Tagarchief: Strafrecht

Een punt achter de zaak

Op 18 augustus 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan in een klachtzaak betreffende een voormalige topambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Na uitvoerig onderzoek komt het hof tot de slotsom dat er geen enkele verdenking is gebleken ter zake van verkrachting van minderjarige jongens in Turkije door deze topambtenaar. Diens naam werd daar wel jaren lang mee in verband gebracht.

Voor ik hier op terugkom maak ik eerst een uitstapje, te weten naar Israël waar ik deze zomer was. Ik kan me niet zo gauw een ander land bedenken waar zoveel nationaliteiten elkaar met zoveel emotie verdringen rond als heilig ervaren plaatsen. Het scherpst geslepen worden de potloden op en rond de Tempelberg in Jeruzalem met daarbovenop de Al Aqsa moskee (uit de 6e eeuw, eerder een Byzantijnse kerk) en de Rotskoepel (uit de 7e eeuw) en aan de rand de Klaagmuur, officieel de Westmuur geheten, het fundament van de rond ’70 (door de Romeinen) verwoeste tweede Joodse tempel. Recent zijn daar nog relletjes geweest vanwege het plaatsen van detectiepoortjes bij de toegang tot de berg, voor moslims die daar willen bidden. Lees meer …

Het motiveren van getuigenverzoeken na Schatschaschwili. Moet er meer, mag er minder of is alles bij hetzelfde gebleven?

Op 15 december 2015 deed de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (zie NJ 2017, 294 m.nt. B.E.P. Myjer). In dat arrest biedt het EHRM meer duidelijkheid over de eisen die op grond van Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk (zie NJ 2012, 283 m.nt. Schalken en Alkema) gelden voor het gebruik van verklaringen van getuigen die niet ter zitting gehoord zijn geworden. In de kern komt het arrest inzake Schatschaschwili erop neer dat aan de hand van de vragen (1) of er een gerechtvaardigde reden is voor het niet kunnen horen van de getuige, (2) of de verklaring al dan niet sole or decisive is en (3) of er voorzien is in maatregelen die compensatie bieden aan de verdediging voor het niet horen van de getuige dient te worden vastgesteld of de procedure in zijn geheel fair is te noemen. Het antwoord op de vragen sturen als het ware het oordeel over de fairness van de procedure maar dat betekent niet dat het beschouwd mag worden als een stroomschema waarin voor alle gevallen door maar de drie vragen te beantwoorden als vanzelf het antwoord volgt op de vraag of artikel 6 EVRM al dan niet geschonden is. Het EHRM benadrukt dat ‘all three steps (…) are interrelated and, taken together, serve to establish whether the criminal proceedings at issue have, as a whole, been fair’ (voor alle nuances en rijke inhoud van het arrest zie het arrest zelf en de annotatie van Meyer). Lees meer …

De rechtspraak op Sint Maarten na de orkaan Irma: RR-COG

Het gebeurt Nederlandse rechters niet vaak dat ze door oorlogen of calamiteiten met tabula rasa te maken krijgen, maar op Sint Maarten was het dit jaar dan zover. De orkaan Irma kwam rechtover alsof het een grasmaaier was en duurde in zijn hefstigste razernij ongeveer drie uur. Het deed mij denken aan beschrijvingen van het bombardement van Rotterdam. De Sint Maartense collega’s hadden het al voorspeld, het lawaai, gedreun, getril en gekraak zijn het allerergste. Veel mensen, ook sommige collega’s, verloren hun dak of zelfs hun hele huis en zochten toevlucht in keuken- en kledingkasten of moesten tijdens de storm hun heil buiten zoeken en liepen daarmee groot gevaar. Sommige huizen werden getroffen door rondvliegende zeecontainers en auto’s. Daar helpt geen orkaanproof bouwen tegen. Persoonlijk werd ik danki Dios minder zwaar getroffen, maar het waren toch erg nare uren. Lees meer …

Buikhuisen

De hooggeleerde Buikhuisen heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn arbeidzame leven. Hij was niet alleen mijn promotor in academische zin, maar in veel breder opzicht.

Toen hij in 1973 naar Den Haag vertrok om Algemeen Adviseur Wetenschappelijk werk te worden bij het Ministerie van Justitie en het huidige WODC nieuwe impulsen te geven, was dat een grote aderlating voor het Criminologisch Instituut. Niet alleen in wetenschappelijk opzicht, maar vooral in culturele zin. Met zijn vertrek ging er een andere wind waaien op het Instituut. Van een nogal strak geleide organisatie met een duidelijke leider, werd het onder zijn opvolger Jongman veel meer een “free for all” club. Wetenschappelijk gezien stonden de beide hoogleraren aan de ene kant dicht bij elkaar, waar het ging om de methodologie en de operationalisering van onderzoekvragen. Jongman was gepromoveerd bij de Groot op een proefschrift getiteld “Het denken van de schaker” een zeer interessante dissertatie die zich o.a. richtte op het verschil in denken tussen meester schakers en gewone spelers. Lees meer …

