Auteursarchief: Willem Korthals Altes

Een ieder wordt geacht de wet te kennen

De wetsregel die de Nederlanders waarschijnlijk het beste kennen, is artikel 461 Wetboek van Strafrecht. Althans, iedereen weet van de vele bordjes in onze bossen en duinen dat deze bepaling bestaat. Het overgrote deel van de bevolking zal ook nog wel begrijpen dat artikel 461 iets met verboden toegang te maken heeft. Weinigen zullen echter een idee hebben van wat er precies in staat. (En ik weet niet of kennis daarvan bijvoorbeeld onderdeel van de voor immigranten verplichte inburgeringscursus vormt.) Lees meer …

Buiten redelijke twijfel als nieuw criterium?

In het kader van de operatie “Modernisering van Strafvordering” wordt de mogelijkheid besproken de inmiddels ruim 90 jaar oude bewijsstandaard te wijzigen. De gedachte zou dan zijn in het nieuwe wetboek de formule “buiten redelijke twijfel” in te voeren. Er is weinig fantasie voor nodig vast te stellen dat dit een vertaling van de Engelse term “beyond reasonable doubt” vormt. Vraag is wat het voor onze strafrechtpraktijk zou kunnen betekenen.

In vonnissen en arresten staat tegenwoordig meestal dat de rechter “wettig en overtuigend” bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarmee wordt de toepassing van de nu in artikel 338 Wetboek van Strafvordering (Sv) opgenomen bewijsstandaard beoogd. Wie deze bepaling goed leest, weet dat die veel gebruikte formule onjuist is. In artikel 338 staat, geparafraseerd in minder archaïsch Nederlands, dat de rechter het uitsluitend tot een bewezenverklaring kan komen, als het (geleverde) wettige bewijs hem ervan heeft overtuigd dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
Met andere woorden, volgens artikel 338 moet je eerst bepalen of het wettig bewijs er is (en, bijvoorbeeld, of aan het wettig bewijsminimum is voldaan). Vervolgens dien je te vast te stellen of je op grond van dat wettig bewijs ervan overtuigd bent dat de verdachte het tenlastegelegde feit ook daadwerkelijk heeft begaan. Kortom, eerst wettig bewijs en dan pas daarna en daaruit de overtuiging. Er is niet zo iets als “wettig bewijs en overtuigend bewijs”. De nevenschikking die de formule “wettig en overtuigend” suggereert, is dan ook onjuist. (En hoe vaak hoor je niet: “Ik heb wel de overtuiging, maar niet het bewijs.”) Lees meer …

Recht schokkende bevindingen

We vreesden en wisten het natuurlijk eigenlijk allang, maar nu is het ook “officieel”: beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis worden onvoldoende gemotiveerd. Op basis van een studie van 300 dossiers (50 bij ieder van vier rechtbanken en 50 bij ieder van twee gerechtshoven, verspreid over het land) concludeert het College voor de rechten van de mens in een rapport van maart 2017 (Tekst en uitleg) dat het in onze rechtspraak schort aan de wijze waarop de motivering van de voorlopige hechtenis er in de praktijk uitziet, en aan de verhouding tussen die praktijk en de relevante mensenrechten. Het College doet in zijn rapport een aantal aanbevelingen waarmee hierin verbetering kan worden gebracht. Lees meer …

I beg to disagree, Egbert

Een politierechter zou zich te pletter schrikken, als op een gemiddelde middagzitting ineens elke verdachte zou verschijnen. “Ik kan de kinderen niet ophalen”, “ik moet het concert laten schieten” – deze en vergelijkbare gedachten zouden paniekerig door zijn of haar hoofd schieten. Wij zijn gewend dat een fors aantal verdachten niet op de zitting komt. Ons appointeringssysteem is daarop ingericht. We proberen daaraan door de toepassing van de regels voor al of niet uitdrukkelijk gemachtigde advocaten nog een draai te geven. Maar in het algemeen doen wij veel strafzaken zonder de hoofdpersoon af.
Het is in verreweg de meeste gevallen de keuze van de hoofdpersoon, de verdachte, zelf niet naar de rechtbank te gaan. Dat kan heel bewust zijn, doordat hij na ontvangst van de dagvaarding besluit weg te blijven. Veelal heeft hij echter hooguit juridisch-technisch wetenschap van de zitting, doordat de dagvaarding – wettelijk correct – is betekend op een plek waar hij formeel woont, maar feitelijk niet verblijft. Lees meer …

