Categoriearchief: Opinie

Passie en schuld

Als deze column verschijnt ligt de lijdenstijd met zijn Passies alweer achter ons. Niettemin vormen ze een mooie aanleiding om het eens te hebben over schuld (en boete) over onschuld en over niet schuldig.

Die termen komen, in verschillende context, regelmatig in de evangelieteksten, die aan de passies ten grondslag liggen, voor. Met name in de Mattheüs Passion.

Het begrip onschuld is gekoppeld aan de persoon van Jezus. Al in het openingskoor wordt verwezen naar het Lam Gods dat onze zonden op zich heeft genomen en in het aansluitende koraal heet het: O Lamm Gottes unschuldig am Stamm des Kreuzes geschlachtet. Jezus is niet “niet-schuldig”, hij is onschuldig; hij heeft niets kwaads gedaan. Zijn onschuld is, althans volgens het Mattheüs Evangelie objectief, zoals onschuld dat altijd is. Over schuld valt te twisten over onschuld niet. Onschuld is een eigenschap een persoonskenmerk

Lees meer …

De pen en de inktpot: het motiveren van de voorlopige hechtenis

“Een goede en op de individuele zaak toegespitste motivering van de beslissing tot voorlopige hechtenis is niet alleen een wettelijk vereiste, maar ook een recht van de verdachte. De verdachte heeft recht op uitleg van de beslissing en als er verweer wordt gevoerd, waarom dat niet slaagt. Het fundamentele karakter van dit recht wordt onder meer onderstreept door de jurisprudentie van het EHRM.”

Deze wijsheid valt te lezen in een recente publicatie getiteld “Tekst en uitleg” van het te Utrecht gevestigde College voor de rechten van de mens. Uit het onderzoek blijkt evenwel dat rechterlijke beslissingen over de voorlopige hechtenis niet altijd zijn gemotiveerd langs deze lat, en dat zou volgens het College wel moeten.

Lees meer …

Recht schokkende bevindingen

We vreesden en wisten het natuurlijk eigenlijk allang, maar nu is het ook “officieel”: beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis worden onvoldoende gemotiveerd. Op basis van een studie van 300 dossiers (50 bij ieder van vier rechtbanken en 50 bij ieder van twee gerechtshoven, verspreid over het land) concludeert het College voor de rechten van de mens in een rapport van maart 2017 (Tekst en uitleg) dat het in onze rechtspraak schort aan de wijze waarop de motivering van de voorlopige hechtenis er in de praktijk uitziet, en aan de verhouding tussen die praktijk en de relevante mensenrechten. Het College doet in zijn rapport een aantal aanbevelingen waarmee hierin verbetering kan worden gebracht.

Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie deel 2. Krijgsgeschiedenis en de oorlog om schaarste

Deze bijdrage is de tweede in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Het eerste deel vindt u hier.

Historisch besef biedt soms uitkomst in het begrijpen van een langere ontwikkeling. Tussen generaal Eisenhower en zijn militaire top bestonden tot aan het eind van de tweede wereldoorlog grote spanningen. Voor en na D-day op 6 juni 1944 kolkten de ruzies tot grote hoogte. De aard van de spanningen werd door veel waarnemers teruggevoerd op de vermeende ijdelheid van de Engelse Montgomery en de Amerikaanse Patton, maar zoals helaas te vaak gebeurt werd het toenmalige conflict versmald tot personen. Het conflict was veel boeiender en actueler dan dat. De legeraanvoerders te velde verweten Eisenhower dat hij een bureaustrateeg was die nooit de kruitdampen had meegemaakt. De ruzies gingen over het gezag over de grondtroepen en over het tempo waarin de verschillende legergroepen optrokken en wie daarin (eind)verantwoordelijkheid mocht dragen. Dit sturingsconflict vertaalde zich tot in de marsorders. De Britse legerleiding schetste tot in detail hoe de manoeuvres dienden te verlopen, terwijl de Amerikaanse legertop de operaties veel minder dicht regelden en meer overlieten aan de creativiteit van uitvoerende commandanten als Patton en Bradley. De legeraanvoerders te velde waren immers veel beter op de hoogte van de situatie op de slagvelden. Als de aanvoerder niet voldeed, werd hij vervangen. Voor de Britse aansturing was evenwel ook wel wat te zeggen. Montgomery wist nog uit de eerste wereldoorlog hoeveel menselijke verliezen er mogelijk waren, uit ervaring was hij zuinig met zijn manschappen om welke reden hij meer sturingsinvloed wilde houden op de operationele keuzen te velde. Verder waren de aanvoerlijnen met hun specifieke bevoorradingseisen, zoals in elke oorlog, van grote betekenis. Niet dat sommige legercommandanten zich daar iets van aantrokken. Van Patton werd wel gezegd dat hij toch bleef oprukken om zodoende nieuwe troepen en materiaal af te dwingen.

