Tagarchief: Strafrecht

De positionering van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief

Deze bijdrage is de eerste in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Dit deel bevat de inleiding op die waarnemingen en gaat verder in op het debat over instrumentaliteit en rechtsbescherming.

Inleiding
De discussie van alweer meer dan een kwart eeuw geleden over de positionering van het Openbaar Ministerie ging vaak over de verhouding tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming.[1] Een bepaald abstracte discussie die vooral wetenschappelijke gemoederen verdeeld hield. Op zich ging het echter wel ergens over. Als het Openbaar Ministerie tot de magistratuur gerekend mag worden en niet deformeert tot een gedeconcentreerd bestuursorgaan [2] of een uitvoeringsorganisatie van het ministerie, dan dient het Openbaar Ministerie zijn magistratelijkheid te bewaren, te behoeden en te beschermen. Juist omdat het Openbaar Ministerie geen uitvoeringsdienst is moet het Openbaar Ministerie ook de (verdachte) burger beschermen tegen de overheid, een overheid die in vroeger tijden zonder veel rechtsbescherming voor de burger opereerde. Een Openbaar Ministerie dat geen departementaal onderdeel is kan zelfs tegen die overheid optreden en loopt niet aan de leiband van de departementale betaalheren vanuit het motto: wie betaalt bepaalt. Dat was toentertijd zo ongeveer de discussie.
Sindsdien is er wel wat veranderd. Er is landelijk beleid ontstaan en er is een landelijke aansturing door het College van Procureurs-Generaal geïnstitutionaliseerd, en in de beeldvorming zijn er naar verluid ook officieren van justitie gekomen die zich als crime fighters etaleerden om de puzzels van een misdrijf op te lossen en niet zozeer als magistraten die het gezag over de politie uitoefenden en toezien op de wijze van opsporing. Ontwikkelingen die de aanvoerders van het toenmalige debat over de positionering van het Openbaar Ministerie niet vrolijk zouden hebben gestemd. Ontwikkelingen die een groeiend aantal rechters doet verzuchten dat het Openbaar Ministerie niet langer tot de magistratuur behoort.
Het is lastig deze beelden, want dat zijn het en vooralsnog niet meer, op hun waarde te schatten, temeer omdat stug bestaande en groeiende beelden het gevaar in zich meedragen een zelfstandige realiteit worden.
In mijn komende bijdragen zal ik de positie van het Openbaar Ministerie in de strafrechtspleging nader proberen te beschrijven. Ik doe dat aan de hand van enkele grensvlakken, zoals rond straf en zorg en de uitvoering van reclasseringstaken en van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Eerst een oud en een nieuw debat. Lees meer …

Vooroordelen en straftoemeting

Vele wijsgeren hebben zich het hoofd gebroken over de vraag of de mens beschikt over ‘a priori-kennis’, kennis die los staat van ervaring en bij de geboorte is meegegeven. Dat blijkt nogal tegen te vallen. Eigenlijk blijken mensen bij de geboorte vooral begiftigd te zijn met vaardigheden die kennis mogelijk maken, bijvoorbeeld de vaardigheid tot logisch denken. Ook humor zou je tot dit soort a priori kennis kunnen rekenen. Zuigelingen kunnen bijvoorbeeld al snel de humor inzien van dingen die niet kloppen, zoals het geven van een melkfles aan de knuffel of het op je hoofd staan in plaats op je voeten. Lees meer …

Reactie op Prinsen en Bakkum

Door Wim Canton

Allereerst mijn dank voor het genuanceerde commentaar vanuit het NIFP op het door mij geschreven blog over de gevolgen van doorgeschoten kwaliteitscontrole voor de rechtsgang rond pro justitia rapportages.

Zoals ook al in het blog door mij betoogd heeft het NIFP in het verleden een grote rol gespeeld in het verbeteren van de kwaliteit van pro justitia rapportages. Het komen tot een standaard vraagstelling, betere indicatiestelling, het ontwikkelen van formats, het bijdragen aan richtlijnen en opleidingen en het beschikbaar zijn voor vragen en overleg zijn grote verdiensten, waar nog dagelijks de vruchten van worden geplukt. Lees meer …

Reactie op Weblog Wim Canton: de gevolgen van doorgeschoten kwaliteitscontrole voor de rechtsgang rond pro justitia rapportages in het strafrecht

Door Merel Prinsen en Theo Bakkum

Inleiding
Het NIFP is het met alle partijen eens dat het belangrijk is voor het strafproces dat de doorlooptijden in orde zijn. Dit is belangrijk voor de verdachte, die in voorarrest het proces afwacht, voor slachtoffers die mogelijk in grote onzekerheid verkeren, alsook voor de partijen in het strafrecht en de samenleving als geheel om helderheid te krijgen over de afloop van een strafzaak.