Het strafrecht is een inhoudelijk bedrijf

Tussen inhoud en vorm, tussen vakuitoefening en organisatie daarvan, bestaat van nature een grote spanning die soms naar buiten spat via manifesten, maar die zich nog vaker manifesteert in stroperigheid en verlamming. Ik ga die millennia oude discussie niet overdoen of zelfs maar proberen samen te vatten, maar ik wil vooraf wel iets kwijt over de psychologische spanningen. Die spanningen worden vaak verbaliseerd met diskwalificaties of aanbevelingen als het zijn van blauw of rood. Ik ken geen kleuren of kernkwadranten omdat ik claustrofobische neigingen krijg in een hokje. Sinds jaar en dag verdedig ik de noodzakelijke interferentie tussen de strafrechtelijke inhoud en de bedrijfsvoering. Wie de cassatierechtspraak over het onderzoek ter zitting of over het doen horen van getuigen kent, dient ook na te denken over hoe deze rechtspraak kan worden vertaald in het organiseren van het eigen rechterlijke werk. Omgekeerd moeten de bedrijfsvoering en de leiding van een gerecht weten wat de rechter nodig heeft om hem in de basisnoden te faciliteren. Toen ik er in 2007 over ging schrijven was het nieuw, maar toch is dat idee nog steeds niet geland. Dat is niet zo gek, het is immens ingewikkeld om tussen inhoud en organisatievormen een vruchtbare relatie te laten ontstaan. Wel broodnodig, want veel van de nog steeds toenemende spanningen in de rechterlijke organisatie zijn te herleiden tot een ervaren kloof tussen de inhoudelijke professionals, het zogeheten primaire werk, en de leiding die de inhoud zou aansturen als ware het een koekjesfabriek met kpi’s, audits, monotoringsinstrumenten, en dat vaak onder het mom van Engelse termen als CEO’s, want dat klinkt serieuzer. Omgekeerd zijn de beelden ook niet mals. De meeste bedrijfsvoeringsmedewerkers menen – navoelbaar – dat de inhoudelijke vaklieden geen benul hebben van organiseren, dat de inhoudelijke eindverantwoordelijken niet doorpakken, want op deze manier is er geen eenheid en zonder de discipline en trouw om de opgelegde formats na te leven gaat de kwaliteit van de organisatie teloor. Over en weer zijn dit soort schrikbeelden en verwijten fors.
Voor de goede orde: ook bedrijfskundigen, bedrijfseconomen en bestuurskundigen zijn uiteraard professionals die gedreven worden door de wil en eigen vakmatige inzichten de organisatie te verbeteren. In dit opstel gaat het echter om de organisatieontwikkeling door middel van (de aansluiting met) de vakinhoudelijke professionals zelf en hoe bedrijfsvoering en de inhoudelijke professionals kunnen samenwerken. Lees meer …

“Ze”

Advocaten mopperen wel eens over de bijstand tijdens het politieverhoor: mager betaald en er mag niet zoveel. Ik vind het toch wel nuttig, vooral wanneer de tekst van het proces-verbaal wordt vastgesteld. Leerzaam ook om de politie op de vingers te kijken, zoals die keer dat rechercheurs hemel en aarde bewogen om, tegen alle regels in, de ghb van de zwaar verslaafde cliënt aan de vernietiging te ontfutselen zodat hij niet ‘zonder niks’ de straat op hoefde, ‘want daar heeft niemand wat aan’. Mag een officieel beginsel van strafrechtelijk handelen worden: ‘heeft iemand er wat aan?’ Lees meer …

Een lerende rechterlijke organisatie

Inleiding
Nieuwsgierig, leergierig, een lerende organisatie, individuen en organisaties zijn bezig met leren. Van de wieg, leren kruipen, lopen, praten en uiteindelijk (hopelijk leren) sterven. Hoe gaat dat leren in zijn werk en kun je dat leren?

Er wordt veel geschreven over leren, meestal in relatie tot kwaliteit, een serieuze organisatie heeft onderwijskundigen en bedrijfskundigen in dienst die een kennismanagementsysteem in het leven roepen, ontwikkelen en onderhouden. Soms zijn er kwaliteitssystemen, zoals INK en RechtspraaQ (waarde lezer, even googelen), die na enkele jaren een stille dood sterven. Die zachte dood is door de organisatieleiding niet gewenst, maar kon worden voorzien omdat de meeste professionals nauwelijks enige sympathie voelen voor dit soort organisatiemodellen. Toch is een van bovenaf opgelegd leermodel niet weg te denken uit een organisatie als die van de rechterlijke macht. Er is een SSR, er zijn PE-punten en nog veel meer. Of de magistraten echter de wekelijks verschijnende Nederlandse Jurisprudentie bijhouden is de vraag, en nog meer of en hoe ze nieuwe rechtspraak, wet- en regelgeving verwerken in hun dagelijkse werk is nog meer de vraag. Ik bedoel dat niet cynisch, we weten het domweg niet. Het helpt evenmin om te bezien welke rechter of officier van justitie de meeste vrijspraken of aanhoudingen ‘scoort’. Vrijspraken kunnen onterecht zijn, en zelfs als de cassatierechter een vrijspraak intact laat, kan het goed zijn dat de voorliggende casus en de opeenvolgende rechtsoordelen de rechtsontwikkeling hebben bevorderd.
Beelden als dat het huidige kennisniveau slechter is dan vroeger, dat de huidige magistraat zijn of haar vak minder goed verstaat dan de vroegere magistraten, beroeren noch overtuigen mij. We kunnen ternauwernood overzien wanneer zich een breuklijn in een ontwikkeling voordoet, wel dat er veel minder zijn dan we in onze bestaande emoties menen.
Als we loskomen van beelden over kwaliteit, en of deze af- of toeneemt, kan er wel iets preciezer worden geschreven over onze juridische en magistratelijke kennisontwikkeling. Lees meer …

