Tagarchief: Raad voor de rechtspraak

Schaalgrootte en eilandvorming

Rick Robroek plaatst in zijn bijdrage aan dit weblog van 13 september 2016 kanttekeningen bij de kritiek die de Raad voor de Rechtspraak sinds kort uit op de financiering van de rechtspraak. Hij betwijfelt onder andere of de veronderstelling wel klopt dat de kwaliteit van de rechtspraak onder druk staat en dat dit te maken zou kunnen hebben met de uitstroom-financiering. Ik geef hem ruimhartig het voordeel van de twijfel. Ook mij is geen parameter of nationaal of internationaal onderzoek bekend waaruit dit zou blijken. Hoewel het afrekenen van rechters op productie inderdaad niet lekker voelt, gaat het hier wel om een objectief en dus controleerbaar systeem. Het staat daarmee in tegenstelling tot de meer obscure situatie van daarvoor, waar naar verluidt iedere president zijn eigen afspraken met het ministerie maakte. Je zou dus denken dat er te meer reden zou zijn het oude systeem te wantrouwen en het huidige niet vanuit de onderbuik maar met harde feiten te bekritiseren. Ook heeft Robroek gelijk dat het rapport Ontwikkeling zaakzwaarte 2008 – 2014 geen eenduidige verhoging van de zaakzwaarte laat zien (tegenover verzwaringen staan namelijk ook verlichtingen).

Lees meer …

Hoe praktijkvriendelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Ronny van de Water

Rick Robroek vraagt zich in een kritisch commentaar op het artikel van Sterk en van Dijk in het NJB van 17 juni 2016 af hoe rechtstatelijk de financiering van de Rechtspraak is. Het commentaar van Robroek komt er in de kern op neer dat de Raad voor de rechtspraak er niet in slaagt hard te maken dat het huidige financieringssysteem leidt tot onaanvaardbaar kwaliteitsverlies en dat er daarom ook geen reden is om ten opzichte van andere overheidstaken als onderwijs en gezondheidszorg een uitzonderingspositie te claimen voor de rechtspraak als het gaat om algemene taakstellingen binnen de overheid. Het commentaar van Robroek oogt vooral als een wetenschappelijke benadering van de probleemstelling waarbij de bewijslat voor de rechtspraak hoog wordt gelegd. Een reactie vanuit een meer praktische benadering is op zijn plaats. Ik zal mij daarbij beperken tot mijn ervaringen met het financieringssysteem in de hoedanigheid van kinderrechter en strafrechter.

Lees meer …

Hoe rechtsstatelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Sinds 2002 kent de Nederlandse rechtspraak een financieringsmodel waarin een groot deel van de organisatie van de rechtspraak bekostigd wordt op basis van – kort gezegd – de uitstroom van zaken vermenigvuldigd met een tarief per zaak dat driejaarlijks wordt vastgesteld. Op dat model oefent de Raad voor de rechtspraak sinds dit jaar fundamentele kritiek uit. Dat begon met de nieuwjaarstoespraak van Frits Bakker, de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, en werd in mei gevolgd door het van zijn hand afkomstige jaarbericht dat een onderdeel vormt van het jaarverslag van de rechtspraak over het jaar 2015.[1] Deze kritiek kreeg voor de zomer een uitgebreide onderbouwing in een op 17 juni 2016 in het NJB verschenen artikel van Kees Sterk en Frans van Dijk, respectievelijk vice-voorzitter en directeur van de Raad voor de rechtspraak.[2] Het verkondigen van dit (voor zover ik kan overzien: nieuwe) standpunt komt niet op een toevallig moment omdat er thans onderhandeld wordt over de prijzen voor het tijdvak 2017-2019. En het is vooral de wijze van vaststelling van die prijzen waarop de kritiek zich richt. De verwijten aan de regering zijn ernstig. De wet zou worden overtreden bij de financiering van de rechtspraak en dat zou de rechterlijke en institutionele onafhankelijkheid aantasten. In deze bijdrage beproef ik de vraag of dat verwijt terecht is. Omdat hun bijdrage de meest uitgebreide en meest onderbouwde is en ik er vanuit ga dat Sterk en Van Dijk namens de Raad voor de rechtspraak spreken, richt ik me in het bijzonder op hun artikel.

Lees meer …

De kwaliteit in het zonnetje: een pleidooi voor verbinding en zachtheid!

De rechtspraak heet al jaren een lerende organisatie te zijn. Volgens velen komt daar echter nog maar weinig van terecht. Er valt niet zelden te horen dat er vanuit de organisatie te beperkt aandacht geschonken wordt aan kwaliteitsaspecten. In eerste instantie verbaast dat gevoelde tekort aan kwaliteitsaandacht. Er wordt gedurende het jaar behoorlijk wat overzichten verstrekt van de laatste jurisprudentie van de Hoge Raad of van de stand van het recht omtrent een materieel of formeelrechtelijke leerstuk. Dat gebeurt via interne bulletins, interne cursussen en colleges, studiedagen en de mogelijkheid om cursussen te volgen bij de SSR. Teveel om allemaal te kunnen onthouden eigenlijk en zo beschouwd is er eerder een teveel dan een tekort aan aandacht voor de kwaliteit.