Lees meer …

Anders maar wel rechtmatig en rechtvaardig

In de drie vorige columns heb ik de gevolgen besproken van de nieuwe benadering voor drie van de vier kwaliteitsaspecten die bij iedere strafrechtelijke interventie een rol moeten spelen: de zekerheid, de strengheid en de snelheid. Het wordt nu hoog tijd om na te gaan wat de gevolgen zijn voor het vierde en belangrijke criterium, de rechtmatigheid en de rechtvaardigheid. Wat betekent de accentverschuiving van de verdachte naar slachtoffer en samenleving voor het streven naar kwaliteit volgens dit criterium?

Lees meer …

Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten

In zijn blog van dinsdag 14 maart 2017 bespreekt Peter Lemaire enkele onderdelen van mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’ en gaat hij in het bijzonder in op mijn standpunt ten aanzien van de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en andere regelingen die door het LOVS worden vastgesteld. Pas gepromoveerd op het spanningsveld tussen rechter en zijn gerechtsbestuurder is het altijd plezierig om van een rechter, oud-gerechtsbestuurslid én oud-voorzitter van het LOVS de instemming te lezen bij veel van wat in mijn onderzoek aan de orde komt. Zo is dat ook (en nadrukkelijk) ten aanzien van mijn laatste stelling bij het proefschrift: perfectie haalt de kwaliteit weg. Die stelling vormt echter tegelijkertijd de bal die Lemaire mij terugkaatst waar het gaat om het door mij ingenomen standpunt over de LOVS-regelingen. Ook dat is plezierig. Een proefschrift schrijf je juist om dit soort ballen teruggekaatst te krijgen.

Lees meer …

De macht over de oriëntatiepunten in het strafproces

Medeblogger Rick Robroek is recent gepromoveerd op het proefschrift “De macht over het strafproces”. Hij legt daarin bloot de machtsverhoudingen tussen de gerechtsbesturen en de Raad voor de Rechtspraak enerzijds en de rechters anderzijds, beiden met een wettelijke taak belast, waartussen zich de laatste jaren helaas de nodige spanningen voordoen. De eersten behartigen de algemene belangen van de rechtspraak, zoals financiering, gebouwen, personeel, maar ook de bevordering van vlotte rechtspraak en rechtseenheid in algemene zin en de laatsten oefenen de rechtspraak uit in rechtszaken, de core business, of zoals in de rechtspraak zelf wordt gezegd: het primaire proces. De rechters zijn voor de goede vervulling van hun taak mede afhankelijk van de eersten en de eersten zijn voor hun algemene taken (in zeer sterke mate) afhankelijk van de rechters. Robroek legt deze verhoudingen bloot en signaleert de scharnierpunten in de Wet op de rechterlijke organisatie, die de laatste jaren steeds meer zijn gaan kraken en piepen en die volgens hem aanpassing behoeven. Een kritisch punt is namelijk dat de rechters onafhankelijk zijn en dat de huidige wetgeving op een aantal punten in onvoldoende mate een basis biedt om rechters te verbinden aan genoemde algemene doelstellingen van de rechtspraak, terwijl dat wel wordt geprobeerd en vaak trouwens nobele doelstellingen dient.

