Tagarchief: CJIB

Van boeven en burgers

In de theorie van het strafrecht wordt onderscheiden tussen het mala in se, het kwaad an sich en het mala prohibita. Het eerste kwaad heeft betrekking op overschrijding van de aloude normen die – de meeste – mensen met de paplepel krijgen ingegoten, de normen van alle tijden, het verschil tussen goed en kwaad, de moraal.

Mala prohibita ziet op normen zonder zulke intrinsieke achterliggende waarden, normen die in de loop van de tijd zijn ontwikkeld op grond van het nut dat ze hebben bij de ordening van de samenleving. “Het verkeer rijdt zoveel mogelijk rechts”, zegt de Wegenverkeerswet en dus is links rijden verboden. Het verkeersrecht zit vol met dit soort praktische bepalingen, allemaal bedoeld om het verkeer in goede bannen te leiden en ongelukken te voorkomen. Dat streven naar verkeersveiligheid en het voorkomen van doden en gewonden heeft natuurlijk wel enige verwantschap met het mala in se: je mag het leven van een ander niet nemen, ook niet in het verkeer, maar als het daar toch gebeurt zal meestal de opzet uit het gewone strafrecht ontbreken. Ook op andere terreinen, zoals de milieu wetgeving is het onderscheid niet altijd scherp. Ook daar zijn veel normen gekoppeld aan het menselijk welbevinden en op langere termijn aan het leven, niet alleen van individuele mensen maar van een hele bevolking. En, ten slotte, normen die gelden in het financieel-economische verkeer zijn in belangrijke mate, zij het volgens sommigen nog lang niet genoeg, verbonden aan (strafrechtelijke) concepten als bedrog, valsheid in geschrifte en dergelijke. Lees meer …

Too much, too mechanical and too money-driven

Handhaving is nooit een doel op zich. Ze dient er toe om op te treden tegen schending van normen en de daar onderliggende waarden. Sommige van die waarden liggen diep in onze cultuur verankerd, andere zijn ontstaan door de manier waarop we onze samenleving hebben ingericht. Overtreding van de eerste groep wordt wel aangeduid als mala in se, die van de tweede als mala prohibita.

De regels die in het verkeer gelden, vallen grotendeels in de tweede categorie. Snelheidsbeperkingen, het verbod om door rood licht te rijden, rechts houden en dergelijke zijn functionele normen die zijn ontstaan als gevolg van de alsmaar toenemende verkeersintensiteit en de behoefte om de negatieve gevolgen daarvan voor de veiligheid van de weggebruikers binnen de perken te houden. Vroeger, toen er veel minder verkeer was, waren die regels en die lichten er ook niet. Juist bij de handhaving van dit soort instrumentele regels behoort naar mijn mening steeds zorgvuldig te worden gekeken naar de relatie tussen de intensiteit van de handhaving en het effect daarvan op het achterliggende doel. Lees meer …