Auteursarchief: Willem Korthals Altes

De brief amicus curiae: niet ook maar een mening

“Wat zou jij doen, als je als rechter in een lopende procedure een schriftelijk stuk van een derde zou ontvangen met het verzoek zijn standpunt in het geding mee te wegen?” vroeg een van mijn Amerikaanse vrienden mij een tijdje geleden. Ik moest daarover even nadenken en zei toen dat ik het, afhankelijk van de inhoud, misschien naar partijen zou sturen met het verzoek hun visie daarop te geven. Maar ik voegde daaraan onmiddellijk toe dat wij hiervoor in Nederland geen regels in ons procesrecht hebben. Recent werd ik weer aan dit gesprekje herinnerd in het kader van de publiciteit over een strafzaak die nu in Den Haag speelt.
Zouden wij behoefte hebben aan de mogelijkheid tot indiening van een brief amicus curiae, zoals het zonder al te veel gevoel voor grammatica in de Angelsaksische rechtspraktijk wordt genoemd? Een amicus curiae is een figuur die men in het Romeinse recht reeds kende. Iemand die als zodanig optreedt, wil de rechter, letterlijk, als vriend van het gerecht bij het vormen van zijn oordeel helpen. In Engeland zou dit verschijnsel al in de negende eeuw zijn opgekomen en zowel in de Engelse als Amerikaanse rechtspraktijk wordt daarvan veelvuldig gebruik gemaakt. Ook op het Europese vasteland kennen wij de brief amicus curiae, in het bijzonder bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en – in een bepaalde vorm – bij het Hof voor Justitie van de Europese Unie (HJEU). Lees meer …

Samenwerken en onafhankelijkheid

Over de onafhankelijkheid van rechters wordt geregeld gesproken en is veel te zeggen. En wat het inhoudt – daarover is men het lang niet altijd eens. Het argument dat iets in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid zou zijn, wordt er nogal eens met de haren bijgesleept, vooral om te onderbouwen dat en waarom men iets niet wil. Dit speelt bijvoorbeeld als rechters zich verzetten tegen voorstellen of afspraken om samen te werken.

Neem de zitting van de meervoudige strafkamer. Drie rechters en een griffier behandelen een dag lang een aantal zaken. Zij ontvangen enkele weken tevoren (doorgaans nog steeds) een pak papier – een origineel dossier en vier kopieën (schaduwdossiers) – en moeten zich vervolgens gaan voorbereiden. Een niet zelden toegepaste praktijk is dat ieder de dossiers een paar dagen voor de zitting begint te bestuderen en dat de combigenoten elkaar kort voor het uitroepen van de eerste zaak in de rechtszaal treffen. Grote kans dat de griffier dan nog met kopieën van nagekomen of eerder niet meegekopieerde stukken uitdeelt. Even groot is de kans dat niet alle rapporten blijken te zijn aangeleverd en dat nog getuigen moeten worden gehoord.
Mogelijk begint de zitting dan al met een leespauze. Verder kan het nodige gesteggel met officier van justitie en verdediging over de onvolledigheid van het dossier worden verwacht. Aanhoudingen liggen dan ook al gauw in het verschiet. In dit traditionele model zal de voorzitter alle zaken behandelen en zijn zijn collega’s met recht bijzitters. Veel zal die dag niet worden afgehandeld en de kans is aanzienlijk dat de zitting behoorlijk zal uitlopen. Pizza’s zullen dan ook het raadkameren opgeuren. Lees meer …

Kwaliteit en babyboomers

Het veel besproken Meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak en de presidenten van de gerechten besteedt nogal wat woorden aan de noodzaak de kwaliteit van de rechtspraak op peil te houden en te verbeteren. Daartoe worden allerlei meer of minder uitgewerkte voorstellen gepresenteerd. Opvallend afwezig daarbij is het gebruik van hen die – vaak met een bagage vol kennis en ervaring – de rechterlijke macht verlaten. En dan heb ik het over degenen die daartoe vanwege hun leeftijd worden gedwongen, onze pensionados, deze en de komende jaren vooral babyboomers.
Ja, het zijn 70-plussers, maar een, ik denk toenemend, aantal van hen is nog fit en zou best op de een of andere manier een bijdrage willen blijven leveren. Dat een rechter daarop vanwege de onverbiddelijke wettelijke grens (art. 46h lid 3 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, als uitwerking van art. 117 lid 3 Grondwet) geen aanspraak heeft, is misschien nog wel te billijken. Je moet als organisatie niet in de positie terechtkomen dat je steeds senieler wordende rechters een pijnlijk zetje zou moeten geven (al speelt dat probleem helaas ook weleens op jongere leeftijd). Maar dat het helemaal niet kan, is niet alleen voor mogelijke gegadigden jammer. Het is ook iets waarmee de rechterlijke macht zichzelf tekort doet. Lees meer …

Moet de Persrichtlijn op de schop?