Lees meer …

Rechterlijke vrijheid in gebondenheid en in afstand. Over de teamvoorzitter

De bekende evolutionair bioloog Jared Diamond beschrijft in zijn laatste boek “De wereld tot gisteren. Wat we kunnen leren van traditionele samenlevingen” hoe de moderne westerse mens ver verwijderd is geraakt van de traditionele leefpatronen en met welke eenvoudige ingrepen en handgrepen ongezonde uitkomsten van onze gemeenschappen kunnen worden gematigd. Zijn immer prikkelende beschouwingen brachten mij tot de vergelijking van de huidige en de vroegere rechterlijke organisatie.

Ik heb die organisatie als buitengriffier meegemaakt vanaf 1985. Vonnissen die met typemachines werden gemaakt, met tipp-ex verbeterd, vale paleisgangen, rechters die veel thuis werkten en in zekere zin een kaste vormden, griffiemedewerkers die tot enkele jaren daarvoor gingen staan als de rechter binnenkwam en met geen enkel zicht op verbeteringen. De belangrijkste verandering was de verzakelijking vanaf de jaren negentig in de vorige eeuw. Die verzakelijking was nodig omdat het aantal rechtszaken de pan uitrees. Grotere zaaksaantallen vergen meer en een andere sturing dan toen geboden kon worden. Leidinggevenden werden bovenal benoemd op grond van anciënniteit en dat bleek geen garantie voor managementcapaciteiten.
Met de rechters van toen was niets mis, zij werkten onder een ander gesternte dan het huidige, maar niemand wil meer terug naar die tijd. Het grootste deel van de huidige rechters kent de tijd van toen niet en degenen die nog wel zijn opgegroeid in de toenmalige rechterlijke gemeenschap, zouden veel aspecten niet meer willen (her)beleven. Toen ik raadsheer werd in mijn huidige gerechtshof waren er 14 strafrechters, nu zijn het er 50, voor een deel ook nog ver van elkaar werkzaam in verschillende locaties. De toenmalige kleinschaligheid kende bepaalde onoplosbare krampen. Rechters die met elkaar niet goed samen gingen en soms animositeit genereerden die nauwelijks bij te sturen was. Ook inspraak en medezeggenschap die sommige rechters anno 2014 zeggen te missen, was toen geen realiteit. Gerechtsvergaderingen verliepen moeizaam en gezamenlijkheid was ver te zoeken. Jongere rechters zouden nog eens te rade moeten gaan bij hun gepensioneerde collega’s om te vernemen dat het rechterlijk dorp van Sonneveld nooit bestaan heeft. Ik zou Diamond in zijn laatste hoofdstuk willen citeren: “Een van de zaken die de wereld van gisteren ons leert is dankbaar te zijn voor onze moderne gemeenschap” (blz. 521). Wie de faciliteiten van de huidige organisatie ziet en deze vergelijkt met die van onze Belgische zuiderburen, merkt dat er een heel bedrijf werkzaam is om rechters veilig, warm, met vergoedingen, flexibel verlof en restauratieve voorzieningen hun werk te laten doen. Rechters werken in alle opzichten in een heus paleis met vele paleismedewerkers die hen ten dienste staan.
Toch is de hemel niet op aarde neergedaald, en dat is maar goed ook, want niets staat stil en de hemel van 15 jaar geleden zou nu niet meer voldoen. De rechter uit 1998 kreeg te maken met integrale leiding, wat niet veel meer betekende dan dat de leidinggevende rechter meer geledingen aanstuurde (rechters en ondersteuning). Die integraliteit is niet helemaal geslaagd. Er zijn zeker teamvoorzitters geweest die samenbindend vermogen bezaten en die rechters en griffiers naar tevredenheid van eenieder met een billijke zittingslast inroosterden en die een scherp oog hadden voor de menselijke verhoudingen in het team. Maar de positie van de teamvoorzitter was in de kern wazig omdat zijn positie ten opzichte van de bestuurlijke leiding onhelder was. Een teamvoorzitter was geslaagd als er niet teveel ziekteverzuim was en niet veel opstandigheid onder de teamleden. Voor de leden van de werkgemeenschap was een sectorvoorzitter en teamvoorzitter geslaagd als deze hun belangen goed naar het management en het bestuur wisten te vertalen en met klinkende resultaten terugkwamen of zich naar hen geloofwaardig verontschuldigden met verwijzing naar de onwillige collega’s in het managementteam of het bestuur die hun ‘billijke’ eisen niet hadden gehonoreerd.
In zekere zin heeft deze leidinggevende de gerechtelijke organisatie doen stagneren. Een organisatie ontwikkelt zich niet met leidinggevenden als vakbondsvertegenwoordigers die met hun rug naar de afdeling aan een bestuur eisen stellen. In de nieuwe gerechtelijke organisatie sinds 2013 is een andere leidinggevende en bestuurder vereist die het (landelijke en lokale) bestuursbeleid doorvertaalt op een wijze die draagvlak genereert en de moderne rechter en medewerker in de bestuurlijke richting motiveert.
De laatste 15 jaren aan leiderschap zijn weinig geslaagd te noemen, maar vormden een belangrijke tussenfase in de organisatorische veranderingen in de afgelopen halve eeuw sinds het eerste herzieningsrapport van de commissie Wiersma in 1971 het licht zag. In de volgende fase komt het er op aan om de grootschalige rechterlijke werkgemeenschappen van een aangepaste stijl van besturen en leidinggeven te voorzien. Die stijl houdt in ieder geval in dat de bestuurders geen afstand van de Raad voor de Rechtspraak nemen en de teamvoorzitters geen afstand van het bestuur. Het lokale bestuur is immers op grotere afstand van de werkvloeren geplaatst en nu de bestuurders geen wandelende warmte afgevende potkachel (meer) vormen, moeten in het bijzonder de teamvoorzitters het samenbindende element in een team vormen. Dat moet echter anders dan voorheen.

