Auteursarchief: Willem Korthals Altes

Het strafrecht (niet) als panacee

Nu ik de strafrechtpraktijk verlaat, voel ik mij in deze 30e en laatste bijdrage aan Ivoren Toga iets vrijer op een aantal inhoudelijke zaken in te gaan. Het gaat daarbij vooral om onderwerpen die geregeld aan lunch- en borreltafels ter sprake komen, maar waarover je je als strafrechter-in-functie niet zo gauw in het openbaar zult uiten. Uit het hiernavolgende zal, hoop ik, duidelijk worden waarom.

Ten eerste krijg je weleens de indruk dat sommigen in het strafrecht de panacee voor alle maatschappelijke problemen zien. Als kinderen elkaar treiteren, wordt geroepen dat pesten strafbaar moet worden gesteld. Als een advocaat weigert op te staan, wanneer de rechtbank de zittingzaal betreedt, moet dat als strafbaar feit in de boeken komen te staan. Als mensen links op de roltrap blijven hangen en mensen die willen doorlopen, blokkeren, wordt om een delictsomschrijving gevraagd. Iedereen kent deze en andere voorbeelden.
Maar ook bij maatschappelijke verschijnselen waarbij het strafrecht al een rol speelt, vraag je je meer dan eens af of de problemen niet op een andere manier kunnen worden opgelost. Dit speelt in het bijzonder bij gedragingen die eerder als onfatsoenlijk, onbehoorlijk, respectloos of puberaal dan als crimineel zouden moeten bestempeld. Lees meer …

De laatste loodjes (I)

Aan het eind van dit jaar verruil ik het strafrecht voor insolventie. Daarmee zal aan mijn actieve betrokkenheid bij Ivorentoga een einde komen. In mijn laatste twee bijdragen (nr. 29 en nr. 30) wil ik daarom een beetje terug- en vooruitkijken, in de eerste vooral in procedureel en organisatorisch opzicht, in de tweede meer met betrekking tot de inhoud van het strafrecht.

Een overvloed aan projecten en rapporten ten spijt is er nog heel wat werk aan de winkel, voordat alle procedures in de strafrechtketen organisatorisch bevredigend verlopen. Je kunt je soms zelfs niet aan de indruk onttrekken dat de aandacht die onze managers aan het opzetten en presenteren van projecten besteden, hen teveel van de dagelijkse werkelijkheid afleidt en verhindert dat ze eenvoudige maatregelen nemen om verbeteringen aan te brengen.
Maar daarnaast bestaan mogelijkheden wettelijke procedures aan te passen op een wijze die tot besparing van tijd zou kunnen leiden. Ik heb daarvoor in eerdere bijdragen suggesties gedaan. Zo hoop ik nog altijd dat ons wrakingssysteem overboord gaat (Lapwerk of een radicale oplossing – december 2012). Het is jammer dat ook grondig opgezette rapporten van anderen, met verwijzingen naar andere landen, (nog) niet ertoe hebben kunnen leiden dat wij beslissingen over (de schijn van) partijdigheid van rechters aan een hogere instantie overlaten. Lees meer …

Taal is o zo belangrijk

Taal is in de juristerij misschien wel het belangrijkste instrument. Mondeling of op schrift – advocaten, officieren van justitie en rechters moeten met woorden en zinnen hun standpunten en oordelen kenbaar maken. Zorgvuldig en duidelijk taalgebruik is daarbij essentieel. En dat geldt in misschien nog wel sterkere mate voor de voornaamste basis van ons werk: de wet.
Opvallend is dan ook hoe slordig wij vaak met onze taal omgaan en hoe weinig velen in ons vakgebied daarbij – kennelijk – stilstaan (of, erger, zich daarover druk maken). Nu is het soms misschien meer een kwestie van smaak. De één vindt langere zinnen mooi, waar de ander liever kort en bondig schrijft. Maar als wij met elkaar afspreken dat we archaïsche en wollige woorden zoveel mogelijk zullen vermijden, moeten wij ophouden met het gebruik van termen als “dien-tengevolge”, “desalniettemin”, “gebezigd”, “zulks”, “alwaar”, “doch”, “derhalve”, “alsmede”, “jegens” en “omtrent”, om een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen. Lees meer …

