Tagarchief: Inverzekeringstelling

Geen lichtvaardigheid, wel een lichtend voorbeeld

Peter Plasman

In zijn blog van 8 september jl. stelt Ferdinandusse dat de rechter-commissaris in Alkmaar wel heel lichtvaardig op de stoel van de wetgever is gaan zitten toen hij besloot om op verzoek van een verdachte het verhoor als bedoeld in artikel 59a Wetboek van Strafvordering eerder dan voorzien te doen plaatsvinden.
Ervan uitgaande dat Ferdinandusse niet zal bedoelen dat de rechter wel op die stoel mag gaan zitten als hij dat maar niet heel lichtvaardig doet is zijn standpunt interessant in het licht van de “stoelendans” die thans gaande lijkt. De benadering zou ook kunnen zijn dat wanneer de rechter tijdens die stoelendans constateert dat zijn stoel bezet is door de wetgever hij dan maar even op de stoel van laatstgenoemde moet plaatsnemen. Lees meer …

Toetsing van de inverzekeringstelling: de rechter als wetgever?

Ward Ferdinandusse

Kan een in verzekering gestelde verdachte nog voor zijn voorgeleiding de rechter-commissaris vragen de rechtmatigheid van die inverzekeringstelling te toetsen? Of moet hij daarmee wachten tot zijn voorgeleiding?

Het antwoord op die vraag lijkt eenvoudig: art. 59a Sv bepaalt dat:

  • tijd en plaats van verhoor van de verdachte onverwijld worden bepaald door de rechter-commissaris na daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben ontvangen (lid 2)
  • dat verhoor moet plaatsvinden binnen drie dagen en vijftien uur na de aanhouding (lid 1)
  • de verdachte bij zijn verhoor de rechter-commissaris zijn invrijheidstelling kan verzoeken (lid 4)

Er is dus door de wetgever niet voorzien in een toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling voorafgaand aan het verhoor van de verdachte, en het initiatief om dat verhoor te doen plaatsvinden ligt alleen bij de officier van justitie. Lees meer …