Categoriearchief: Artikelen

De innige relatie tussen strafbaarstelling en strafmaxima in het verkeer en bij doodslag

Aanrijdingen met dodelijke afloop worden regelmatig met grote heftigheid bejegend, denk in het verleden aan de Porschezaak of die van de Zeeuwse motorrijder in Souburg. De laatste twee jaar ontstond forse commotie rond twee uitspraken over dodelijke ongevallen in het verkeer die volgens het publiek te licht bestraft werden. Zijn die emoties verklaarbaar en kan het anders? In mijn recente bijdrage aan Verkeersrecht heb ik stilgestaan bij de mogelijkheden om de strafoplegging meer in overeenstemming te brengen met het publieke verwachtingspatroon. Tegelijkertijd vraag ik aandacht voor het grote aantal cassaties in moordzaken waardoor de feitenrechter slechts met een relatief lichte straf de overblijvende doodslag tegemoet treedt. U vindt de bijdrage hier. Lees meer …

Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 5)

5. Verplicht burgerschap voor de (rechterlijk) ambtenaar

In dit deel breng ik de vorige vier delen samen. We moeten niet al te moeilijk doen over de opstandige menselijke omgang met regels; dat is van alle tijden. Theologie, psychiatrie en rechte worstelen met dezelfde mechanismen en wisselen regelmatig van perspectief om het menselijk samenzijn te ordenen. Organisatiekunde is nieuw, maar daarin komen vele oude wijnen in nieuwe zakken voor, maar het residu van de oude wijn bestaat vaak uit oude inzichten uit andere disciplines. Alle nieuwe disciplines als bestuurskunde ten spijt (1), is er tot op heden geen handzame benadering hoe de opstandige rechters binnen de paleizen van justitie moeten worden geconformeerd aan de nieuwe gerechtelijke koersen als tijdige rechtspraak etc. Daarover gaat dit laatste deel, in het bijzonder gekoppeld aan het derde deel waarin het belangrijkste motto gold: elke burger wordt geacht de wet te kennen. Lees meer …

Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 4)

4. Het organisatorische wetsbegrip in aanbouw

In theocratische samenlevingen werd het wereldlijk gezag gevestigd door de burger mee te geven dat hij gehoorzaamheid verschuldigd was aan de overheid die God over hem geplaatst had en de door die overheid uitgevaardigde regels. Die tijden zijn voorbij. Ik schetste dat de moderne burger veroverd moet worden voor hij zich bindt aan de gegeven regels. Hij verlangt niet meer primair toegang tot de wet te krijgen, behalve dan voor zijn eigen welbevinden, waarbij hij het eigen welbevinden veelvuldig voorstelt als algemeen belang. Voor de moderne bestuurder voorwaar geen sinecure om de laatste decennia gezag te verwerven en te behouden in een rechterlijke organisatie die onmiskenbaar door meer onvrede getekend wordt. Ik zie enkele belangrijke ontwikkelingen die de Nederlandse organisatie van de (straf)rechtspraak tekenen en die mogelijk een verklaring en oplossing voor de bestaande onvrede opleveren. Lees meer …

Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 3)