Raadkameren moet in alle rust kunnen

Hoe gedetailleerd wil je het hebben? Dat is een van de vragen die rijzen naar aanleiding van de notitie Professionele Standaarden Strafrecht, die deze zomer in concept onder de gerechten is verspreid en in november op een strafrechtersdag wordt besproken. Wil je alleen maar bepalen dat strafrechters goed zijn opgeleid en ervoor zorgen dat ze van de ontwikkelingen op hun vakgebied op de hoogte zijn (regel 1.1)? Of is het ook nodig vast te leggen dat een dagdeel – exclusief raadkamertijd – 3,5 tot 4 zittingsuren kent (regel 13 onder 2.6)? En is dat dan een voorschrift van hetzelfde niveau als de regel dat beslissingen van rechters, ook waar het om beslissingen over voorlopige hechtenis gaat, inhoudelijk worden gemotiveerd (regel 6 onder 2.8)?
“De standaarden zijn primair bedoeld ter bevordering van de kwaliteit van het werk van de rechters waarop zij elkaar onderling kunnen aanspreken. […] De standaarden hebben vooralsnog (sic!) geen externe werking.” Deze ogenschijnlijk geruststellende preambule neemt niet weg dat de notitie van de onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) fungerende voorbereidingscommissie op een enkel onderdeel tot onrust onder rechters en secretarissen aanleiding heeft gegeven. Lees meer …

Vakinhoud voorop in landelijk overleg

Met de herziening van de gerechtelijke kaart per 1 januari 2013 en de daarmee gepaard gaande verkleining van het aantal gerechten zijn ook de traditionele sectoren in de diverse vakgebieden verdwenen. Nu bestaat, als we ons tot het strafrecht beperken, doorgaans alleen een afdeling Publiek, die strafrecht èn bestuursrecht omvat. Dat heeft op zijn beurt tot gevolg gehad dat moest worden nagedacht over een andere vorm van landelijk overleg tussen de vakmatig verwante (voormalige) sectoren.
Voorheen was dat in handen van de voorzitters van die sectoren en werd het overleg LOVS, oftewel Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren, genoemd. De afkorting is nog steeds dezelfde (LOVS), maar de V staat nu voor Vakinhoud. Een belangrijke vraag is dus wie de gerechten moeten afvaardigen, nu de sectorvoorzitter niet meer bestaat en het hoofd van de afdeling (als die al bestaat), anders dan de voormalige sectorvoorzitter, geen lid van het gerechtsbestuur is. Daarover is enige tijd geleden een Startnotitie Versterking positie landelijke overleggen vakinhoud verschenen. Deze wordt in deze maanden besproken en ook aan de achterban voorgelegd. Lees meer …

Oude wijn kan nog lekker zijn

Ben ik misschien een ouderwetse strafrechter? Met andere woorden, ben ik iemand die op basis van de inhoud van het dossier zelf wil kunnen bepalen wat hij op zijn zitting behandelt? Die vindt dat zaken – zeker die met een langere adem – bij dezelfde rechter(s) moeten blijven? Die graag tijdig zijn stukken wil hebben? Die dan de gelegenheid wil hebben onvolkomenheden recht te zetten, bijvoorbeeld om een onnodige aanhouding te voorkomen? Die adequaat op verzoeken en andere berichten van de verdediging wil kunnen reageren?
Ben ik nog iemand die de taken bij de voorbereiding en behandeling van de zaken onder de leden van de combinatie wil kunnen verdelen, zodat alle vier (rechters en griffier) op tijd en gericht aan het werk kunnen en niet ieder voor zich – op het laatste moment – hetzelfde zitten te doen? Die zaken die onverhoopt toch moeten worden aangehouden, naar een niet al te ver in het verschiet liggende eigen zitting (en liefst die van de hele combinatie) wil kunnen verwijzen? Die over zaken die een langdurig onderzoek vergen, met kennis van (die) zaken met de rechter-commissaris wil kunnen bespreken? Lees meer …

