Tagarchief: Openbaar Ministerie

Van boeven en burgers

In de theorie van het strafrecht wordt onderscheiden tussen het mala in se, het kwaad an sich en het mala prohibita. Het eerste kwaad heeft betrekking op overschrijding van de aloude normen die – de meeste – mensen met de paplepel krijgen ingegoten, de normen van alle tijden, het verschil tussen goed en kwaad, de moraal.

Mala prohibita ziet op normen zonder zulke intrinsieke achterliggende waarden, normen die in de loop van de tijd zijn ontwikkeld op grond van het nut dat ze hebben bij de ordening van de samenleving. “Het verkeer rijdt zoveel mogelijk rechts”, zegt de Wegenverkeerswet en dus is links rijden verboden. Het verkeersrecht zit vol met dit soort praktische bepalingen, allemaal bedoeld om het verkeer in goede bannen te leiden en ongelukken te voorkomen. Dat streven naar verkeersveiligheid en het voorkomen van doden en gewonden heeft natuurlijk wel enige verwantschap met het mala in se: je mag het leven van een ander niet nemen, ook niet in het verkeer, maar als het daar toch gebeurt zal meestal de opzet uit het gewone strafrecht ontbreken. Ook op andere terreinen, zoals de milieu wetgeving is het onderscheid niet altijd scherp. Ook daar zijn veel normen gekoppeld aan het menselijk welbevinden en op langere termijn aan het leven, niet alleen van individuele mensen maar van een hele bevolking. En, ten slotte, normen die gelden in het financieel-economische verkeer zijn in belangrijke mate, zij het volgens sommigen nog lang niet genoeg, verbonden aan (strafrechtelijke) concepten als bedrog, valsheid in geschrifte en dergelijke.

Lees meer …

Toezicht op strafvordering

1. Inleiding: openheid, transparantie en toezicht
Anno 2016 wordt overheidsoptreden vaak besproken in termen van openheid, transparantie en toezicht. Mede vanwege geclaimde openheid en transparantie is bijvoorbeeld de Wet Openbaarheid van Bestuur in zwang. Zodanig dat er soms vele tientallen medewerkers per organisatie bezig zijn om verzoeken van burgers te beantwoorden, waarin meer vragen worden gesteld dan beantwoord lijken te kunnen worden. De documenten die gevraagd worden leveren niet altijd het verlangde inzicht op, maar ze moeten allemaal geanonimiseerd worden voor ze gescand en verzonden worden. Sommige bureautjes halen hier hun inkomsten uit, want elke termijnoverschrijding levert geld op. Het schijnt dat de nieuwe WOB-wetgeving blokkades tegen dit soort zinloos ogende werkverschaffing gaat opleveren.

Lees meer …

Het Openbaar ministerie 1985-2015 als disciplinerend overheidsinstrument

Rinus Otte

Deel 1 Inleiding. Rationaliseringstendenzen Openbaar Ministerie
Het openbaar ministerie is sinds 30 jaar onderhorig aan rationaliseringstendensen die in het bijzonder gerelateerd worden aan het departementale beleidsplan Samenleving en Criminaliteit uit 1985. Sindsdien worden ontwikkelingen binnen het openbaar ministerie gekenschetst met noemers als beleidsvorming, eenheid, capaciteitssturing en instrumentalisering. Niet verwonderlijk, elk onderdeel van het overheidsdomein kan in deze noemers vervat worden. Overheidsfinanciën zijn schaars en vergen rechtvaardiging aan welk van de elk op zich legitieme overheidsdoelen prioriteit wordt gegeven. De beleidsontwikkeling van de geïndividualiseerde parketten naar meer eenheid via een landelijk College van P-G’s is bekend en daarop wordt regelmatig veel afgedongen.
De afstand tussen departement en openbaar ministerie zou te klein zijn, het openbaar ministerie zou tot een bureaucratische buitendienst zijn verworden, de fouten in strafzaken zouden illustreren hoe het openbaar ministerie disfunctioneert in de richting van een onbeheersbare productiemachine en de magistratelijkheid zou niet langer gericht zijn op de klassieke taak van rechtshandhaving. Voor een frontlinieorganisatie als het openbaar ministerie is deze kritiek sinds de jaren tachtig bekend maar hoeft daarmee nog geen overtuigende papieren te bezitten om het openbaar ministerie te diskwalificeren. Er is geen onderdeel van het publieke domein in vele rechtsstelsels dat zich heeft kunnen onttrekken aan overheids-en capaciteitssturing, beleidsvorming, eenheidsstreven en instrumentalisering. Deze internationale context mag op verzet stuiten, maar zou het openbaar ministerie anno 2016 toch ook niet schatplichtig jegens een grotere sturing zijn, zonder welke er geen professionalisering had kunnen plaatsvinden zoals die tot op heden zichtbaar is geworden?

Lees meer …

De zaak Bart van U.: wat kan de GGZ er van leren?

