Auteursarchief: Rinus Otte

Een lerende rechterlijke organisatie

Inleiding
Nieuwsgierig, leergierig, een lerende organisatie, individuen en organisaties zijn bezig met leren. Van de wieg, leren kruipen, lopen, praten en uiteindelijk (hopelijk leren) sterven. Hoe gaat dat leren in zijn werk en kun je dat leren?

Er wordt veel geschreven over leren, meestal in relatie tot kwaliteit, een serieuze organisatie heeft onderwijskundigen en bedrijfskundigen in dienst die een kennismanagementsysteem in het leven roepen, ontwikkelen en onderhouden. Soms zijn er kwaliteitssystemen, zoals INK en RechtspraaQ (waarde lezer, even googelen), die na enkele jaren een stille dood sterven. Die zachte dood is door de organisatieleiding niet gewenst, maar kon worden voorzien omdat de meeste professionals nauwelijks enige sympathie voelen voor dit soort organisatiemodellen. Toch is een van bovenaf opgelegd leermodel niet weg te denken uit een organisatie als die van de rechterlijke macht. Er is een SSR, er zijn PE-punten en nog veel meer. Of de magistraten echter de wekelijks verschijnende Nederlandse Jurisprudentie bijhouden is de vraag, en nog meer of en hoe ze nieuwe rechtspraak, wet- en regelgeving verwerken in hun dagelijkse werk is nog meer de vraag. Ik bedoel dat niet cynisch, we weten het domweg niet. Het helpt evenmin om te bezien welke rechter of officier van justitie de meeste vrijspraken of aanhoudingen ‘scoort’. Vrijspraken kunnen onterecht zijn, en zelfs als de cassatierechter een vrijspraak intact laat, kan het goed zijn dat de voorliggende casus en de opeenvolgende rechtsoordelen de rechtsontwikkeling hebben bevorderd.
Beelden als dat het huidige kennisniveau slechter is dan vroeger, dat de huidige magistraat zijn of haar vak minder goed verstaat dan de vroegere magistraten, beroeren noch overtuigen mij. We kunnen ternauwernood overzien wanneer zich een breuklijn in een ontwikkeling voordoet, wel dat er veel minder zijn dan we in onze bestaande emoties menen.
Als we loskomen van beelden over kwaliteit, en of deze af- of toeneemt, kan er wel iets preciezer worden geschreven over onze juridische en magistratelijke kennisontwikkeling.

Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie Deel 3. Versterking van de positie van het OM. Vragen over klassieke, nieuwe taken en schaarste

Deze bijdrage is de derde in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Het eerste deel vindt u hier, het tweede deel hier.

Een substantieel deel van de officieren van justitie is minder bezig met concrete strafzaken, maar met beleid of gemeentelijke of landelijke preventie of andersoortige opsporingstaken. Het preventieve deel, zoals in ZSM, is nog niet direct als instrumentaliteit te beschrijven, maar juist bedoeld om mensen uit het strafrecht te houden. Dat eenzijdige beeld van de toenmalige debataanvoerders ’t Hart en Foqué, zoals ik dat in het eerste deel van deze serie schetste, is dus illusoir gebleken. Toch is het goed om het fundament van het strafrecht nog eens te bezien en te beoordelen of de positionering van het OM aan herijking toe is of niet. Ik doe dat aan de hand van een klassieke insteek, die van het straf- en vergeldingsbegrip.

Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie deel 2. Krijgsgeschiedenis en de oorlog om schaarste

Deze bijdrage is de tweede in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Het eerste deel vindt u hier.

