Tagarchief: Hoger beroep

Transparantie: strafzaken in hoger beroep

Over transparantie bij de strafrechtspraak in eerste aanleg heb ik nauwelijks te klagen. In de jaarlijks publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving is heel veel informatie te vinden over de activiteiten van de ketenpartners. Het aantal zaken dat de politie jaarlijks registreert en het ophelderingspercentage; het aantal zaken dat van jaar tot jaar bij het OM wordt ingeschreven; de afdoening van die zaken door rechter en OM allemaal keurig per type misdrijf uitgesplitst. Gegevens over vrijspraken en schuldigverklaringen en gedetailleerde informatie over het soort en ook de hoogte van de sancties en ook dat weer per misdrijf. Hoe lang strafzaken gemiddeld duren bij de PR, de KR en de MK, het wordt allemaal nauwkeurig opgetekend en beschikbaar gesteld. Kortom een onuitputtelijke bron voor wie, zoals ik, zicht wil houden op de (kwantitatieve) ontwikkeling van de strafrechtspraak. Lees meer …

Naar een schriftelijk strafproces in hoger beroep

Iedere deelnemer aan het strafproces wenst in iedere aanleg een goede en zorgvuldige zaaksbehandeling. Daargelaten dat wat goed en zorgvuldig is voor ieder van die deelnemers verschillend zal zijn, zal iedereen het met mij eens zijn dat voor een goede en zorgvuldige behandeling middelen ter beschikking moeten worden gesteld. Ik zou zeggen dat de beschikbare middelen afhankelijk zijn van bredere politiek keuzes om ook andere kerntaken van de overheid (denk aan zorg en onderwijs) goed te financieren. Hoe dan ook lijkt het verstandig de voor de strafrechtspraak beschikbare middelen daar in te zetten waar ze vanuit strafvorderlijk oogpunt het meeste effect sorteren. Vanuit die gedachte zou ervoor gekozen kunnen worden om het zwaartepunt te leggen bij de behandeling in eerste aanleg. De herinneringen zijn dan nog het meest vers zodat het zowel in bewijstechnische zin als voor de normbevestiging vooral daar moet gebeuren. Het hoger beroep zou vervolgens minder als herkansing en meer als herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten kunnen worden benut. Deze benadering (die natuurlijk meer uitwerking vergt dan een kort opiniërend blog kan bieden) brengt met zich dat in eerste aanleg alles uit de kast wordt gehaald om (onder meer) bovengenoemde strafvorderlijke doelen ten aanzien van bewijs en normbevestiging optimaal te dienen. Daarbij passen geen rechtbankrechters die zichzelf beschouwen als een eerste filter in de rechterlijke strafketen en ervan uitgaan dat het hof wel de puntjes op de i zet (hoewel daar bij hoven die hoe dan ook alles over doen en rechtbankvonnissen standaard vernietigen zonder meer begrip voor valt op te brengen). Wat er wel bij past, zijn hofrechters die zorgen voor een voortvarende en voortbouwende behandeling in hoger beroep. Wanneer immers het zwaartepunt in eerste aanleg ligt, moet de controle daarop ter verwezenlijking van eerder genoemde strafvorderlijke doelen snel gebeuren. Die snelheid heeft nog een andere belangrijk voordeel: het maakt mogelijk middelen vrij voor de eerste aanleg en zorgt er in ieder geval voor dat ook andere zaken voortvarend kunnen worden afgedaan (met als een soort Droste-effect dezelfde voordelen). Lees meer …

Waarom komt het voortbouwend appel niet van de grond?

Rick Robroek

Sinds 2007 kennen we in Nederland het voortbouwend appel:

a. het ontbreken van grieven kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep,
b. toewijzing van onderzoekswensen kan aan strengere eisen worden gebonden en
c. de feitelijke behandeling kan zich ter terechtzitting concentreren op de grieven en de onderzoekswensen van procespartijen.

Kortom er kan nog heel erg veel op het terrein van de behandeling. Daarin zou de reden gevonden kunnen worden voor het feit dat het voortbouwend appel niet de gewenste opbrengst heeft in kwaliteit (meer tegensprekelijk geding, meer nadruk op eerste aanleg) en tijd (capaciteitsbesparend). De appelrechter heeft in die redenering nog te veel ruimte. Lees meer …

Reactie op Plea bargaining. Een vereenvoudige procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep.

Het voorstel van Rinus Otte voor een nieuwe, vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachte in hoger beroep op basis van de beginselen van plea bargaining biedt interessante, nieuwe input in de discussie over efficiency in de Nederlandse strafrechtspleging. Ofschoon ik nog altijd wat moeite heb met de negatief geladen Anglo-Amerikaanse term ‘plea bargaining’ en pleit voor het neutralere, en daardoor in rechtsvergelijkend opzicht wat preciezere woord ‘vonnisafspraken’, is er veel te zeggen voor zijn voorstel. Een procedure waarbij openbaar ministerie en verdediging in overleg een conceptvonnis in hoger beroep opstellen dat na rechterlijk fiat ten uitvoer kan worden gelegd bespaart veel tijd en dus capaciteit. Dit is niet alleen in het belang van de rechtstreeks betrokkenen, maar ook van de rechterlijke macht en dus de samenleving. Lees meer …

Plea bargaining. Een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten in hoger beroep

Sinds de jaren negentig is langdurig gebouwd en gesleuteld aan een nieuwe inrichting van het hoger beroep. De discussie verliep langs de vraag of een grievenstelsel wenselijk was of het huidige voortbouwend appel. Zonder die discussie te herhalen kan vastgesteld worden dat het grievenstelsel niet is ingevoerd. Het vigerende voortbouwend appel komt in hoofdzaak hierop neer dat de behandeling in hoger beroep in het bijzonder is gefocust op de behandeling van de geschilpunten tussen verdediging en het openbaar ministerie. Op die inzet wordt regelmatig afgedongen door een bepaald segment van de strafrechters. De laatsten menen dat de rechter per definitief gehouden is om ambtshalve alle onderdelen van de beschuldiging te behandelen en beroepen zich daartoe op bepaalde lijnen in de cassatierechtspraak die zouden dwingen tot het voorhouden van bepaalde processtukken op straffe van het niet kunnen benutten daarvan voor een mogelijke bewijsconstructie of bewijsoverweging. Over de (uitleg van de) jurisprudentiële lijnen zal tot het einde van de rechtsprekende tijden gediscussieerd worden, dat is ook de bedoeling van een normatief discours waarin veel keuzen pleitbaar maar niet altijd overtuigend zijn. Die meningsverschillen over de betekenis van het voortbouwend appel verklaren waarom een deel van de strafrechters substantieel meer tijd nodig heeft voor de behandeling van de zaak of meent dat nogmaals getuigen moeten worden gehoord. Lees meer …