Tagarchief: Motivering

Buiten redelijke twijfel als nieuw criterium?

In het kader van de operatie “Modernisering van Strafvordering” wordt de mogelijkheid besproken de inmiddels ruim 90 jaar oude bewijsstandaard te wijzigen. De gedachte zou dan zijn in het nieuwe wetboek de formule “buiten redelijke twijfel” in te voeren. Er is weinig fantasie voor nodig vast te stellen dat dit een vertaling van de Engelse term “beyond reasonable doubt” vormt. Vraag is wat het voor onze strafrechtpraktijk zou kunnen betekenen.

In vonnissen en arresten staat tegenwoordig meestal dat de rechter “wettig en overtuigend” bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarmee wordt de toepassing van de nu in artikel 338 Wetboek van Strafvordering (Sv) opgenomen bewijsstandaard beoogd. Wie deze bepaling goed leest, weet dat die veel gebruikte formule onjuist is. In artikel 338 staat, geparafraseerd in minder archaïsch Nederlands, dat de rechter het uitsluitend tot een bewezenverklaring kan komen, als het (geleverde) wettige bewijs hem ervan heeft overtuigd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Met andere woorden, volgens artikel 338 moet je eerst bepalen of het wettig bewijs er is (en, bijvoorbeeld, of aan het wettig bewijsminimum is voldaan). Vervolgens dien je te vast te stellen of je op grond van dat wettig bewijs ervan overtuigd bent dat de verdachte het tenlastegelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan. Kortom, eerst wettig bewijs en dan pas daarna en daaruit de overtuiging. Er is niet zo iets als “wettig bewijs en overtuigend bewijs”. De nevenschikking die de formule “wettig en overtuigend” suggereert, is dan ook onjuist. (En hoe vaak hoor je niet: “Ik heb wel de overtuiging, maar niet het bewijs.”)

Lees meer …

De pen en de inktpot: het motiveren van de voorlopige hechtenis

“Een goede en op de individuele zaak toegespitste motivering van de beslissing tot voorlopige hechtenis is niet alleen een wettelijk vereiste, maar ook een recht van de verdachte. De verdachte heeft recht op uitleg van de beslissing en als er verweer wordt gevoerd, waarom dat niet slaagt. Het fundamentele karakter van dit recht wordt onder meer onderstreept door de jurisprudentie van het EHRM.”

Deze wijsheid valt te lezen in een recente publicatie getiteld “Tekst en uitleg” van het te Utrecht gevestigde College voor de rechten van de mens. Uit het onderzoek blijkt evenwel dat rechterlijke beslissingen over de voorlopige hechtenis niet altijd zijn gemotiveerd langs deze lat, en dat zou volgens het College wel moeten.

Lees meer …

Recht schokkende bevindingen

We vreesden en wisten het natuurlijk eigenlijk allang, maar nu is het ook “officieel”: beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis worden onvoldoende gemotiveerd. Op basis van een studie van 300 dossiers (50 bij ieder van vier rechtbanken en 50 bij ieder van twee gerechtshoven, verspreid over het land) concludeert het College voor de rechten van de mens in een rapport van maart 2017 (Tekst en uitleg) dat het in onze rechtspraak schort aan de wijze waarop de motivering van de voorlopige hechtenis er in de praktijk uitziet, en aan de verhouding tussen die praktijk en de relevante mensenrechten. Het College doet in zijn rapport een aantal aanbevelingen waarmee hierin verbetering kan worden gebracht.

Lees meer …

Connie P. en Lev T.

De rechter als prozaschrijver

Een citaat uit de roman I.M. van Connie Palmen (*1955), handelend over haarzelf en een zekere Ischa Meijer:

“Hij sluit de voordeur van de Reestraat af als ik vanaf de Prinsengracht de hoek om kom. We blijven allebei verstard staan, kijken elkaar aan en zeggen niks. Hij wou naar mij toe en ik naar hem, dat weten we. Zonder me van tevoren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en ik doe het in mijn broek. Tegenover me spreidt hij zijn benen, grijpt naar zijn kont en roept verbaasd uit dat hij in zijn broek heeft gepoept. Ik zeg tegen hem dat ik dit keer wel met hem mee naar boven ga. Het is 12 februari 1991, zeven dagen na ons interview. Onder mijn kleren draag ik die dag een veel te wijde boxershort.”

Lees meer …

Het noodzakelijkheidscriterium vanaf 1 juli 2014: balanceren tussen niet vooringenomen (b)lijken en helder motiveren

Na bijdragen over het verdedigingsbelang en de doorwerking van tijdigheid en motivering van getuigenverzoeken bij de beoordeling daarvan, komt in deze voorlopige laatste bijdrage over getuigenverzoeken het noodzakelijkheidscriterium aan bod.

In het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2014:1496 vallen om te beginnen voor de hand liggende, maar daarmee niet minder belangrijke, overwegingen over het noodzakelijkheidscriterium te lezen: het criterium is gerelateerd aan de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak en dat betekent dat ‘bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang [is] of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek’.

Lees meer …

Promis revisited

In mijn augustuscolumn heb ik het probleem van het op juiste wijze vaststellen van feiten in vonnissen in strafzaken besproken. De conclusie luidde dat rechters en griffiers (te) veel moeite hebben met het onderscheid tussen enerzijds redengevende feiten en omstandigheden (namelijk datgene wat aan de bewezenverklaring ten grondslag moet liggen, kortweg rf&o) en anderzijds bewijsmiddelen (het “omhulsel” van de rf&o) en conclusies van rechters op basis van die f&o.

Daar komt bij dat je in je vonnis ook moet laten zien waar je die rf&o vandaan haalt. In het besproken systeem gebeurt dat door verwijzingen in voetnoten, net als in wetenschappelijke artikelen. Ook dat is echter niet zo simpel. Je moet behoorlijk precies zijn. Zo kun je niet volstaan met een algemene verwijzing naar, bijvoorbeeld, een getuigenverklaring. Je moet aanduiden uit welk onderdeel van die verklaring je het relevante feit put. Getuigenverklaringen – zeker als ze uitvoerig zijn – bevatten vaak tegenstrijdigheden. Het gevaar is levensgroot dat je die bij een te grove verwijzing veronachtzaamt. Dit maakt het voor een hof in hoger beroep ook lastig, zo niet onmogelijk, de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld, te controleren en over te nemen. Het hof stelt ze maar liever zelf vast en doet alles over. Zonde van onze kostbare rechterstijd!

Lees meer …