Tagarchief: Strafproces

De brief amicus curiae: niet ook maar een mening

“Wat zou jij doen, als je als rechter in een lopende procedure een schriftelijk stuk van een derde zou ontvangen met het verzoek zijn standpunt in het geding mee te wegen?” vroeg een van mijn Amerikaanse vrienden mij een tijdje geleden. Ik moest daarover even nadenken en zei toen dat ik het, afhankelijk van de inhoud, misschien naar partijen zou sturen met het verzoek hun visie daarop te geven. Maar ik voegde daaraan onmiddellijk toe dat wij hiervoor in Nederland geen regels in ons procesrecht hebben. Recent werd ik weer aan dit gesprekje herinnerd in het kader van de publiciteit over een strafzaak die nu in Den Haag speelt.
Zouden wij behoefte hebben aan de mogelijkheid tot indiening van een brief amicus curiae, zoals het zonder al te veel gevoel voor grammatica in de Angelsaksische rechtspraktijk wordt genoemd? Een amicus curiae is een figuur die men in het Romeinse recht reeds kende. Iemand die als zodanig optreedt, wil de rechter, letterlijk, als vriend van het gerecht bij het vormen van zijn oordeel helpen. In Engeland zou dit verschijnsel al in de negende eeuw zijn opgekomen en zowel in de Engelse als Amerikaanse rechtspraktijk wordt daarvan veelvuldig gebruik gemaakt. Ook op het Europese vasteland kennen wij de brief amicus curiae, in het bijzonder bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en – in een bepaalde vorm – bij het Hof voor Justitie van de Europese Unie (HJEU).

Lees meer …

Max B. en Jezus van N.

De dubbele bodem onder uitingsdelicten

Wie puur vanwege zijn woorden ter dood is veroordeeld, was de op 14 maart 1946 geëxecuteerde journalist Max Blokzijl (*1884-†1946). Zijn proces is vastgelegd in Bronnenpublicaties No. 1 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Het was het eerste ‘civiele’ doodvonnis dat in Nederland na de bevrijding werd voltrokken. Max was overtuigd nationaal socialist geweest en hield vanaf 1941 propagandistische radiopraatjes, die hem uiterst gehaat maakten. De terechtzitting van het Bijzonder Gerechtshof vond plaats op 11 september 1945 in het paleis Kneuterdijk. Veertien dagen later werd uitspraak gedaan. Hij werd ter dood veroordeeld, maar kreeg, hoewel de aanklager het hof in overweging had gegeven dat niet te doen (het was maar een tijdrovende complicatie), toch verlof om binnen acht dagen cassatie aan te tekenen. De Bijzondere Raad van Cassatie hield op 14 november 1945 zitting in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden. Drie weken later, op 5 december 1945, verwierp de Raad het beroep.

Lees meer …

A-politieke rechters

Iedereen zal nog de televisiebeelden van het strafproces Wilders I op het netvlies hebben staan. Wat een spektakel was dat.
Het had veel weg van een bijeenkomst van acteurs die ieder voor zich in hun eigen voorstelling zaten, zoiets als wel gelijktijdig behandeld maar niet gevoegd.
De aanvankelijke hoofdpersoon Wilders wilde er op voorhand al een spektakel van maken zoals zijn eerst aangezochte raadsman Anker in De Wereld Draait Door suggereerde. Dan de uiteindelijke hoofdpersoon Bram Moszkowicz die de wens van zijn opdrachtgever meer dan waar maakte; hij moest ook wel, als het bericht klopt dat zijn einddeclaratie zich bewoog tussen de 5 en 6 ton. Maar hij wilde ook. De getuige Schalken die zich totaal verkeek op zijn rol en die van de rechtbank. Hij kwam in de veronderstelling dat hij als getuige terzake relevante vragen moest beantwoorden. Hij wist niet wat hem overkwam toen hij als acteur in dit theater onder de goedkeurende blikken van de rechtbank met Moszkowicz in de slag was over de kleur wijn die hij dronk. Het is wellicht het beeld dat het meest beklijft, dat van deze getuige met de door de rechtbank toegelaten aanval in de rug door Moszkowicz, die zijn (acteer)taak met bravoure uitvoerde. En tot slot de rechters die langzaam maar hard kennis maakten met het begrip beeldvorming en vooral de gevolgen van beeldvorming. De acteurs die op voorhand al in de rol van verliezers zaten hadden slechts een bijrol.
Heel Nederland keek mee en dacht een kijkje te krijgen in de keuken van het strafprocesrecht. Wraking leek een standaardprocedure te zijn en de advocaat heeft de regie over het gebeuren.
Na afloop werden er harde noten gekraakt, boeken geschreven en functies neergelegd.
Ook moest nog worden uitgelegd hoe dit nou kon, deze vrijspraak terwijl het gerechtshof in zeer harde bewoordingen de opdracht tot vervolging had gegeven. Het hof had toch gesproken over zaken die de strafbaarheid konden wegnemen maar ook juist konden versterken en dat dat bij Wilders het geval was ? Het hof had het Wilders toch zeer kwalijk genomen en hij maakte volgens het hof toch misbruik van zijn recht op vrije meningsuiting ? Als klap op de vuurpijl zag het hof in de wetsgeschiedenis toch geen beletsel, in tegendeel zelfs, om te concluderen dat Wilders zich schuldig had gemaakt aan een vorm van haatzaaien die naar Nederlands recht strafbaar is ?
Nederland kreeg helemaal geen kijkje in de keuken, Nederland zag een volledig a-typische procesvoering waarin alles anders leek dan het was. Was er wel een verdachte en wie was dat dan eigenlijk ?

