachte langer op de behandeling van zijn strafzaak moet wachten. Én, wanneer sprake is van een structureel probleem op dit punt, werkt die vertraging door in andere strafzaken. Rechterlijke en gerechtelijke capaciteit kan immers maar eenmaal worden ingezet. De wens om betekeningsgebreken niet te vaak in de weg te laten staan aan het aanvangen met de behandeling van de zaak heeft de wetgever er in 1994 toe gebracht het GBA-adres steviger als uitgangspunt te verankeren.[2] Tot veel verandering heeft dit echter niet geleid. Het aanwezigheidsrecht bracht mee dat de Hoge Raad allerlei nuances in de betekeningsregeling heeft aangebracht en aanvullende regels heeft geformuleerd. Deze wijzigingen zijn in het overzichtsarrest van 12 maart 2002 op een rij gezet en aangevuld en die regels zijn vervolgens gecodificeerd in de artikelen 588 en 588a Sv. Betekening op het GBA-adres is nog steeds voldoende voor een rechtsgeldige betekening, maar wanneer de verdachte op enig moment in de procedure een ander adres kenbaar heeft gemaakt dient ook een afschrift naar dat adres verzonden te zijn vooraleer de behandeling van een strafzaak zonder verdachte kan worden aangevangen.[3]

Lees meer …