Meer regie bij de zittingsrechter

Op donderdag 19 juni jl. had in de Rijtuigenloods in Amersfoort een boeiende bijeenkomst plaats waar onder auspiciën van het ministerie van Veiligheid en Justitie uitgebreid over een op handen vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering werd gediscussieerd. Vertegenwoordigers van alle betrokken en geïnteresseerde instanties (politie, OM, ZM, advocatuur, wetenschap etc.) spraken in veelal in heuse rijtuigen gehouden werkgroepen over een veelheid van aspecten die in de strafrechtpraktijk aan de orde komen. Een principiële verandering van ons systeem is niet de inzet, wel de herschikking van de bijna 600 artikelen die ons uit 1926 stammende wetboek inmiddels rijk is. Lees meer …

Schoenmaker blijf bij je leest!

Na de reactie van collegablogger en strafpleiter Peter Plasman op mijn blog over de liegende verdachte nu mijn respons op zijn column over de verklaringsvrijheid van de verdachte, als de media diens beeld en geluid opnemen. De situatie die Plasman beschrijft, is een typisch gevolg van het hardnekkige misverstand dat de voorzitter van een strafzitting heeft te bepalen of een verdachte zich radio- en/of tv-opnames van “zijn” zitting moet laten welgevallen. De meest recente versie van de door de Raad voor de rechtspraak uitgevaardigde Persrichtlijn kent de voorzitter deze bevoegdheid toe, maar op grond waarvan eigenlijk? Lees meer …

Kan die vuilniszak ook mee?

Het is een ochtend in mei. In mijn agenda staat “PR GPS ECO CVOM”: een zitting van de economische politierechter met digitale dossiers, aangeleverd door de landelijke organisatie van het OM. Dat betekent dat ik vooral met vuilniszakken te maken krijg. Zijn ze niet op het verkeerde moment op straat gezet? Zijn ze niet ten onrechte naast een container geplaatst? Kortom, situaties waarmee elke burger te maken heeft en waarover de economische politierechter in al zijn wijsheid mag oordelen.

In het verleden konden wel zeventig van dit soort zak(k)en op een ochtend- of middagzitting staan. Toen moest iedereen die het OM met een boete wilde bestraffen en die deze niet meteen wilde betalen, voor de rechter worden gedaagd. Dat zo’n zitting uiteindelijk niet enorm uitliep, was aan de geringe opkomst te danken: de meeste verdachten namen niet de moeite voor een vuilniszak naar de rechtbank te komen. Het regende dan ook veroordelingen bij verstek.
Maar wie wel kwam, had niet zelden een redelijk verhaal. Bij het opsporen en vervolgen van dit soort zaken wilde het nog weleens misgaan: formaliteiten waren niet in acht genomen, het bewijs dat het de zak van de verdachte was, kwam niet uit de verf, de container was defect, etc. Lees meer …

Stop het liegen wel – een reactie

Eindelijk een keer een intelligente reactie op een blog, en van iemand die de praktijk van het strafrecht als weinig anderen kent. Daarmee wordt tenminste bereikt wat ik met mijn proefballonetjes probeer uit te lokken: debat! Ik hoop dat anderen dit voorbeeld zullen volgen.

Nu de inhoud.
Volgens mij is het onjuist te stellen dat een verdachte een verklaringsvrijheid heeft en dus niet meer zou mogen liegen, als hij op de zitting alleen onder ede mag verklaren. Hij heeft het recht te weigeren aan zijn veroordeling en de levering van het bewijs daarvoor mee te werken. Dat wordt onder meer vertaald in zijn recht op vragen geen antwoorden te geven en geen verklaring af te leggen. Dat recht blijft onverminderd in stand. Lees meer …