Historisch besef biedt soms uitkomst in het begrijpen van een langere ontwikkeling. Tussen generaal Eisenhower en zijn militaire top bestonden tot aan het eind van de tweede wereldoorlog grote spanningen. Voor en na D-day op 6 juni 1944 kolkten de ruzies tot grote hoogte. De aard van de spanningen werd door veel waarnemers teruggevoerd op de vermeende ijdelheid van de Engelse Montgomery en de Amerikaanse Patton, maar zoals helaas te vaak gebeurt werd het toenmalige conflict versmald tot personen. Het conflict was veel boeiender en actueler dan dat. De legeraanvoerders te velde verweten Eisenhower dat hij een bureaustrateeg was die nooit de kruitdampen had meegemaakt. De ruzies gingen over het gezag over de grondtroepen en over het tempo waarin de verschillende legergroepen optrokken en wie daarin (eind)verantwoordelijkheid mocht dragen. Dit sturingsconflict vertaalde zich tot in de marsorders. De Britse legerleiding schetste tot in detail hoe de manoeuvres dienden te verlopen, terwijl de Amerikaanse legertop de operaties veel minder dicht regelden en meer overlieten aan de creativiteit van uitvoerende commandanten als Patton en Bradley. De legeraanvoerders te velde waren immers veel beter op de hoogte van de situatie op de slagvelden. Als de aanvoerder niet voldeed, werd hij vervangen. Voor de Britse aansturing was evenwel ook wel wat te zeggen. Montgomery wist nog uit de eerste wereldoorlog hoeveel menselijke verliezen er mogelijk waren, uit ervaring was hij zuinig met zijn manschappen om welke reden hij meer sturingsinvloed wilde houden op de operationele keuzen te velde. Verder waren de aanvoerlijnen met hun specifieke bevoorradingseisen, zoals in elke oorlog, van grote betekenis. Niet dat sommige legercommandanten zich daar iets van aantrokken. Van Patton werd wel gezegd dat hij toch bleef oprukken om zodoende nieuwe troepen en materiaal af te dwingen.

Lees meer …

De positionering van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief

Deze bijdrage is de eerste in een serie bijdragen waarin een aantal waarnemingen worden gedaan over de positie van het Openbaar Ministerie in historisch perspectief. Dit deel bevat de inleiding op die waarnemingen en gaat verder in op het debat over instrumentaliteit en rechtsbescherming.

Inleiding
De discussie van alweer meer dan een kwart eeuw geleden over de positionering van het Openbaar Ministerie ging vaak over de verhouding tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming.[1] Een bepaald abstracte discussie die vooral wetenschappelijke gemoederen verdeeld hield. Op zich ging het echter wel ergens over. Als het Openbaar Ministerie tot de magistratuur gerekend mag worden en niet deformeert tot een gedeconcentreerd bestuursorgaan [2] of een uitvoeringsorganisatie van het ministerie, dan dient het Openbaar Ministerie zijn magistratelijkheid te bewaren, te behoeden en te beschermen. Juist omdat het Openbaar Ministerie geen uitvoeringsdienst is moet het Openbaar Ministerie ook de (verdachte) burger beschermen tegen de overheid, een overheid die in vroeger tijden zonder veel rechtsbescherming voor de burger opereerde. Een Openbaar Ministerie dat geen departementaal onderdeel is kan zelfs tegen die overheid optreden en loopt niet aan de leiband van de departementale betaalheren vanuit het motto: wie betaalt bepaalt. Dat was toentertijd zo ongeveer de discussie.
Sindsdien is er wel wat veranderd. Er is landelijk beleid ontstaan en er is een landelijke aansturing door het College van Procureurs-Generaal geïnstitutionaliseerd, en in de beeldvorming zijn er naar verluid ook officieren van justitie gekomen die zich als crime fighters etaleerden om de puzzels van een misdrijf op te lossen en niet zozeer als magistraten die het gezag over de politie uitoefenden en toezien op de wijze van opsporing. Ontwikkelingen die de aanvoerders van het toenmalige debat over de positionering van het Openbaar Ministerie niet vrolijk zouden hebben gestemd. Ontwikkelingen die een groeiend aantal rechters doet verzuchten dat het Openbaar Ministerie niet langer tot de magistratuur behoort.
Het is lastig deze beelden, want dat zijn het en vooralsnog niet meer, op hun waarde te schatten, temeer omdat stug bestaande en groeiende beelden het gevaar in zich meedragen een zelfstandige realiteit worden.
In mijn komende bijdragen zal ik de positie van het Openbaar Ministerie in de strafrechtspleging nader proberen te beschrijven. Ik doe dat aan de hand van enkele grensvlakken, zoals rond straf en zorg en de uitvoering van reclasseringstaken en van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Eerst een oud en een nieuw debat.

