Tagarchief: Strafmotivering

Straffende rechters en officieren van justitie. Een kwalitatief verschil?

1. Inleiding
Het recht intrigeerde me als aankomend jurist in het bijzonder door de schuldvraag en de wijze waarop de vastgestelde schuld in boete werd omgezet. Later werd de ethische vraag naar wie ik wel niet was om een medemens te straffen geflankeerd door de bijkans oudste vraag naar de proportionaliteit van het straffen. Welke straf is op zijn plaats bij een bepaalde schuld? Daarover zijn bibliotheken volgeschreven. Het Oude Testament rept in de mozaïsche wetten al over matiging: wie een oog is ontnomen mag ter vergelding niet meer dan een oog van de dader nemen. In de vorige eeuw is een stroom literatuur ontstaan die de straftoemeting probeerde te fileren in factoren die de ernst van het feit in kaart brachten. Al deze proefschriften, artikelen en commissies visualiseerden de toverformule dat rekening is gehouden met de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De onderstroom van deze werkzaamheden was dienstbaarheid aan het doel van de rechtsgelijkheid. Om in soortgelijke zaken gelijksoortig te straffen was inzicht in de strafoplegging vereist, zodat de justitiabelen en de burgerij niet het gevoel kregen dat in Rotterdam anders wordt gestraft dan in Groningen. Rechtspreken en straffen moeten daarom inzichtelijk geschieden om het gevoel van willekeur tegen te gaan.
Dat inzicht heeft de rechtspraak geprobeerd te verbeteren met de commissie rechtseenheid die om de zoveel tijd oriëntatiepunten straftoemeting afscheidt, bedoeld om een vertrekpunt op te leveren voor de strafrechters, zodat ze hun afwijkingen van het oriëntatiepunt kunnen motiveren in het vonnis. Of daar veel van terechtkomt kan worden betwijfeld, in vonnissen wordt zelden een afwijking gemotiveerd. Ik ga voorbij aan de geringe representativiteit van de oriëntatiepunten, aan het gegeven dat ze formele rechtskracht ontberen nu ze door de leiding van het LOVS wordt vastgesteld en eveneens aan het belangrijkste punt dat elke wisseling van argumenten rond de totstandkoming ontbreekt. In deze bijdrage gaat het mij om de kwaliteit van de strafmotivering in relatie tot de ontwikkeling dat het Openbaar Ministerie sinds enige tijd straffen mag opleggen. Is er verschil tussen een straffende rechter of een officier van justitie? Lees meer …

Hardere aanpak

Onlangs bepleitte het VVD-kamerlid Visser in een landelijk ochtendblad voor een hardere aanpak van in dit geval dronken automobilisten.

Volgens het krantenartikel (Telegraaf 20-4-1015 T5) is het belangrijkste punt in haar plan:
“dat zij een streep wil door taakstraffen voor dronken automobilisten als die een ander dodelijk of zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht. Dat moeten celstraffen worden”.

Nu gebruiken de rechters in Nederland al geruime tijd een lijst van oriëntatiepunten en afspraken in het kader van de straftoemeting. Die lijst dient als uitgangspunt en heeft mede tot doel om te komen tot een vorm van gelijkheid bij overtreding van soortgelijke feiten. Dronken rijden in Groningen moet in zijn algemeenheid niet anders bestraft worden dan in Limburg. Het individuele geval leidt tot “fine-tuning”. Daar is ook niets mis mee want in ons Wetboek van Strafvordering staat dat bij strafoplegging ook rekening moet worden gehouden met de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Lees meer …