Onlangs moest juridisch commentator Folkert Jensma in zijn column “De Rechtsstaat” in NRC Handelsblad naar aanleiding van een bezoek van Russische rechtbankverslaggevers vaststellen dat het met de openbaarheid van onze gerechten maar zo zo is gesteld. Wie als journalist in Nederland zittingen wil bijwonen, moet allerlei bureaucratische hindernissen overwinnen. Dat wil je vandaag de dag niet graag aan Russen uitleggen.

Misschien kan Jensma enige hoop putten uit een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 maart j.l. Lees meer …

Diversiteit in de rechtspraak: een discussieavond

In december 2014 heb ik een punt achter mijn bijdragen voor Ivoren Toga gezet, omdat ik per 1 januari 2015 het strafrecht voor insolventie zou verruilen. En zo houd ik mij sindsdien met veel plezier met faillissementen en schuldsaneringen bezig. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan. Zo werd ik onlangs geprikkeld de blogtoetsen toch weer schoon te maken. Daarbij speelde ook mee dat de vaste rechterlijke inbreng in de Ivoren Toga met de overstap van Rinus Otte naar het OM was weggevallen. Gelukkig heb ik nog steeds banden met de strafrechtspleging, als voorzitter van de klachtencommissie politie eenheid Den Haag en de Nationale klachtencommissie politie en als lid van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Genoeg reden dus te proberen de lezers van deze blogs weer af en toe met stof tot nadenken te besprenkelen. Lees meer …

Het strafrecht (niet) als panacee

Nu ik de strafrechtpraktijk verlaat, voel ik mij in deze 30e en laatste bijdrage aan Ivoren Toga iets vrijer op een aantal inhoudelijke zaken in te gaan. Het gaat daarbij vooral om onderwerpen die geregeld aan lunch- en borreltafels ter sprake komen, maar waarover je je als strafrechter-in-functie niet zo gauw in het openbaar zult uiten. Uit het hiernavolgende zal, hoop ik, duidelijk worden waarom.

Ten eerste krijg je weleens de indruk dat sommigen in het strafrecht de panacee voor alle maatschappelijke problemen zien. Als kinderen elkaar treiteren, wordt geroepen dat pesten strafbaar moet worden gesteld. Als een advocaat weigert op te staan, wanneer de rechtbank de zittingzaal betreedt, moet dat als strafbaar feit in de boeken komen te staan. Als mensen links op de roltrap blijven hangen en mensen die willen doorlopen, blokkeren, wordt om een delictsomschrijving gevraagd. Iedereen kent deze en andere voorbeelden.
Maar ook bij maatschappelijke verschijnselen waarbij het strafrecht al een rol speelt, vraag je je meer dan eens af of de problemen niet op een andere manier kunnen worden opgelost. Dit speelt in het bijzonder bij gedragingen die eerder als onfatsoenlijk, onbehoorlijk, respectloos of puberaal dan als crimineel zouden moeten bestempeld. Lees meer …

De laatste loodjes (I)

Aan het eind van dit jaar verruil ik het strafrecht voor insolventie. Daarmee zal aan mijn actieve betrokkenheid bij Ivorentoga een einde komen. In mijn laatste twee bijdragen (nr. 29 en nr. 30) wil ik daarom een beetje terug- en vooruitkijken, in de eerste vooral in procedureel en organisatorisch opzicht, in de tweede meer met betrekking tot de inhoud van het strafrecht.