Lees meer …

Pleidooi voor ritualisering in de strafrechtsbeoefening

In een schitterende biografie van Thomas More van Peter Ackroyd beschrijft de biograaf in het elfde hoofdstuk hoe de kerkgang rond 1500 plaatsvond. Een drukte van jewelste, volk dat zich verdringt op verschillende plaatsen in de kerk waar de hostie wordt getoond, het moment suprême van de eredienst. Zijn beschrijvingen zijn zo levendig dat het beschrevene zich als het ware aan je oog voltrekt. De kerk, het beleden en gevisualiseerde geloof, worden getoond, meegemaakt, beleefd en geconsumeerd. Er is sprake van rituelen die geworteld zijn in oude tradities en de gelovigen krijgen dat ook mee. Inmiddels bijkans twee millennia in het latijn, met een priester die met de rug naar de gelovigen zijn devotie tot uitdrukking brengt richting het altaar en die ook zelf onderhorig is aan het geheimnisvolle dat zich op dat moment voltrekt. De beschrijvingen raakten en ontroerden mij op een wijze die ik aanvankelijk alleen duidde door de verhalende schrijfstijl. Bij nader inzien denk ik dat ik ook geraakt werd door het conflict in tijdbeeld. Rituelen en tradities worden anno 2016 niet per definitie koesterend beschreven, het is niet voor niets dat geschreven wordt over rituele dansen en ritualisering, wat meestal borg staat voor afkeurenswaardig of onwaarachtig. Ik denk daar anders over en meen dat rituelen een samenbindend vermogen hebben, in brede zin, maar zeker ook in het recht. Ook het strafrecht wordt gekenmerkt door rituelen. Bij de bewijsvoering gaat het niet langer om de kroon van de bekentenis maar om zaken als het verhoren van getuigen en verdachten en sporenonderzoek. Dat verhoor wordt steevast voorafgegaan door de cautie, waarbij de verdachte wordt meegegeven dat hij niet hoeft te verklaren. Voor veel toehoorders of verhoorders mogelijk een rituele dans (geworden), maar een waarachtig ritueel als gedurende het verhoor zoveel mogelijk wordt vermeden een onaanvaardbare druk uit te oefenen. Het ritueel van de cautie leert daarmee ook iets over de intentionele gerichtheid van de toepasser, alsof het geven van de cautie ook een eigen voornemen is.

Lees meer …

De economische bestuurlijking van het publieke domein. Zin in en zingeving van werk

Oplopende spanningen in de organisatie van het vak
Vrijdag 25 november 2016 verscheen in Trouw een interview met de bekende en gerenommeerde hoogleraar sociologie Christien Brinkgreve over zingeving van werk. Ze vertelt hoe zij opbrandde bij haar derde universiteit omdat ze als hoogleraar opliep tegen de wijze van organiseren en de afwezige ruimte voor individuele hoogleraren. Het is een bekend en treurig verhaal uit duizenden. Vele werknemers branden op en het systeem waarbinnen ze werken wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden. Het thema speelt breed binnen het publieke domein en dus ook binnen de rechterlijke organisatie.