50 jaar

Deze maand zijn mijn vrouw en ik 50 jaar getrouwd. Ik vind dat een mooie aanleiding om eens terug te kijken. Niet op dat huwelijk natuurlijk, ik ben niet gek, hoewel daar heel wat over te zeggen zou zijn, maar op mijn studieuze, werkzame en gepensioneerde leven dat zich, gezamenlijk en in wisselwerking met dat huwelijk, heeft voltrokken. Niet op mijn ontwikkeling als zodanig, maar op de dingen die er die periode van 50 jaar, in mijn opvatting, veranderd zijn. Ik onderscheid een viertal periodes: de tijd in Groningen, eerst nog als student, daarna als promovendus en ten slotte als wetenschappelijk medewerker, al met al van 1965 – 1975. De tijd dat ik werkzaam was in Den Haag bij het WODC. De periode bij het Openbaar Ministerie, van 1982-2006, onderbroken door een korte terugkeer naar het Ministerie en, ten slotte, het post arbeidzame leven. Ik ben voornemens de ontwikkelingen die ik meen te hebben waargenomen, in een aantal columns te beschrijven. Hoeveel dat er worden weet ik nog niet. Dat hangt af van wat me, na enig nadenken, te binnen schiet en wat ik daarvan relevant genoeg acht om met U te delen. Ik zal proberen het “opa vertelt syndroom” zoveel mogelijk te vermijden. Lees meer …

Buiten redelijke twijfel als nieuw criterium?

In het kader van de operatie “Modernisering van Strafvordering” wordt de mogelijkheid besproken de inmiddels ruim 90 jaar oude bewijsstandaard te wijzigen. De gedachte zou dan zijn in het nieuwe wetboek de formule “buiten redelijke twijfel” in te voeren. Er is weinig fantasie voor nodig vast te stellen dat dit een vertaling van de Engelse term “beyond reasonable doubt” vormt. Vraag is wat het voor onze strafrechtpraktijk zou kunnen betekenen.

In vonnissen en arresten staat tegenwoordig meestal dat de rechter “wettig en overtuigend” bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarmee wordt de toepassing van de nu in artikel 338 Wetboek van Strafvordering (Sv) opgenomen bewijsstandaard beoogd. Wie deze bepaling goed leest, weet dat die veel gebruikte formule onjuist is. In artikel 338 staat, geparafraseerd in minder archaïsch Nederlands, dat de rechter het uitsluitend tot een bewezenverklaring kan komen, als het (geleverde) wettige bewijs hem ervan heeft overtuigd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Met andere woorden, volgens artikel 338 moet je eerst bepalen of het wettig bewijs er is (en, bijvoorbeeld, of aan het wettig bewijsminimum is voldaan). Vervolgens dien je te vast te stellen of je op grond van dat wettig bewijs ervan overtuigd bent dat de verdachte het tenlastegelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan. Kortom, eerst wettig bewijs en dan pas daarna en daaruit de overtuiging. Er is niet zo iets als “wettig bewijs en overtuigend bewijs”. De nevenschikking die de formule “wettig en overtuigend” suggereert, is dan ook onjuist. (En hoe vaak hoor je niet: “Ik heb wel de overtuiging, maar niet het bewijs.”) Lees meer …

Nooit voltooid

Door Peter Lemaire

Nederland is wel een fijn land, zeker in de maand mei. Als ik in Nederland ben, stap ik zoveel mogelijk op de fiets. Zelfs op een doordeweekse dag wordt er stevig gefietst, door allerlei krasse 60 plussers, en met mijn kennelijk wat Arubaanse tempo word ik ook nog eens aan de kant gejoeld door een stel kleurrijk geklede 70 plussers op racefietsen.

Ook ga ik even langs bij mijn hof in Arnhem, waar ik onbetaald verlof geniet. Daar word ik wel eens verrast door collega’s die ineens aankondigen met pensioen te gaan. Het zijn bijna zonder uitzondering vitale mensen, zelfs degenen die met 70 vertrekken, fitter lijkt het wel dan menig dertiger die dagelijks de triatlon moet zwoegen tussen werk, crèche en thuis. Lees meer …