3. Juridisch burgerschap

In het recht vindt al honderden jaren een intensieve discussie plaats over de rechtskracht en zeggingskracht van de wet. Evenals theologie en psychiatrie beogen juridische wetten weinig anders dan het menselijk samenzijn te ordenen teneinde een leefbaarder gemeenschap mogelijk te maken. De oude (natuurrechtelijke) vraag is of deze wetten een dieper en zedelijker bewustzijn codificeren of dat het om meer instrumentele en modificerende ordeningsregels gaat die een overheid afvaardigt om de samenleving in een bepaalde richting te sturen. Gecodificeerde normen zouden beter worden nageleefd omdat de normadressaat ze in het eigen geweten zou hebben verankerd. Gij zult niet stelen zou zodanig aansluiten bij het morele DNA van samenleving en opvoeding dat naleving en normhandhaving minder problemen zouden veroorzaken dan bijvoorbeeld de uitwendig ordenende waarden van de voorschriften uit de EU-regelgeving.
Deze onderscheiding komt mij steeds minder scherp voor. Sinds het Mozaïsche verbod om te stelen wordt er immers voluit gestolen, van kruimelaars tot multinationals. Gecodificeerde (natuurrechtelijke) normen leiden niet a priori tot een betere naleving. Het is ook pleitbaar de focus te leggen op de ordeningsinzet van wet- en regelgever. Bij de fijnmazige en ingewikkelde structuren die een hoogontwikkelde samenleving kent is publieke ordening van rechtsbelangen en gedragingen nodig om een veilige afwikkeling van gedragingen te bereiken. Ook de Bijenwet kent een varia aan gebodsvoorschriften die slechts tot wasdom komen indien de normadressaat zich oriënteert op de spelregels van het maatschappelijke deelterrein dat hij wil betreden en die hij op grond van vakvereisten geacht wordt te kennen en zich eigen te maken. Elke jurist kent de fictie dat de burger geacht wordt de wet te kennen, maar die fictie is wel bittere ernst. Onze samenleving is opgeknipt, gefragmenteerd zo men wil, in vele deelterreinen die slechts betreden mogen worden als de normadressaat zich de normen van dat terrein eigen maakt en naleving garandeert. Deze Garantenstellung ligt ten grondslag aan de grootschalige verwerping van verweren als psychische overmacht en afwezigheid van alle schuld. De bijenimker, de weggebruiker, de verpleegkundige, de doorsnee beroepsbeoefenaar kan uit het vigerende aansprakelijkheidsbestel ternauwernood ontsnappen via een kleine escape van het stelsel van excepties. Een beroep op schuld- en strafuitsluitingsgronden slaagt zelden of nooit, mede omdat de Nederlandse rechter zoveel mogelijk eigenrichting wil tegengaan. Lees meer …

Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 2)

2. Theologische en psychiatrische betekenis van het wetsbegrip

Het ordenen van menselijke en functionele omgangsvormen en omgangsnormen is oud en veelkleurig. De oudste discipline is die van de godsdienstwetenschap, de juristerij heeft er een vertaling van gemaakt in de opeenvolgende stelsels van rechtsbetrekkingen en de psychiatrische discipline is de laatste loot aan de tak van de universele vraag naar normatieve horizontale en verticale normbindingen.

De Joodse psalmen doen verslag van de liefde voor en het verlangen van de psalmdichter naar de wet (psalm 119). Integere naleving van de wet genereert vrijmaking en verlossing van de beperkingen die de mens ondervindt in het dagelijks handelen. Die wetten waren van God gegeven. Waartoe? Niet om de mens te knechten of klein te maken. De wet beoogt in de eerste plaats ordening van het menselijk samenzijn (1). In de tweede plaats boden de verboden bij naleving uitzicht op een beter leven. Wie niet steelt of doodt leeft meer in harmonie met zijn omgeving. Deze normen vielen niet rechtstreeks in goede aarde, immers vanaf een berg gegeven, terwijl het volk liever een gouden kalf bouwde. De verboden dienden daarom gepaard te gaan met norminprenting en normhandhaving. De laatste twee waren voorbehouden aan leiders, profeten, richteren, priesters en koningen. Zij hadden een dagtaak aan het voorleven en het laten naleven van de spelregels. Verbod en voorschrift gedijden het beste bij degenen die de normen verlangden na te leven en daartoe de normen in het eigen handelen incorporeerden. Tegenwoordig beladen begrippen als schuld waren toen nog heel gewoon en betekenden niet veel anders dan dat de mens vrijwel permanent in gebreke blijft om jegens zijn volksgenoten een vreedzame houding aan te nemen. Daarmee is er schuld in de zin van tekortgeschoten verantwoordelijkheid jegens de naaste. Schuld als verbond tussen God, mens en medemens hield met vorenstaande connotatie een wederkerigheidsrelatie in: God belooft met de gegeven normen een beter leven, de mens betuigde met naleving daarvan eer aan God en medemens. Geboden en verboden als prescriptieve instrumenten voor een leefbaarder wereld, waarbij de overtreder slechts door een hernieuwd schuldverbond weer binnen de geloofsgemeenschap wordt getrokken. De zondaar moet de wet omarmen, de vrijmaking daarvan onderkennen en er naar leven. Lees meer …

