Tagarchief: Dood door schuld

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting.

Lees meer …

De innige relatie tussen strafbaarstelling en strafmaxima in het verkeer en bij doodslag

Aanrijdingen met dodelijke afloop worden regelmatig met grote heftigheid bejegend, denk in het verleden aan de Porschezaak of die van de Zeeuwse motorrijder in Souburg. De laatste twee jaar ontstond forse commotie rond twee uitspraken over dodelijke ongevallen in het verkeer die volgens het publiek te licht bestraft werden. Zijn die emoties verklaarbaar en kan het anders? In mijn recente bijdrage aan Verkeersrecht heb ik stilgestaan bij de mogelijkheden om de strafoplegging meer in overeenstemming te brengen met het publieke verwachtingspatroon. Tegelijkertijd vraag ik aandacht voor het grote aantal cassaties in moordzaken waardoor de feitenrechter slechts met een relatief lichte straf de overblijvende doodslag tegemoet treedt. U vindt de bijdrage hier.

Lees meer …

Straffen bij dodelijke verkeersongevallen

Dinsdag 6 januari jl. bij Eva Jinek. Het ging weer eens over een taakstraf bij een verkeersongeval met dodelijke afloop. De ouders van een dodelijk slachtoffer waarbij zo’n straf was opgelegd zaten op de bank en behalve een kamerlid was ook de voorzitter van de NvvR aanwezig. Die reed daar een ontzettend scheve schaats door te beweren dat ze begrip had voor de woede van de ouders maar dat de rechter, bij verkeersmisdrijven, nu eenmaal geen rekening kon houden met de gevolgen van het delict en de strafmaat slechts kon verbinden aan de mate van onvoorzichtigheid die de bestuurder had vertoond. Verkeersstrafrecht was schuldstrafrecht en daarin was voor invloed van de gevolgen op de strafmaat geen plaats. Ik verwijs haar naar artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994, waarin is bepaald dat wanneer schuld aan een ongeval tot de dood leidt maximaal 3 jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd en wanneer lichamelijk letsel het gevolg is die straf tot maximaal 1 jaar en 6 maanden beperkt moet blijven. Ook bij een verdergaande mate van schuld, in de vorm van roekeloosheid, wordt dit onderscheid gemaakt: maximaal 6 jaar bij dood en 3 jaar bij lichamelijk letsel. Verkeerde voorlichting dus door een prominent lid van de rechterlijke macht, voorlichting die, neem ik aan, door de NvvR zo snel mogelijk zal worden rechtgezet. Onvoldoende kennis die ook bleek uit het feit dat Eva Jinek daar niet de juiste informatie tegenover kon stellen en het moest laten bij de constatering dat een en ander in strijd was met haar boerenverstand. Je vraagt je onwillekeurig af hoe de redactie dit programma heeft voorbereid.

Lees meer …

Commotie in de Limburgse rechtszaal over berechting veroorzaker dodelijke verkeersongevallen

Vandaag is het 21 jaar geleden dat ik mijn proefschrift verdedigde over gedragsregels in het wegverkeer. De heftigheid waarmee toen aanrijdingen met dodelijke afloop werden bejegend, denk aan de Porschezaak of die van de Zeeuwse motorrijder, verschilt niet met de grote emoties in het eerste tijdvak van de vorige eeuw of met die van nu. Afgelopen week ontstond een vechtpartij in een Limburgse rechtszaal over een volgens het publiek te lichte straf die was opgelegd voor de veroorzaker van een dodelijke aanrijding met drie te betreuren familieleden. Verkeersongevallen roepen in het strafrecht vaak de grootste emoties op. Hoe komt dat, is dat in deze zaak verklaarbaar en had het anders gekund?

Lees meer …

Commotie in de Haagse rechtszaal over berechting veroorzaker dodelijk verkeersongeval

22 juli 2013 ontstond een vechtpartij in een Haagse rechtszaal over een volgens het publiek te lichte straf die geëist was voor de veroorzaker van een dodelijke aanrijding. Zedenzaken en verkeersongevallen roepen in het strafrecht vaak de grootste emoties op. Hoe komt dat, is dat in deze zaak verklaarbaar en had het anders gekund?

Bij de inwerkingtreding van ons Wetboek van Strafrecht in 1886 koos de wetgever voor een driedeling: overtredingen, schuld- en opzetmisdrijven. Het grote verschil tussen de laatste twee misdrijven is dat de verdachte van een schuldmisdrijf het dodelijke gevolg niet heeft gewild en bij een opzetmisdrijf wel. Dit mondde uit in een groot verschil in strafbedreiging. Op het veroorzaken van dood door schuld stond maximaal een jaar straf, op doodslag daarentegen 15 jaar. Er werd begin van de twintigste eeuw echter voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval het hogere strafmaximum van 3 jaar in de wet opgenomen. De laatste vijftien jaar zijn verdere pogingen ondernomen om tot nog hogere straffen te komen. Waarom gebeurt dat dan niet? Dat zit zo.

Lees meer …