Een overvloed aan projecten en rapporten ten spijt is er nog heel wat werk aan de winkel, voordat alle procedures in de strafrechtketen organisatorisch bevredigend verlopen. Je kunt je soms zelfs niet aan de indruk onttrekken dat de aandacht die onze managers aan het opzetten en presenteren van projecten besteden, hen teveel van de dagelijkse werkelijkheid afleidt en verhindert dat ze eenvoudige maatregelen nemen om verbeteringen aan te brengen.
Maar daarnaast bestaan mogelijkheden wettelijke procedures aan te passen op een wijze die tot besparing van tijd zou kunnen leiden. Ik heb daarvoor in eerdere bijdragen suggesties gedaan. Zo hoop ik nog altijd dat ons wrakingssysteem overboord gaat (Lapwerk of een radicale oplossing – december 2012). Het is jammer dat ook grondig opgezette rapporten van anderen, met verwijzingen naar andere landen, (nog) niet ertoe hebben kunnen leiden dat wij beslissingen over (de schijn van) partijdigheid van rechters aan een hogere instantie overlaten. Lees meer …

Taal is o zo belangrijk

Taal is in de juristerij misschien wel het belangrijkste instrument. Mondeling of op schrift – advocaten, officieren van justitie en rechters moeten met woorden en zinnen hun standpunten en oordelen kenbaar maken. Zorgvuldig en duidelijk taalgebruik is daarbij essentieel. En dat geldt in misschien nog wel sterkere mate voor de voornaamste basis van ons werk: de wet.
Opvallend is dan ook hoe slordig wij vaak met onze taal omgaan en hoe weinig velen in ons vakgebied daarbij – kennelijk – stilstaan (of, erger, zich daarover druk maken). Nu is het soms misschien meer een kwestie van smaak. De één vindt langere zinnen mooi, waar de ander liever kort en bondig schrijft. Maar als wij met elkaar afspreken dat we archaïsche en wollige woorden zoveel mogelijk zullen vermijden, moeten wij ophouden met het gebruik van termen als “dien-tengevolge”, “desalniettemin”, “gebezigd”, “zulks”, “alwaar”, “doch”, “derhalve”, “alsmede”, “jegens” en “omtrent”, om een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen. Lees meer …

Raadkameren moet in alle rust kunnen

Hoe gedetailleerd wil je het hebben? Dat is een van de vragen die rijzen naar aanleiding van de notitie Professionele Standaarden Strafrecht, die deze zomer in concept onder de gerechten is verspreid en in november op een strafrechtersdag wordt besproken. Wil je alleen maar bepalen dat strafrechters goed zijn opgeleid en ervoor zorgen dat ze van de ontwikkelingen op hun vakgebied op de hoogte zijn (regel 1.1)? Of is het ook nodig vast te leggen dat een dagdeel – exclusief raadkamertijd – 3,5 tot 4 zittingsuren kent (regel 13 onder 2.6)? En is dat dan een voorschrift van hetzelfde niveau als de regel dat beslissingen van rechters, ook waar het om beslissingen over voorlopige hechtenis gaat, inhoudelijk worden gemotiveerd (regel 6 onder 2.8)?
“De standaarden zijn primair bedoeld ter bevordering van de kwaliteit van het werk van de rechters waarop zij elkaar onderling kunnen aanspreken. […] De standaarden hebben vooralsnog (sic!) geen externe werking.” Deze ogenschijnlijk geruststellende preambule neemt niet weg dat de notitie van de onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) fungerende voorbereidingscommissie op een enkel onderdeel tot onrust onder rechters en secretarissen aanleiding heeft gegeven. Lees meer …

Vakinhoud voorop in landelijk overleg

Met de herziening van de gerechtelijke kaart per 1 januari 2013 en de daarmee gepaard gaande verkleining van het aantal gerechten zijn ook de traditionele sectoren in de diverse vakgebieden verdwenen. Nu bestaat, als we ons tot het strafrecht beperken, doorgaans alleen een afdeling Publiek, die strafrecht èn bestuursrecht omvat. Dat heeft op zijn beurt tot gevolg gehad dat moest worden nagedacht over een andere vorm van landelijk overleg tussen de vakmatig verwante (voormalige) sectoren.
Voorheen was dat in handen van de voorzitters van die sectoren en werd het overleg LOVS, oftewel Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren, genoemd. De afkorting is nog steeds dezelfde (LOVS), maar de V staat nu voor Vakinhoud. Een belangrijke vraag is dus wie de gerechten moeten afvaardigen, nu de sectorvoorzitter niet meer bestaat en het hoofd van de afdeling (als die al bestaat), anders dan de voormalige sectorvoorzitter, geen lid van het gerechtsbestuur is. Daarover is enige tijd geleden een Startnotitie Versterking positie landelijke overleggen vakinhoud verschenen. Deze wordt in deze maanden besproken en ook aan de achterban voorgelegd. Lees meer …