Toegang tot wet en regel in (de organisatie van) het strafrecht (deel 1)

1. Inleiding

Burgers hebben het niet makkelijk. De overheid treedt terug, gedwongen door minder geld en omdat de samenleving minder maakbaar is dan in de jaren zestig werd gedroomd. Natuurlijk, elke overheidsdienst schetst nog steeds grootse vergezichten over hoe dat onderdeel klantgericht is en over enkele jaren nog beter, schoner en witter het maatschappelijk vuiltje gaat schoonwassen. Klinkende overheidsleuzen over wenselijk gedrag van burgers en normen en waarden lopen echter regelmatig vast in de modder.
In slechts enkele jaren is niet alleen de burger opstandiger en ontevredener geworden, maar ook binnen het publieke domein rommelt het. Artsen, onderwijzers en rechters maken zich druk over de werkdruk en de geringere kwaliteit die ze kunnen leveren en bovenal over dat vermaledijde management dat van die teloorgang de schuld is.
Deze situatie genereert de ironie dat burgers die ontevreden zijn met hun omgeving en met de overheid moeten worden opgevoed door ontevreden overheidsdienaren. Er wordt vaak geschreven over de ontevreden samenleving vanuit de machteloze overheid die de burgers niet in de goede richting ziet bewegen, maar het is minstens zo boeiend om te spreken over de ontevreden ambtenaar. Hoe kan de ontevreden burgerij de ‘goede’ weg worden gewezen als de ambtenaar op soortgelijke wijze klaagt over zijn eigen leiding? Lees meer …

Het organiseren van de forensische zorg in het strafrecht. Deel 3

Sinds enkele maanden woedt er een hevig debat wat te doen met het aantal verminderde TBSopleggingen en bijbehorende kliniekbedden. Door de politiek is inmiddels besloten dat 3 TBS-klinieken gesloten gaan worden. Dit heeft ertoe geleid dat bewindsman Teeven wordt verweten met een grove moker de forensische zorg te vernielen. Daarvoor wordt een keur aan
emoties ten tonele gevoerd. We zijn van mening dat het zinvoller is om het debat over goede forensische zorg niet op basis van emoties maar op basis van feiten te voeren. In dit stuk bepleiten we dat met een andere organisatie van de forensische zorg deze voor meer delinquenten beschikbaar kan komen, met betere gebruikmaking van de beschikbare wetenschappelijke kennis en met inzet van zo veel mogelijk bestaande structuur van het huidige TBS-systeem. Een aantal huidige dilemma’s kunnen met een andere organisatie opgelost worden en het zal zeer waarschijnlijk ook goedkoper zijn. Lees meer …

