Auteursarchief: Willem Korthals Altes

Tijd voor echte professionalisering

Tot in de jaren ’80 van de afgelopen eeuw konden zelfs in wat toen grote rechtbanken waren, belangrijke besluiten makkelijk met alle rechters worden afgestemd en was elke rechter redelijk dicht bij het beleid en de gang van zaken betrokken. De president besliste niet alleen over vrijwel alles wat in het gerecht gebeurde, maar behandelde ook zaken, veelal kortgedingen. Aan spraakmakende zaken (en uitspraken of zittingspraktijken) ontleenden sommige presidenten hun landelijke bekendheid.
Binnen de rechtbanken heersten naast een min of meer vanzelfsprekende hiërarchie overzichtelijke sociale verhoudingen, mede doordat de rechters doorgaans uit dezelfde maatschappelijke kring (het rode en het blauwe boekje) voortkwamen. Voor nieuwe rechters was het daarom geen enkel probleem op dezelfde manier te werken en zich op dezelfde wijze als hun ervaren collega’s te gedragen. Verder was het (externe) gezag van rechters en hun organisatie onaantastbaar. En het woord “productiecijfers” moest nog worden uitgevonden.
In die sfeer bestond weinig ruimte voor – maar ook relatief weinig behoefte aan – dissident gedrag of afwijkende meningen. Wie iets wilde wat niet met de heersende opinie overeenkwam, kon worden geconfronteerd met “dat moesten we maar niet doen”. En wie zich in een onbewaakt ogenblik niet volgens de erkende normen gedroeg, mocht niet verbaasd zijn, als hem “zo gaan we niet met elkaar om” werd toegeworpen. De wereld van rechters bestond verder voornamelijk uit mannen. Hoe dan ook was ondenkbaar dat vrouwen president werden. Lees meer …

Laten we stoppen met onnodig aangeven

“X is 85 jaar geworden.” Zo eindigt een bericht vaak, als in een nieuwsjournaal op de radio kond van het overlijden van een meer of minder bekende persoon wordt gedaan. Het is een soort plechtig ritueel dat bij dit soort mededelingen standaard in acht wordt genomen. Op dezelfde manier lijkt het tegenwoordig met de melding “X heeft aangifte gedaan” of “X overweegt aangifte te doen” te gaan. Dit hoor je, als zich een – mogelijk strafbaar – feit heeft voorgedaan en het slachtoffer vindt dat daartegen moet worden opgetreden. Het lijkt wel of (het bericht van) het doen van aangifte net als (de mededeling over) de bereikte leeftijd een vast ritueel is geworden. Lees meer …

Een onzalig plan

We bevinden ons op een willekeurige dag in 2019 in een zittingzaal in een willekeurige rechtbank in Nederland. Aan de orde is een zware mishandeling, gepleegd in de nachtelijke uren in het uitgaansgebied van een grote Nederlandse provincieplaats. Het slachtoffer is vreselijk toegetakeld en zal daarvan de rest van zijn leven de gevolgen ondervinden. Na langdurig politieonderzoek is uiteindelijk een man aangehouden. Hij staat nu als verdachte terecht, maar ontkent met volle overgave dat hij de dader is. Uit de behandeling van de feiten door de voorzitter van de Meervoudige Kamer blijkt dat het bewijs ook allerminst voor het oprapen ligt. Het zou best weleens vrijspraak kunnen worden, denken kenners in de zaal. Lees meer …

Schikken op de zitting ook in strafzaken?

Afgelopen zomer sprak de Nederlandse Juristen Vereniging (NJV) over de vele soorten procesvormen die ons rechtssysteem rijk is. Vraag was in het bijzonder of allerlei procedures niet aan vernieuwing, vervanging of afschaffing toe zijn. Daarbij kwam met name aan de orde of geschillen op een andere wijze dan door middel van een vonnis de wereld uit moeten worden geholpen. Opvallend was dat dit voornamelijk bij civiel- en bestuursrecht uitvoerig werd besproken, maar veel minder in het kader van het strafrecht. Toch zou ook daar vaker dan nu eraan kunnen worden gedacht zaken anders dan (alleen) door het nemen van een beslissing af te doen. Lees meer …

Een ieder wordt geacht de wet te kennen

De wetsregel die de Nederlanders waarschijnlijk het beste kennen, is artikel 461 Wetboek van Strafrecht. Althans, iedereen weet van de vele bordjes in onze bossen en duinen dat deze bepaling bestaat. Het overgrote deel van de bevolking zal ook nog wel begrijpen dat artikel 461 iets met verboden toegang te maken heeft. Weinigen zullen echter een idee hebben van wat er precies in staat. (En ik weet niet of kennis daarvan bijvoorbeeld onderdeel van de voor immigranten verplichte inburgeringscursus vormt.) Lees meer …

Buiten redelijke twijfel als nieuw criterium?

In het kader van de operatie “Modernisering van Strafvordering” wordt de mogelijkheid besproken de inmiddels ruim 90 jaar oude bewijsstandaard te wijzigen. De gedachte zou dan zijn in het nieuwe wetboek de formule “buiten redelijke twijfel” in te voeren. Er is weinig fantasie voor nodig vast te stellen dat dit een vertaling van de Engelse term “beyond reasonable doubt” vormt. Vraag is wat het voor onze strafrechtpraktijk zou kunnen betekenen.