Binnen het NIFP is dan ook met veel belangstelling kennis genomen van de bijdrage van Wim Canton aan deze weblog. Wim Canton beschrijft de problemen met de doorlooptijden van de Pro Justitia rapportages in het strafrecht en beschrijft de rol die het NIFP naar zijn mening heeft in deze problematiek. Hij eindigt zijn bijdrage met het aankondigen van een pilotstudie die op initiatief van het Openbaar Ministerie (OM) wordt ingericht. Het NIFP is bekend met de pilotstudie en is hierover in overleg met verschillende belanghebbenden. Lees meer …

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting. Lees meer …

De straftoemetingsmal in de gereedschapskist

Door Henk Elffers

1. Allereerst een woord van dank aan Albert Klijn, die zich niet neerlegde bij de teleurstellende stilte jegens mijn oproep op Ivoren Toga om over een “straftoemetingsmal” na te denken en ermee te experimenteren. Hij besprak mijn voorstellen met enkele deskundige betrokkenen, en daardoor ben ik in de gelegenheid te reflecteren op de zeer gewaardeerde reacties op mijn voorstel van Van Atteveld, Janssen, Mulder en Tak. (Klijn, A. (2017), Het grote zwijgen van de ZM, in antwoord op: Elffers, H. (2016), De straftoemetingsmal: een middel om straftoemeting begrijpelijker te maken) Lees meer …

Het grote zwijgen van de ZM

Door Albert Klijn

Desgevraagde antwoorden
Overdreven verwachtingen over het aantal reacties van strafrechters op de oproep van Henk Elffers om mee te denken over verbetering van de door ontworpen straftoemetingsmal (zie de blog van 21 januari 2016) had ik niet. Maar dat het aantal reacties tot in september dat jaar – en tot op dit moment zelfs – exact nul bedroeg, stelde mij teleur. Durft nu niemand de nek uit te steken, is het onderwerp totaal niet interessant meer is of – ik durf het nauwelijks te typen – geldt: (toemetings)vrijheid blijheid? Vraagtekens vergen doorvragen vandaar mijn besluit op pad te gaan en antwoorden te gaan halen bij personen die ik een interessante mening toedacht  en die vast mij wel wilden ontmoeten. Lees meer …

Andere interventies: strenger straffen

De verschuiving van de aandacht van het OM in het strafproces van de dader naar het slachtoffer en diens wijde omgeving, van resocialisatie naar normherstel en normbevestiging, heeft grote gevolgen. Niet alleen, zoals ik in mijn vorige bijdrage heb betoogd, voor het aantal interventies dat tot stand moet komen om deze doelen van de interventie te realiseren, maar ook voor het type sancties dat het OM moet/zal vorderen en dat de rechter zou moeten opleggen.

Thans wordt die keuze vrijwel geheel bepaald door het veronderstelde effect van de sanctie op de resocialisatie van de verdachte en de inschatting van de kans dat hij zal afzien van verder crimineel gedrag. Kosten nog moeite worden gespaard om zoveel mogelijk maatwerk te leveren. Soms wordt er in brede kring overlegd welk traject daarbij de meeste kans op succes biedt en als dat niet het strafrechtelijke spoor is, kan de officier van justitie onder omstandigheden zelfs (voorwaardelijk) afzien van strafvervolging. De verdachte komt dan terecht in een pedagogisch, een psychologisch of een andersoortig traject en valt dan veelal in de handen van hulpverleners die hij in een andere, eerdere context al heeft leren kennen. Dat contact heeft toen kennelijk niet geleid tot voorkoming van het huidige misdrijf; maar impliciet gaat de nieuwe keuze ervan uit dat het nieuwe traject, onder de dreiging van een strafvervolging, wel het gewenste resultaat zal hebben. Lees meer …

Opzet, de mooie dochter

Ik hou van opzet, omdat het zo fijn vaag kan zijn en vaak niet klopt. Dat geldt vooral voor voorwaardelijk opzet. Toch kan het strafrecht daar blijkbaar niet zonder, ook omdat je niet in iemands hoofd kunt kijken. Het zijn deze tegenstrijdigheden die strafrecht leuk maken. (Het begint al met het hele idee van straffen; als reactie op een misdaad is het net zo logisch als regendansen, heb ik wel eens gelezen, toch lijkt het onmisbaar. Al zou ik niet verbaasd zijn als er in de toekomst met onbegrip op terug wordt gekeken, zoals wij nu naar slavernij kijken, of kinderarbeid aan deze kant van de Oeral). Lees meer …

Verwachtingenparadox en het OM

René Westra

Ondermijnende criminaliteit (1)
Op 7 januari 2017 was in diverse dagbladen te lezen dat een officier van justitie in een interview haar zorgen uitte over de moeizame aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Brabant. De verstrengeling tussen boven- en onderwereld leidt tot de vergelijking met Sodom en Gomorra. De geconstateerde witwaspraktijken komen in meerdere sectoren voor. De OvJ geeft vervolgens aan dat haar mogelijkheden beperkt zijn “door ontwikkelingen in de rechtsstaat”. Het gevolg is dat bestuurders daardoor meer verwachten van de fiscus dan van het Openbaar Ministerie. “Een strafproces is een logistieke nachtmerrie geworden, vooral als er meerdere verdachten zijn”. Lees meer …