Tagarchief: Straftoemeting

Meer structuur in straftoemeting nodig

Bert Berghuis

[1] In 1992 publiceerde Trema een themanummer over rechtsgelijkheid, waarbij ik was gevraagd om een empirische bijdrage te leveren over het strafrecht. Die bijdrage “De harde en de zachte hand” toonde een forse ongelijkheid in straftoemeting aan en maakte veel los. De media doken erop, ontkenning van rechtbankpresidenten in de NRC, natuurlijk ook enige agressie naar degene die de boodschap verkondigde. Toch bleek het ook een stimulans voor wat later de oriëntatiepunten van de strafrechtspraak zouden worden. We zijn nu 25 jaar verder – wat is er terecht gekomen van de inspanningen om tot een grotere rechtsgelijkheid te komen? Het meest tastbare resultaat zijn de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting bij een dertigtal delicten.

Lees meer …

Vooroordelen en straftoemeting

Vele wijsgeren hebben zich het hoofd gebroken over de vraag of de mens beschikt over ‘a priori-kennis’, kennis die los staat van ervaring en bij de geboorte is meegegeven. Dat blijkt nogal tegen te vallen. Eigenlijk blijken mensen bij de geboorte vooral begiftigd te zijn met vaardigheden die kennis mogelijk maken, bijvoorbeeld de vaardigheid tot logisch denken. Ook humor zou je tot dit soort a priori kennis kunnen rekenen. Zuigelingen kunnen bijvoorbeeld al snel de humor inzien van dingen die niet kloppen, zoals het geven van een melkfles aan de knuffel of het op je hoofd staan in plaats op je voeten.

Lees meer …

De straftoemetingsmal in de gereedschapskist

Door Henk Elffers

1. Allereerst een woord van dank aan Albert Klijn, die zich niet neerlegde bij de teleurstellende stilte jegens mijn oproep op Ivoren Toga om over een “straftoemetingsmal” na te denken en ermee te experimenteren. Hij besprak mijn voorstellen met enkele deskundige betrokkenen, en daardoor ben ik in de gelegenheid te reflecteren op de zeer gewaardeerde reacties op mijn voorstel van Van Atteveld, Janssen, Mulder en Tak. (Klijn, A. (2017), Het grote zwijgen van de ZM, in antwoord op: Elffers, H. (2016), De straftoemetingsmal: een middel om straftoemeting begrijpelijker te maken)

Lees meer …

Het grote zwijgen van de ZM

Door Albert Klijn

Desgevraagde antwoorden
Overdreven verwachtingen over het aantal reacties van strafrechters op de oproep van Henk Elffers om mee te denken over verbetering van de door ontworpen straftoemetingsmal (zie de blog van 21 januari 2016) had ik niet. Maar dat het aantal reacties tot in september dat jaar – en tot op dit moment zelfs – exact nul bedroeg, stelde mij teleur. Durft nu niemand de nek uit te steken, is het onderwerp totaal niet interessant meer is of – ik durf het nauwelijks te typen – geldt: (toemetings)vrijheid blijheid? Vraagtekens vergen doorvragen vandaar mijn besluit op pad te gaan en antwoorden te gaan halen bij personen die ik een interessante mening toedacht en die vast mij wel wilden ontmoeten.

Lees meer …

De straftoemetingsmal: een middel om straftoemeting begrijpelijker te maken

Henk Elffers

Als een strafrechter eenmaal besloten heeft dat hij een verdachte veroordeelt voor een bepaald delict, staat hij voor de beslissing welke straf op te leggen. Het is de taak van de rechter, en van hem alleen, om binnen de in het algemeen zeer ruime wettelijke grenzen te bepalen welke straf hij oplegt, gelet op de persoon van de verdachte, de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De Officier van Justitie zal in zijn requisitoir daartoe een voorstel hebben gedaan, en de raadsman van de verdachte zal daarop hebben gereageerd. Heden ten dage is het gebruikelijk dat de rechter in zijn motivering van het vonnis uitleg geeft omtrent welke factoren hij heeft laten meewegen bij zijn beslissing. Meestal komt dat neer op een -soms nogal obligate- opsomming van enkele feiten en omstandigheden die de rechter in zijn afweging de revue heeft laten passeren: het strafblad van de verdachte, de schade aangericht, het leed aan het slachtoffer aangedaan, maatschappelijke verontwaardiging, het voornemen van de verdachte zijn leven te beteren, de uitgedrukte spijt, het feit dat verdachte inmiddels aan een opleiding is begonnen, …

Lees meer …

Het maatwerk van de rechter

De rechter levert maatwerk. Dat is althans de stelling, het uitgangspunt. Maatwerk staat voor zorgvuldigheid, niet alles over één kam scheren maar gelijke gevallen gelijk behandelen en ongelijke ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid. Ik ga bij de discussie of de rechter dit uitgangspunt waarmaakt voorbij aan de fase van de schuldvaststelling en beperk me tot de strafmaat.