Wim Canton en Bram Canton

De zaak rond Bart van U. heeft in het afgelopen jaar tot veel beroering geleid. Het gaat om een man die lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis en die verdacht wordt van de moord op zijn zus en op een bekend oud politica (Els Borst). Er is in de jaren, die aan deze vreselijke feiten zijn voorafgegaan, het nodige misgegaan. Binnen het justitiële kanaal is er sprake geweest van nalatigheid en miscommunicatie. Hoe dit heeft kunnen gebeuren is onderwerp van diverse onderzoeken. De conclusies en aanbevelingen die uit deze onderzoeken voortkomen zullen hier verder niet besproken worden.

Lees meer …

Reactie op ‘Halve waarheden en gebrek aan kennis van zaken’ en naschrift

In zijn digitale column ‘Halve waarheden en gebrek aan kennis van zaken’ richt Dato Steenhuis zijn pijlen op ‘Criminaliteit en rechtshandhaving 2014’ (verder afgekort tot C&R) en het begeleidende nieuwsbericht. Wij, als redactielid en co-auteurs van deze publicatie, willen hierop reageren.

Steenhuis beweert o.a. het volgende:
1) “De conclusies zijn voorbarig en onvoldoende ondersteund door feiten.” En even later: “Al met al meen ik dat de conclusie dat de criminaliteit daalt niet mag worden getrokken op basis van de resultaten van de veiligheidsmonitor.”
2) “De toon in het begeleidend persbericht is nogal juichend en suggereert op zijn minst dat het goed gaat met de rechtshandhaving.”

Lees meer …

De positie van de Nationale Ombudsman in het licht van het stelsel van rechtsmiddelen

Op 12 november 2015 heeft de Nationale Ombudsman een rapport uitgebracht onder de titel Gegijzeld door het systeem. Onderzoek Nationale Ombudsman over het gijzelen van mensen die boetes wel willen maar niet kunnen betalen. Van Zutphen zegt zich grote zorgen te maken over de mens achter de gijzeling met financiële problemen waardoor zij juist in de situatie van de dreigende gijzeling zijn terechtgekomen. Hij wil een oplossing voor de situatie dat de gijzelingsdruk de vaak toch al benepen financiële positie verslechtert.

Lees meer …

Halve waarheden en gebrek aan kennis van zaken

Een kleine maand geleden verscheen de rapportage Criminaliteit en Rechtshandhaving over het jaar 2014. In het begeleidende persbericht wordt gesproken van een daling van de criminaliteit, het aantal verdachten en het aantal strafzaken. De toon is nogal juichend en suggereert op zijn minst dat het goed gaat met de rechtshandhaving. Impliciet wordt een verband gelegd tussen het feit dat burgers zeggen minder criminaliteit hebben ondervonden dan tien jaar geleden en de daling van het aantal delicten dat de politie registreert. Jensma neemt, in zijn column in de NRC van 31 oktober jl. zowel de conclusies als de toon, nogal klakkeloos over.

Lees meer …

Hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de strafrechter bij de betekening?

Een verdachte heeft het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Een van de waarborgen om dat recht te bewerkstelligen is dat bij aanvang van de behandeling van een zaak beoordeeld wordt of de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.

Het doel van de betekeningsregeling is de verdachte in kennis te stellen van de behandeling van zijn strafzaak en hem of haar op die manier in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn.[1] Omdat die inspanningsverplichting een voorwaarde is om de behandeling van een strafzaak aan te vangen, is de betekeningsregeling er op gericht het kennis geven van de strafzaak aan de verdachte zo snel en efficiënt mogelijk te laten geschieden. Dit geldt eens temeer daar de verdachte het recht heeft op een behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn. Een recht dat ook slachtoffers en de samenleving toekomt. Nietigverklaring van de dagvaarding of het moeten aanhouden van de behandeling van een strafzaak omdat er sprake is van een betekeningsgebrek, leidt er toe dat een verdachte langer op de behandeling van zijn strafzaak moet wachten. Én, wanneer sprake is van een structureel probleem op dit punt, werkt die vertraging door in andere strafzaken. Rechterlijke en gerechtelijke capaciteit kan immers maar eenmaal worden ingezet. De wens om betekeningsgebreken niet te vaak in de weg te laten staan aan het aanvangen met de behandeling van de zaak heeft de wetgever er in 1994 toe gebracht het GBA-adres steviger als uitgangspunt te verankeren.[2] Tot veel verandering heeft dit echter niet geleid. Het aanwezigheidsrecht bracht mee dat de Hoge Raad allerlei nuances in de betekeningsregeling heeft aangebracht en aanvullende regels heeft geformuleerd. Deze wijzigingen zijn in het overzichtsarrest van 12 maart 2002 op een rij gezet en aangevuld en die regels zijn vervolgens gecodificeerd in de artikelen 588 en 588a Sv. Betekening op het GBA-adres is nog steeds voldoende voor een rechtsgeldige betekening, maar wanneer de verdachte op enig moment in de procedure een ander adres kenbaar heeft gemaakt dient ook een afschrift naar dat adres verzonden te zijn vooraleer de behandeling van een strafzaak zonder verdachte kan worden aangevangen.[3]

Lees meer …

Rechtspraak en afvalscheiding

Dato Steenhuis

Het is nu 3 jaar geleden dat ik mijn eerste column schreef voor dit blog. Die had als titel: Doet de strafrechter de verkeerde dingen? Ik ga niet herhalen wat ik toen schreef, maar ik wil het wel nog één keer over dit onderwerp hebben. Daarna zult U mij er niet meer over horen. Ik maak een ongebruikelijke vergelijking nl. met de afvalscheiding.