In vonnissen en arresten staat tegenwoordig meestal dat de rechter “wettig en overtuigend” bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarmee wordt de toepassing van de nu in artikel 338 Wetboek van Strafvordering (Sv) opgenomen bewijsstandaard beoogd. Wie deze bepaling goed leest, weet dat die veel gebruikte formule onjuist is. In artikel 338 staat, geparafraseerd in minder archaïsch Nederlands, dat de rechter het uitsluitend tot een bewezenverklaring kan komen, als het (geleverde) wettige bewijs hem ervan heeft overtuigd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Met andere woorden, volgens artikel 338 moet je eerst bepalen of het wettig bewijs er is (en, bijvoorbeeld, of aan het wettig bewijsminimum is voldaan). Vervolgens dien je te vast te stellen of je op grond van dat wettig bewijs ervan overtuigd bent dat de verdachte het tenlastegelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan. Kortom, eerst wettig bewijs en dan pas daarna en daaruit de overtuiging. Er is niet zo iets als “wettig bewijs en overtuigend bewijs”. De nevenschikking die de formule “wettig en overtuigend” suggereert, is dan ook onjuist. (En hoe vaak hoor je niet: “Ik heb wel de overtuiging, maar niet het bewijs.”) Lees meer …

Recht schokkende bevindingen

We vreesden en wisten het natuurlijk eigenlijk allang, maar nu is het ook “officieel”: beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis worden onvoldoende gemotiveerd. Op basis van een studie van 300 dossiers (50 bij ieder van vier rechtbanken en 50 bij ieder van twee gerechtshoven, verspreid over het land) concludeert het College voor de rechten van de mens in een rapport van maart 2017 (Tekst en uitleg) dat het in onze rechtspraak schort aan de wijze waarop de motivering van de voorlopige hechtenis er in de praktijk uitziet, en aan de verhouding tussen die praktijk en de relevante mensenrechten. Het College doet in zijn rapport een aantal aanbevelingen waarmee hierin verbetering kan worden gebracht. Lees meer …

I beg to disagree, Egbert

Een politierechter zou zich te pletter schrikken, als op een gemiddelde middagzitting ineens elke verdachte zou verschijnen. “Ik kan de kinderen niet ophalen”, “ik moet het concert laten schieten” – deze en vergelijkbare gedachten zouden paniekerig door zijn of haar hoofd schieten. Wij zijn gewend dat een fors aantal verdachten niet op de zitting komt. Ons appointeringssysteem is daarop ingericht. We proberen daaraan door de toepassing van de regels voor al of niet uitdrukkelijk gemachtigde advocaten nog een draai te geven. Maar in het algemeen doen wij veel strafzaken zonder de hoofdpersoon af.
Het is in verreweg de meeste gevallen de keuze van de hoofdpersoon, de verdachte, zelf niet naar de rechtbank te gaan. Dat kan heel bewust zijn, doordat hij na ontvangst van de dagvaarding besluit weg te blijven. Veelal heeft hij echter hooguit juridisch-technisch wetenschap van de zitting, doordat de dagvaarding – wettelijk correct – is betekend op een plek waar hij formeel woont, maar feitelijk niet verblijft. Lees meer …

Moet groepsbelediging echt strafbaar blijven?

Het is jammer dat het onlangs in de Tweede Kamer besproken initiatiefvoorstel tot het schrappen van artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr) door allerlei politieke en maatschappelijke verwikkelingen in een verkeerd daglicht was komen te staan en mede als gevolg daarvan werd afgeschoten. Voor de afschaffing van die bepaling, die belediging van een aantal groepen mensen strafbaar stelt, was en is namelijk best iets te zeggen. Aan het begin van deze eeuw heb ik er al een keer voor gepleit (in: Opgehaalde schouders en lange tenen: Moet belediging van groepen strafbaar blijven? In: A.W. Hins en A.J. Nieuwenhuis (red.), Van ontvanger naar zender, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.M. de Meij – Otto Cramwinckel Uitgever 2003). Veel van de argumenten die toen opgingen, gelden vandaag de dag nog steeds. Lees meer …

De brief amicus curiae: niet ook maar een mening

“Wat zou jij doen, als je als rechter in een lopende procedure een schriftelijk stuk van een derde zou ontvangen met het verzoek zijn standpunt in het geding mee te wegen?” vroeg een van mijn Amerikaanse vrienden mij een tijdje geleden. Ik moest daarover even nadenken en zei toen dat ik het, afhankelijk van de inhoud, misschien naar partijen zou sturen met het verzoek hun visie daarop te geven. Maar ik voegde daaraan onmiddellijk toe dat wij hiervoor in Nederland geen regels in ons procesrecht hebben. Recent werd ik weer aan dit gesprekje herinnerd in het kader van de publiciteit over een strafzaak die nu in Den Haag speelt.
Zouden wij behoefte hebben aan de mogelijkheid tot indiening van een brief amicus curiae, zoals het zonder al te veel gevoel voor grammatica in de Angelsaksische rechtspraktijk wordt genoemd? Een amicus curiae is een figuur die men in het Romeinse recht reeds kende. Iemand die als zodanig optreedt, wil de rechter, letterlijk, als vriend van het gerecht bij het vormen van zijn oordeel helpen. In Engeland zou dit verschijnsel al in de negende eeuw zijn opgekomen en zowel in de Engelse als Amerikaanse rechtspraktijk wordt daarvan veelvuldig gebruik gemaakt. Ook op het Europese vasteland kennen wij de brief amicus curiae, in het bijzonder bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en – in een bepaalde vorm – bij het Hof voor Justitie van de Europese Unie (HJEU). Lees meer …