Lees meer …

Hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de strafrechter bij de betekening?

Een verdachte heeft het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Een van de waarborgen om dat recht te bewerkstelligen is dat bij aanvang van de behandeling van een zaak beoordeeld wordt of de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.

Het doel van de betekeningsregeling is de verdachte in kennis te stellen van de behandeling van zijn strafzaak en hem of haar op die manier in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn.[1] Omdat die inspanningsverplichting een voorwaarde is om de behandeling van een strafzaak aan te vangen, is de betekeningsregeling er op gericht het kennis geven van de strafzaak aan de verdachte zo snel en efficiënt mogelijk te laten geschieden. Dit geldt eens temeer daar de verdachte het recht heeft op een behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn. Een recht dat ook slachtoffers en de samenleving toekomt. Nietigverklaring van de dagvaarding of het moeten aanhouden van de behandeling van een strafzaak omdat er sprake is van een betekeningsgebrek, leidt er toe dat een verdachte langer op de behandeling van zijn strafzaak moet wachten. Én, wanneer sprake is van een structureel probleem op dit punt, werkt die vertraging door in andere strafzaken. Rechterlijke en gerechtelijke capaciteit kan immers maar eenmaal worden ingezet. De wens om betekeningsgebreken niet te vaak in de weg te laten staan aan het aanvangen met de behandeling van de zaak heeft de wetgever er in 1994 toe gebracht het GBA-adres steviger als uitgangspunt te verankeren.[2] Tot veel verandering heeft dit echter niet geleid. Het aanwezigheidsrecht bracht mee dat de Hoge Raad allerlei nuances in de betekeningsregeling heeft aangebracht en aanvullende regels heeft geformuleerd. Deze wijzigingen zijn in het overzichtsarrest van 12 maart 2002 op een rij gezet en aangevuld en die regels zijn vervolgens gecodificeerd in de artikelen 588 en 588a Sv. Betekening op het GBA-adres is nog steeds voldoende voor een rechtsgeldige betekening, maar wanneer de verdachte op enig moment in de procedure een ander adres kenbaar heeft gemaakt dient ook een afschrift naar dat adres verzonden te zijn vooraleer de behandeling van een strafzaak zonder verdachte kan worden aangevangen.[3]

Lees meer …

Herziening van de wrakingsprocedure: een tegengeluid

Rinus Otte, Henk Abbink en Casper van der Waerden en Ben Hendriks zijn eensgezind: de wrakingsprocedure wordt te vaak misbruikt en moet om die reden op de schop. Tijd voor een tegengeluid.

Allereerst merk ik op dat het openbaar ministerie niet alleen last heeft van de mogelijkheid de rechter te wraken, maar daar onder omstandigheden ook baat bij kan hebben. De officier van justitie of de advocaat-generaal kan immers ook een verzoek tot wraking doen. Overigens een recht waar zeer spaarzaam gebruik van wordt gemaakt: de mij bekende wrakingsverzoeken van de zijde van het openbaar ministerie zijn op de vingers van één hand te tellen.

Lees meer …

De deugdelijke strafrechter en de belangen van de rechtspraak

In het opschrift zit spanning verscholen. Een bestuurder heeft andere beelden van goed rechterschap en rechterlijke deugden dan rechters onderling menen. Een rechter met een ‘fijne’ pen staat vaak gelijk aan bergen zaken op zijn of haar werkkamer die maar niet worden afgerond. De rechtspraakleiding komt op gezette tijden met uitgangspunten en noties over kernwaarden van de rechtspraak, maar de koppeling naar de realiteit van de paleizen van justitie wordt nooit gelegd. Laat ik een poging wagen.