Moet groepsbelediging echt strafbaar blijven?

Het is jammer dat het onlangs in de Tweede Kamer besproken initiatiefvoorstel tot het schrappen van artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr) door allerlei politieke en maatschappelijke verwikkelingen in een verkeerd daglicht was komen te staan en mede als gevolg daarvan werd afgeschoten. Voor de afschaffing van die bepaling, die belediging van een aantal groepen mensen strafbaar stelt, was en is namelijk best iets te zeggen. Aan het begin van deze eeuw heb ik er al een keer voor gepleit (in: Opgehaalde schouders en lange tenen: Moet belediging van groepen strafbaar blijven? In: A.W. Hins en A.J. Nieuwenhuis (red.), Van ontvanger naar zender, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.M. de Meij – Otto Cramwinckel Uitgever 2003). Veel van de argumenten die toen opgingen, gelden vandaag de dag nog steeds. Lees meer …

De brief amicus curiae: niet ook maar een mening

“Wat zou jij doen, als je als rechter in een lopende procedure een schriftelijk stuk van een derde zou ontvangen met het verzoek zijn standpunt in het geding mee te wegen?” vroeg een van mijn Amerikaanse vrienden mij een tijdje geleden. Ik moest daarover even nadenken en zei toen dat ik het, afhankelijk van de inhoud, misschien naar partijen zou sturen met het verzoek hun visie daarop te geven. Maar ik voegde daaraan onmiddellijk toe dat wij hiervoor in Nederland geen regels in ons procesrecht hebben. Recent werd ik weer aan dit gesprekje herinnerd in het kader van de publiciteit over een strafzaak die nu in Den Haag speelt.
Zouden wij behoefte hebben aan de mogelijkheid tot indiening van een brief amicus curiae, zoals het zonder al te veel gevoel voor grammatica in de Angelsaksische rechtspraktijk wordt genoemd? Een amicus curiae is een figuur die men in het Romeinse recht reeds kende. Iemand die als zodanig optreedt, wil de rechter, letterlijk, als vriend van het gerecht bij het vormen van zijn oordeel helpen. In Engeland zou dit verschijnsel al in de negende eeuw zijn opgekomen en zowel in de Engelse als Amerikaanse rechtspraktijk wordt daarvan veelvuldig gebruik gemaakt. Ook op het Europese vasteland kennen wij de brief amicus curiae, in het bijzonder bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en – in een bepaalde vorm – bij het Hof voor Justitie van de Europese Unie (HJEU). Lees meer …

Samenwerken en onafhankelijkheid

Over de onafhankelijkheid van rechters wordt geregeld gesproken en is veel te zeggen. En wat het inhoudt – daarover is men het lang niet altijd eens. Het argument dat iets in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid zou zijn, wordt er nogal eens met de haren bijgesleept, vooral om te onderbouwen dat en waarom men iets niet wil. Dit speelt bijvoorbeeld als rechters zich verzetten tegen voorstellen of afspraken om samen te werken.