Vroeger hadden we thuis een vuilnisbak, door sommigen ook wel asemmer of asvat genoemd. Alles ging erin: natuurlijk de asla van de kolenkachel, aardappelschillen, nadat de schillenboer was verdwenen etensresten (hoewel hergebruik toen de regel was) en verder alles wat weg kon en erin paste. De bak was niet al te groot, gemaakt van zink en werd in mijn herinnering, 2x in de week opgehaald. De vuilnisauto was zo ingericht dat een bak gemakkelijk kon worden leeg gekieperd. Dat gaf veel lawaai, wat het voordeel had dat je de emmer nog snel kon buiten zetten als je dat was vergeten. Laten werden deze emmers afgeschaft, vermoedelijk omdat ze te klein werden voor wat de mensen zoal wegdoen en kwamen er plastic zakken voor in de plaats. De ophaal frequentie ging naar beneden, maar dat was niet erg want als er één vol was nam je gewoon een nieuwe. Ze hadden echter ook nadelen: ze scheurden gemakkelijk, de vogels pikten ze kapot, huisdieren snuffelden erin en zo kon het, op de dag dat ze werden opgehaald, op straat een behoorlijke rotzooi worden. Daarom kwamen er, na enige tijd hard-plastic containers waar die zakken konden worden ingedaan zonder dat de “beesten” erbij konden. Eerst kwam er een zwarte container, later ook een groene voor het zogenaamde GFT-afval. Inmiddels is in veel gemeenten overgegaan tot het gescheiden inzamelen van plastic, soms in zakken, soms in een derde (blauwe) container. het gevolg van dit alles is dat er dan een hoeveelheid restafval overblijft die gemakkelijk in de oude vuilnisbak zou hebben gepast. Als ik deze ontwikkeling beschrijf, moet ik onwillekeurig denken aan de rechtspraak.

Lees meer …

Straffende rechters en officieren van justitie. Een kwalitatief verschil?

1. Inleiding
Het recht intrigeerde me als aankomend jurist in het bijzonder door de schuldvraag en de wijze waarop de vastgestelde schuld in boete werd omgezet. Later werd de ethische vraag naar wie ik wel niet was om een medemens te straffen geflankeerd door de bijkans oudste vraag naar de proportionaliteit van het straffen. Welke straf is op zijn plaats bij een bepaalde schuld? Daarover zijn bibliotheken volgeschreven. Het Oude Testament rept in de mozaïsche wetten al over matiging: wie een oog is ontnomen mag ter vergelding niet meer dan een oog van de dader nemen. In de vorige eeuw is een stroom literatuur ontstaan die de straftoemeting probeerde te fileren in factoren die de ernst van het feit in kaart brachten. Al deze proefschriften, artikelen en commissies visualiseerden de toverformule dat rekening is gehouden met de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De onderstroom van deze werkzaamheden was dienstbaarheid aan het doel van de rechtsgelijkheid. Om in soortgelijke zaken gelijksoortig te straffen was inzicht in de strafoplegging vereist, zodat de justitiabelen en de burgerij niet het gevoel kregen dat in Rotterdam anders wordt gestraft dan in Groningen. Rechtspreken en straffen moeten daarom inzichtelijk geschieden om het gevoel van willekeur tegen te gaan.
Dat inzicht heeft de rechtspraak geprobeerd te verbeteren met de commissie rechtseenheid die om de zoveel tijd oriëntatiepunten straftoemeting afscheidt, bedoeld om een vertrekpunt op te leveren voor de strafrechters, zodat ze hun afwijkingen van het oriëntatiepunt kunnen motiveren in het vonnis. Of daar veel van terechtkomt kan worden betwijfeld, in vonnissen wordt zelden een afwijking gemotiveerd. Ik ga voorbij aan de geringe representativiteit van de oriëntatiepunten, aan het gegeven dat ze formele rechtskracht ontberen nu ze door de leiding van het LOVS wordt vastgesteld en eveneens aan het belangrijkste punt dat elke wisseling van argumenten rond de totstandkoming ontbreekt. In deze bijdrage gaat het mij om de kwaliteit van de strafmotivering in relatie tot de ontwikkeling dat het Openbaar Ministerie sinds enige tijd straffen mag opleggen. Is er verschil tussen een straffende rechter of een officier van justitie?

Lees meer …