Lees meer …

Versluierend taalgebruik en onwaarheden van de strafrechter

“Doe mij vanavond even een cd’tje door de brievenbus”. Inmiddels zodanig bekend dat alleen de daders nog denken dat zij iets versluieren. Zij kunnen dan uit die droom geholpen worden omdat het dossier ook sms’jes bevat waarin om een half cd’tje wordt gevraagd. Maar er is meer versluierend taalgebruik.
Enige tijd geleden zat ik erbij toen een rechter-commissaris op een advocaat reageerde met “ik hoor het u zeggen”, standaard versluierend taalgebruik voor “u liegt dat u barst”. Zo standaard dat de advocaat in woede ontstak en de rechter-commissaris toesiste dat deze heel goed wist wat zijn opmerking betekende, om vervolgens tot wraking over te gaan. Het lijkt netjes geformuleerd maar het is niet netjes en ook zeker niet leuk als de rechter tegen de verdachte versluierd zegt dat hij liegt en de verdachte de enige is die de
boodschap niet begrijpt. En als het echt gezegd moet worden, zeg het dan, op straffe van. Er zijn ook rechters die in klip en klare taal de verdachte voorhouden wat het probleem is, dus het kan wel.
Een rechter zou geen versluierend taalgebruik moeten hanteren. En als de rechter dat wel doet, waarom de rechter daar dan niet aan houden, zoals ook de verdachte – bij de bewijsmiddelen – aan zijn versluierend taalgebruik gehouden wordt.

Lees meer …

Het strafproces. 5. Het verhoor van verdachten en getuigen

Inleiding
De zingende zanger, de prekende predikant, de rechtsprekende rechter, allen worden beoordeeld op authenticiteit. Wie tijdens het zingen of spreken in de neus peutert verliest subiet gezag. Maar het publiek verwacht ook een zekere waarachtigheid en authenticiteit op het moment suprême. De kritiek is dan ook niet mals als er sprake is van een ongeïnspireerde of neuzelende zanger, preker of rechter. Moeiteloos kan de rij worden uitgebreid naar andere ambachten die in de publieke schijnwerpers staan. Toch gaat het om het spelen van een rol die vooral wordt beheerst door techniek. Er is sprake van een mozaïek van gefragmenteerde rolpatronen. Dat geldt ook voor de rechter die zijn rol vervult bij het verhoor van verdachten en getuigen in het strafproces.

Lees meer …

Herziening van de wrakingsprocedure: een reactie

In zijn bijdrage van 27 januari 2015 werd door Rinus Otte de stelling betrokken dat het wrakingsinstrument in kort tijdsbestek aan inflatie is gaan lijden en op de schop moet. Ter onderbouwing van die stelling wees hij op het grote aantal oneigenlijke wrakingsverzoeken waardoor een voortvarende afdoening van zaken wordt gefrustreerd. Slechts een zeer gering percentage van de wrakingsverzoeken wordt gehonoreerd. De behandeling van al die wrakingsverzoeken legt een groot beslag op schaarse zittingsruimte en kost ook nog eens heel veel geld dat beter besteed kan worden aan bijvoorbeeld versterking van de kwaliteit van de rechtspraak.

Lees meer …

Herziening van de wrakingsprocedure? A modest proposal

Inleiding
In zijn laatste bijdrage op dit blog werd door Rinus Otte een korte schets gegeven van de problematiek van de huidige wrakingsprocedure in het strafproces. Hierbij heeft hij gewezen op de enorme toename van het aantal wrakingen de laatste jaren en het zeer beperkte aantal (slechts 5% in 2013) dat uiteindelijk wordt gehonoreerd. Zoals door hem in zijn artikel werd aangegeven, is veel gebruik van de wraking oneigenlijk. Het gaat vaak om allerlei situaties die weinig of niets te maken hebben met een vermoed gebrek aan onpartijdigheid van de rechter, maar in plaats daarvan om – de verzoeker onwelgevallige – (processuele) beslissingen. Zo is in strafzaken de meest voorkomende aanleiding tot wraking een afgewezen verzoek van de verdediging. Ondanks dat het beslissen op verzoeken, aldus vaste jurisprudentie, behoort tot de taak van de rechter en op zichzelf niet wijst op bevooroordeeldheid, blijft de advocatuur wraken wegens afgewezen verzoeken. Dit frustreert een voortvarende afdoening van zaken en bewerkt in het overgrote deel van de wrakingen ook niets meer dan dat. Bovendien kost het belastinggeld. Een logisch gevolg zou zijn om de mogelijkheid tot wraking te beperken, zoals in het verleden ook is gebeurd toen het bezwaarschrift tegen de dagvaarding een (te) grote vlucht nam.

Lees meer …