Lees meer …

Sneller straffen

In een strafrecht dat normbevestiging en normherstel als doel heeft, moet niet alleen het aantal interventies omhoog en moet er anders worden gestraft; er moet ook sneller worden gereageerd op normschendingen. Slachtoffers en samenleving hebben recht op een zo prompt mogelijke reactie en daders moeten voelen dat de strafrechtelijke overheid in staat is om snel te handelen na het plegen van een misdrijf. En: “justice delayed is justice denied”. Vrij vertaald: trage rechtspraak is geen (goede) rechtspraak. Uit onderzoek bij dieren is gebleken dat alleen een onmiddellijke reactie op ongewenst gedrag effect heeft in de richting van gewenst gedrag. De mens beschikt gelukkig over een wat langer geheugen en kan verbaal worden geholpen om zich zijn wandaad te kunnen herinneren maar bij de behandeling in appel komt het toch regelmatig voor dat de verdachte zich het feit niet meer voor de geest kan halen. En ook hier geldt dus: hoe sneller hoe beter.

Lees meer …

I beg to disagree, Egbert

Een politierechter zou zich te pletter schrikken, als op een gemiddelde middagzitting ineens elke verdachte zou verschijnen. “Ik kan de kinderen niet ophalen”, “ik moet het concert laten schieten” – deze en vergelijkbare gedachten zouden paniekerig door zijn of haar hoofd schieten. Wij zijn gewend dat een fors aantal verdachten niet op de zitting komt. Ons appointeringssysteem is daarop ingericht. We proberen daaraan door de toepassing van de regels voor al of niet uitdrukkelijk gemachtigde advocaten nog een draai te geven. Maar in het algemeen doen wij veel strafzaken zonder de hoofdpersoon af.
Het is in verreweg de meeste gevallen de keuze van de hoofdpersoon, de verdachte, zelf niet naar de rechtbank te gaan. Dat kan heel bewust zijn, doordat hij na ontvangst van de dagvaarding besluit weg te blijven. Veelal heeft hij echter hooguit juridisch-technisch wetenschap van de zitting, doordat de dagvaarding – wettelijk correct – is betekend op een plek waar hij formeel woont, maar feitelijk niet verblijft.

Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief

Deze bijdrage is de eerste in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Dit deel bevat de inleiding op die waarnemingen en gaat verder in op het debat over instrumentaliteit en rechtsbescherming.

Inleiding
De discussie van alweer meer dan een kwart eeuw geleden over de positionering van het Openbaar Ministerie ging vaak over de verhouding tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming.[1] Een bepaald abstracte discussie die vooral wetenschappelijke gemoederen verdeeld hield. Op zich ging het echter wel ergens over. Als het Openbaar Ministerie tot de magistratuur gerekend mag worden en niet deformeert tot een gedeconcentreerd bestuursorgaan [2] of een uitvoeringsorganisatie van het ministerie, dan dient het Openbaar Ministerie zijn magistratelijkheid te bewaren, te behoeden en te beschermen. Juist omdat het Openbaar Ministerie geen uitvoeringsdienst is moet het Openbaar Ministerie ook de (verdachte) burger beschermen tegen de overheid, een overheid die in vroeger tijden zonder veel rechtsbescherming voor de burger opereerde. Een Openbaar Ministerie dat geen departementaal onderdeel is kan zelfs tegen die overheid optreden en loopt niet aan de leiband van de departementale betaalheren vanuit het motto: wie betaalt bepaalt. Dat was toentertijd zo ongeveer de discussie.
Sindsdien is er wel wat veranderd. Er is landelijk beleid ontstaan en er is een landelijke aansturing door het College van Procureurs-Generaal geïnstitutionaliseerd, en in de beeldvorming zijn er naar verluid ook officieren van justitie gekomen die zich als crime fighters etaleerden om de puzzels van een misdrijf op te lossen en niet zozeer als magistraten die het gezag over de politie uitoefenden en toezien op de wijze van opsporing. Ontwikkelingen die de aanvoerders van het toenmalige debat over de positionering van het Openbaar Ministerie niet vrolijk zouden hebben gestemd. Ontwikkelingen die een groeiend aantal rechters doet verzuchten dat het Openbaar Ministerie niet langer tot de magistratuur behoort.
Het is lastig deze beelden, want dat zijn het en vooralsnog niet meer, op hun waarde te schatten, temeer omdat stug bestaande en groeiende beelden het gevaar in zich meedragen een zelfstandige realiteit worden.
In mijn komende bijdragen zal ik de positie van het Openbaar Ministerie in de strafrechtspleging nader proberen te beschrijven. Ik doe dat aan de hand van enkele grensvlakken, zoals rond straf en zorg en de uitvoering van reclasseringstaken en van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Eerst een oud en een nieuw debat.

Lees meer …