Lees meer …

Huizinga’s spel en ernst van de Nederlandse rechtspraak

Inleiding
Iets meer dan 75 jaar geleden (1938) verscheen de cultuurbeschouwing Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur, waarin de toen al beroemde historicus Johan Huizinga de mens als homo ludens, als spelende mens, beschouwt. De menselijke beschaving zou opkomen en zich ontwikkelen als spel. In het vierde hoofdstuk staat hij stil bij de rechtspraak als spel. In dit opstel sta ik stil bij zijn benadering van de rechtscultuur in het licht van enkele persoonlijke connotaties bij het rechtspreken als zodanig en de ontwikkeling zoals we die kunnen nastreven en organiseren.

Lees meer …

Sneller recht is beter dan beter recht

Goed nieuws uit Den Haag. Dit keer. In zijn Jaarplan voor 2014 kondigt de Raad voor de Rechtspraak aan dat hij de duur van de gerechtelijke procedures wil beperken en zegt vervolgens: “uiteindelijk is het doel om de gemiddelde doorlooptijden vanaf 2018 met tenminste 40% te verkorten”. Dat zou vooral moeten worden bereikt door de werkprocessen zodanig te innoveren dat zaken minder stilliggen en het wachten op de inbreng van partijen wordt geminimaliseerd. Tevens zullen de mogelijkheden worden benut om de rechter meer regie op de duur van het proces te geven.

Lees meer …

Leiderschap in de rechterlijke macht 2: Onbestuurbare of stuurbare chaos?

In het eerste deel van dit tweeluik over leiderschap in de rechterlijke macht (‘Leiderschap in de rechterlijke macht: gaat U maar rustig slapen!’) was ik kritisch over de geringe doortastendheid van de gerechtelijke leiding. In dit tweede deel snij ik de gevolgen van alle veranderingen aan voor de gerechtelijke werkvloeren en stel ik in het bijzonder de vraag hoe de leiding daarmee moet omgaan.

De rechterlijke organisatie is in beroering. Het openbaar ministerie is met zijn zoveelste reorganisatie bezig, allemaal cirkelend rond “Het openbaar ministerie verandert”. Bij de zittende magistratuur is het niet anders. De fusies van gerechten en parketten is nog niet achter de rug of de indringende herijking van de werkprocessen, aangejaagd door het miljoenenproject KEI is alweer in aantocht, en dan heb ik het nog niet over de komende besparingen vanaf 2016. Dat er manifesten van boze rechters verschijnen is alleszins begrijpelijk. Die laatste zin moet ik toelichten. Ik heb me dit jaar immers van lichtelijk minzaam tot meewarig over de manifesterende collega’s uitgelaten. Welnu, die kwalificaties ontspruiten voor een deel aan mijn persoonlijke taakopvatting van lid van de derde staatsmacht die niet anoniem gaat klagen of publiekelijk gaat zeuren maar zelf de hand aan de ploeg slaat om een goede werkgemeenschap mee te helpen bouwen. Als ik afzie van mijn particuliere misprijzen is het goed om meer organisatiekundig bij de beroering stil te staan. Ik doe dat vanuit mijn eerdere invalshoek in De nieuwe kleren van de rechter uit 2010, waarin ik meer inzoomde op de microkosmos van een werkgemeenschap. Er zijn verschillende lijnen waarlangs de chaotische situatie van dit moment zich voltrekt, zowel bij het openbaar ministerie als bij de zittende magistratuur.

Lees meer …

Leiderschap in de rechterlijke macht: gaat U maar rustig slapen!

Inleiding. Scepsis of monterheid?
Met een kleine regelmaat word ik gevraagd waar mijn sceptische visie op de rechterlijke macht vandaan komt. Dan ben ik altijd verbaasd. Ik koester, misschien ten onrechte, een montere blik op de collega’s en de leiding van de rechtspraak. Ik geef toe dat ik met het verstrijken van de tijd conservatiever ben geworden. Ik geloof niet meer in de eenvoudige maakbaarheid van mens en maatschappij. Mijn motto voor deze bijdrage is dat tijd en plaats bepalen welk type leiding en bestuur het beste past. Dit noopt tot de vraag welk leiderschap de rechterlijke organisatie in het komende tijdvak vraagt.

Lees meer …