Bij de bepaling daarvan houdt de rechter, zo blijkt uit de formule voor de motivering, rekening met de ernst van het feit, de persoon van de dader en de omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd. Bij de weging van deze drie factoren moet hij dus zo goed als mogelijk proberen te voldoen aan het eerder genoemde maatwerk uitgangspunt. Bij de ernst van het feit is dat, prima vista, het eenvoudigst. Soms steekt de wetgever zelfs de helpende hand toe, bijvoorbeeld door onderscheid te maken tussen de opzet en de schuld variant van een strafbaar feit. Maar ook als dat niet gebeurt, is deze variabele in het algemeen het makkelijkst te kwantificeren en daarmee op één noemer te brengen. Bij vermogensdelicten door de schade in geld uit te rekenen, bij geweldsdelicten door het letsel zo objectief mogelijk in kaart te brengen, bij dronken rijden door het bloedalcoholgehalte etc. etc.

Lees meer …

Hardere aanpak

Onlangs bepleitte het VVD-kamerlid Visser in een landelijk ochtendblad voor een hardere aanpak van in dit geval dronken automobilisten.

Volgens het krantenartikel (Telegraaf 20-4-1015 T5) is het belangrijkste punt in haar plan:
“dat zij een streep wil door taakstraffen voor dronken automobilisten als die een ander dodelijk of zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht. Dat moeten celstraffen worden”.

Nu gebruiken de rechters in Nederland al geruime tijd een lijst van oriëntatiepunten en afspraken in het kader van de straftoemeting. Die lijst dient als uitgangspunt en heeft mede tot doel om te komen tot een vorm van gelijkheid bij overtreding van soortgelijke feiten. Dronken rijden in Groningen moet in zijn algemeenheid niet anders bestraft worden dan in Limburg. Het individuele geval leidt tot “fine-tuning”. Daar is ook niets mis mee want in ons Wetboek van Strafvordering staat dat bij strafoplegging ook rekening moet worden gehouden met de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Lees meer …

Halfweg

In de zestiger jaren van de vorige eeuw was het voor “alcomobilisten” die op weg waren tussen Amsterdam en Haarlem, van groot belang waar een eventuele alcoholcontrole plaats vond. Was dat in het arrondissement Amsterdam, dan kwamen ze er bij een veroordeling doorgaans af met een geldboete, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een (deels) voorwaardelijke ontzegging. Als ze, bij Halfweg, in het arrondissement Haarlem kwamen, dan waren ze de klos en konden ze rekenen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen en een jaar onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Justice by geography zou je het kunnen noemen. Dat was in die tijd tamelijk gebruikelijk. Zo was het strafvorderingsbeleid van het OM in het ressort Arnhem doorgaans veel milder dan in het ressort Den Haag. In Arnhem zetelde een voor die tijd moderne PG die niet erg geloofde in de “zegeningen” van de gevangenisstraf; in Den Haag zat een meer “criminele” PG die meer oog had voor de positieve effecten van de vrijheidsstraf. Ook binnen de parketten en rechtbanken konden zich in soortgelijke zaken aanzienlijke verschillen in strafmaat voordoen, zoals bleek bij het z.g. strafmaatoverleg dat op diverse parketten was ingevoerd. Een officier die “twijfelde” over de te eisen straf in een belangrijke zaak, raadpleegde bij dat overleg een aantal collega’s, die niet zelden met zulke uiteenlopende suggesties kwamen dat de betreffende OvJ met een gerust hart kon eisen wat hij toch al van plan was. Bij het OM was ook bekend bij welke politierechters je moest wezen voor een stevige straf en bij wie je op grotere mildheid kon rekenen; hetzelfde gold voor strafkamers. Uit onderzoek is later gebleken dat al die verschillen in opvatting speciaal preventief gezien, nauwelijks tot verschil in effectiviteit leidden, zoals wel werd beweerd. Ook werd vastgesteld dat ze vooral waren terug te voeren op de maatschappijopvatting en het mensbeeld van de betreffende functionarissen.

Lees meer …

De onafhankelijke rechter en Oud & Nieuw

Zo’n twaalf jaar geleden werd de Nederlandse Raad voor de rechtspraak in het leven geroepen. Een belangrijk doel was het versterken van de onafhankelijke positie van onze rechters tegenover de uitvoerende macht. Het handhaven van die onafhankelijkheid is geen gemakkelijke taak. Met het inrichten van een nieuw orgaan ben je er nog lang niet. Je zult het in de praktijk moeten waarmaken. Dat gaat weleens mis, zoals recent in het kader van het zogenaamde Oud & Nieuw supersnelrecht.

Met de Raad voor de rechtspraak, die voor de helft uit rechters bestaat, schiep de wetgever een buffer tussen het ministerie en de rechters. De Raad is verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de verdeling van middelen en de benoeming van bestuursleden, kortom allerlei activiteiten en beslissingen die voorheen tot de competentie van het ministerie van Justitie behoorden en waarmee direct of indirect invloed op de rechters kon worden uitgeoefend.
Nederland liep met het oprichten van een Raad voor de rechtspraak allerminst voorop. Met name in Zuid-Europese landen bestaan dergelijke organen al veel langer, soms zelfs sinds het begin van de 20e eeuw. Er is echter wel een verschil. Diverse van die oudere collega-instellingen gaan niet alleen over rechters, maar tevens over officieren van justitie. Zij bestaan daarom uit een mix van beide groeperingen.

Lees meer …