Neem de zitting van de meervoudige strafkamer. Drie rechters en een griffier behandelen een dag lang een aantal zaken. Zij ontvangen enkele weken tevoren (doorgaans nog steeds) een pak papier – een origineel dossier en vier kopieën (schaduwdossiers) – en moeten zich vervolgens gaan voorbereiden. Een niet zelden toegepaste praktijk is dat ieder de dossiers een paar dagen voor de zitting begint te bestuderen en dat de combigenoten elkaar kort voor het uitroepen van de eerste zaak in de rechtszaal treffen. Grote kans dat de griffier dan nog met kopieën van nagekomen of eerder niet meegekopieerde stukken uitdeelt. Even groot is de kans dat niet alle rapporten blijken te zijn aangeleverd en dat nog getuigen moeten worden gehoord.
Mogelijk begint de zitting dan al met een leespauze. Verder kan het nodige gesteggel met officier van justitie en verdediging over de onvolledigheid van het dossier worden verwacht. Aanhoudingen liggen dan ook al gauw in het verschiet. In dit traditionele model zal de voorzitter alle zaken behandelen en zijn zijn collega’s met recht bijzitters. Veel zal die dag niet worden afgehandeld en de kans is aanzienlijk dat de zitting behoorlijk zal uitlopen. Pizza’s zullen dan ook het raadkameren opgeuren. Lees meer …

Kwaliteit en babyboomers

Het veel besproken Meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak en de presidenten van de gerechten besteedt nogal wat woorden aan de noodzaak de kwaliteit van de rechtspraak op peil te houden en te verbeteren. Daartoe worden allerlei meer of minder uitgewerkte voorstellen gepresenteerd. Opvallend afwezig daarbij is het gebruik van hen die – vaak met een bagage vol kennis en ervaring – de rechterlijke macht verlaten. En dan heb ik het over degenen die daartoe vanwege hun leeftijd worden gedwongen, onze pensionados, deze en de komende jaren vooral babyboomers.
Ja, het zijn 70-plussers, maar een, ik denk toenemend, aantal van hen is nog fit en zou best op de een of andere manier een bijdrage willen blijven leveren. Dat een rechter daarop vanwege de onverbiddelijke wettelijke grens (art. 46h lid 3 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, als uitwerking van art. 117 lid 3 Grondwet) geen aanspraak heeft, is misschien nog wel te billijken. Je moet als organisatie niet in de positie terechtkomen dat je steeds senieler wordende rechters een pijnlijk zetje zou moeten geven (al speelt dat probleem helaas ook weleens op jongere leeftijd). Maar dat het helemaal niet kan, is niet alleen voor mogelijke gegadigden jammer. Het is ook iets waarmee de rechterlijke macht zichzelf tekort doet. Lees meer …

Moet de Persrichtlijn op de schop?

Onlangs moest juridisch commentator Folkert Jensma in zijn column “De Rechtsstaat” in NRC Handelsblad naar aanleiding van een bezoek van Russische rechtbankverslaggevers vaststellen dat het met de openbaarheid van onze gerechten maar zo zo is gesteld. Wie als journalist in Nederland zittingen wil bijwonen, moet allerlei bureaucratische hindernissen overwinnen. Dat wil je vandaag de dag niet graag aan Russen uitleggen.

Misschien kan Jensma enige hoop putten uit een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 maart j.l. Lees meer …

Diversiteit in de rechtspraak: een discussieavond

In december 2014 heb ik een punt achter mijn bijdragen voor Ivoren Toga gezet, omdat ik per 1 januari 2015 het strafrecht voor insolventie zou verruilen. En zo houd ik mij sindsdien met veel plezier met faillissementen en schuldsaneringen bezig. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan. Zo werd ik onlangs geprikkeld de blogtoetsen toch weer schoon te maken. Daarbij speelde ook mee dat de vaste rechterlijke inbreng in de Ivoren Toga met de overstap van Rinus Otte naar het OM was weggevallen. Gelukkig heb ik nog steeds banden met de strafrechtspleging, als voorzitter van de klachtencommissie politie eenheid Den Haag en de Nationale klachtencommissie politie en als lid van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Genoeg reden dus te proberen de lezers van deze blogs weer af en toe met stof tot nadenken te besprenkelen. Lees meer …