De (on)zin van marktwerking en kwantificering in de rechtspraak

Inleiding
Steeds vaker worden vragen gesteld over de financiering van rechtspraak en bijbehorende procedures en methodieken uit de managementwereld, zoals benchmarking. Zie alleen al het rechterlijk manifest van enkele maanden geleden waarin kritiek wordt geuit op de perverterende effecten van financiering van publieke taken als rechtspraak. Rechtspraak zou geen marktproduct zijn dat onderhorig is aan financiële sturingsmethoden. Vooreerst stel ik vast dat de rechterlijke macht in de klassieke betekenis van het woord geen marktwerking kent. Marktwerking betekent immers het in een vrije economie elkaar ontmoeten van vraag en aanbod, met vrije prijsvorming die wordt bepaald door de omvang van het aanbod afgezet tegen de omvang van de vraag, wat normaliter ook, maar niet altijd, tot competitie tussen marktspelers leidt. Een dergelijke competitie zou betekenen dat gerechten (en rechters) onderling de competitie aangaan om strafzaken binnen te halen (als aanbieders van recht). Een advocaat (of officier) zou dan vrij kunnen kiezen voor het gerecht met de hoogste juridische kwaliteit, de beste behandeling of de snelste doorlooptijd, tegen een bij het aanbod passende prijs (snel en goedkoop of van de hoogste kwaliteit en duur). Daarvoor zou de relatieve competentie moeten worden
afgeschaft en dat zie ik niet gebeuren. Hoe klein het draagvlak in de samenleving is voor vrije prijsvorming in de Rechtspraak hebben we gezien bij de discussie over kostendekkende griffierechten. Lees meer …

Kennisontwikkeling in de rechterlijke macht

Het recht is anders dan scheikunde of Spaans. De studie van de Spaanse taal of de scheikunde kan zelfstandig beoefend worden. Met het recht ligt dat anders. Het recht komt tot stand in wetten en vonnissen en dan is er ook nog de wetenschap die van beide studie maakt. Eigenlijk vormen de juridische werkgemeenschappen op de universiteit een mengeling van fundamenteel en toegepaste wetenschap. Er zijn wel onderzoeken die zich op de fundamenten van het recht richten, maar ook studies naar opzet of schuld kunnen niet om de praktische vertaling van deze leerstukken in wetten en vonnissen heen. Wie echter verwacht dat tussen wet, beleid, rechtspraak en wetenschap een bevruchtende wisselwerking plaatsvindt, zou teleurgesteld kunnen raken. Lees meer …

De rechtsstaat is een rustig bezit

Heeft de rechtsstaat te lijden onder ontwikkelingen binnen onze democratie in bredere zin?  Ondanks de verbale wapenwedloop tussen rechters, politici, gezagsdragers en vele anderen waarbij zij om het hardst schreeuwen dat het met het recht zo tobberig gesteld is, wordt het recht volgens de auteur tot tobberig gebied verklaard om het met particuliere opvattingen in de ene of in de andere richting bij te sturen. Het recht wordt juist te weinig gezien als een terrein dat tobberig en tot op zekere hoogte flexibel behoort te zijn. Volgens hem heeft de rechtsstaat nog niet direct te lijden gehad onder een veranderend democratiebegrip en onze gebrekkige debatcultuur met bijbehorende verbale kanonnades. Dromen over een betere democratie en een vage hoop over de ontwikkeling van de mensheid en van het recht, overheersen. De rechtsstaat zou intenser dan nu moeten worden geproblematiseerd, teneinde een scherper en vooral opener debat te krijgen over de invulling van recht.
Heeft de rechtsstaat te lijden onder ontwikkelingen binnen onze democratie in bredere zin? Ondanks de verbalewapenwedloop tussen rechters, politici, gezagsdragers en vele anderen waarbij zij om het hardst schreeuwendat het met het recht zo tobberig gesteld is, wordt het recht volgens de auteur tot tobberig gebied verklaard omhet met particuliere opvattingen in de ene of in de andere richting bij te sturen. Het recht wordt juist te weiniggezien als een terrein dat tobberig en tot op zekere hoogte flexibel behoort te zijn. Volgens hem heeft de rechtsstaatnog niet direct te lijden gehad onder een veranderend democratiebegrip en onze gebrekkige debatcultuurmet bijbehorende verbale kanonnades. Dromen over een betere democratie en een vage hoop over de ontwikkelingvan de mensheid en van het recht, overheersen. De rechtsstaat zou intenser dan nu moeten worden geproblematiseerd,teneinde een scherper en vooral opener debat te krijgen over de invulling van recht. Lees meer …