Lees meer …

Bijzonder beroepsstrafrecht: bijzondere functies en bijzondere rechtsbelangen

1. Probleemstelling rond bijzonder beroepsstrafrecht, verkeer en gezondheidszorg
Van oudsher hebben we bijzonder strafrecht ontworpen voor bijzondere situaties, waarbij we denken dat het gewone, commune, strafrecht bedoeld is voor wetten die verankerd zijn in ons geweten, zoals het verbod iemand te doden, te stelen en zo verder.
Het strafrecht dat voorkomt in bijzondere wetten is meestal ordeningsrecht. Het zijn wetten en regels die een overheid uitvaardigt om een samenleving in een bepaalde richting te sturen, te modificeren, waarvan we weten dat burgers dat niet direct uit zichzelf kunnen of zullen doen. Deze ordeningsregels kunnen gaan over fosfaatuitstoot of over de wijze waarop achteruitkijkspiegels op bosbouwtrekkers moeten worden gemonteerd. Ogenschijnlijk talloze economische en milieuregels worden geflankeerd door de meer bekende verkeersregels.
Het is niet altijd helder in welk materieelrechtelijk domein of in welk handhavingsdomein die regels worden geplaatst. Niet alle sturingsregels worden rechtstreeks gehandhaafd door middel van het strafrecht. Het komt nog vaker voor dat de immense hoeveelheid gedragsvoorschriften in interne, al dan niet internationale, protocollen zijn neergelegd. Het strafrecht komt dan alleen met vangnetbepalingen in beeld als er iemand door niet naleving van deze ‘interne’ regels overlijdt of ernstig letsel of gevaar van ondervindt. Artikel 307 Wetboek van Strafrecht, dat culpoos gedrag verbiedt ten gevolge waarvan iemand overlijdt, biedt dan uitkomst. De bewijsconstructie wordt in die gevallen gebouwd op bijvoorbeeld overtreding van die interne luchtvaart- of ziekenhuisprotocollen waarvan voor de overtreder voorzienbaar was dat schending kan leiden tot ernstige gevolgen.
Soms zijn bijzondere gedragsvoorschriften wel strafrechtelijk van aard, zoals de verkeersregels, maar wordt de handhaving ter hand genomen door het administratieve recht en komt het strafrecht alleen in beeld als de verkeersovertreding gevaar, letsel of dood ten gevolge heeft.
Ook is niet gezegd dat waar het strafrecht in beeld komt de strafrechter de corrigerende autoriteit is. Het corrigeren van de burger, het richten van de samenleving, is in snel groeiende mate onttrokken aan de strafrechter omdat de wetgever sinds decennia ook andere corrigerende instituties, zoals het Openbaar Ministerie als onderdeel van de rechterlijke organisatie of bestuursorganen, geschikt acht om in te grijpen. Daarmee is het klassieke strafrecht, met een strafbedreiging hoger dan zes jaar, gereserveerd voor de strafrechter, daarbuitenom is het overgrote deel van correctie van misdragingen voorbehouden aan anderen.
Het is niet ongebruikelijk bijzondere misdragingen op te hangen aan het beschermde rechtsbelang, meestal het leven, en vervolgens te oordelen of er niet hogere strafmaxima op overtreding nodig zijn of een intensievere handhaving. Zie mijn vorige bijdrage over de scherp tekortschietende verkeershandhaving.
In dit opstel wil ik een andere invalshoek beproeven en het zoeklicht richten op de functionaliteit van de overtreder en welke rol het strafrecht daarin kan vervullen. Is de misdraging te koppelen aan de functie, de beroepsuitoefening van de overtreder en welke handhavingsautoriteit komt daarin het strafrecht en in het bijzonder het Openbaar Ministerie toe? Vanwege de diversiteit van het ordeningsrecht moet ik me beperken en zal ik ingaan op twee domeinen, in de eerste plaats het verkeer, in het bijzonder de handhaving van gedragsregels in de luchtvaart, en in de tweede plaats de gezondheidszorg, in het bijzonder de gang van zaken rond euthanasiewetgeving.
Nota bene. In deze bijdrage wordt het bijzonder strafrecht ruimer getypeerd dan bijzondere wetten.

Lees meer …

Verkeershandhaving. Man, ga boeven vangen

1. Inleiding: Man, ga boeven vangen
Van doorsnee burger, politieman tot politicus vindt men flitspalen en trajectcontroles een kwalijke zaak. Te hard gereden op een snelweg waar toch nooit wat gebeurt en dan een tijd later een bekeuring op de mat met een veel te hoog geldbedrag, het voelt als het spekken van de schatkist. De overheid is dan ook voor een kleine miljard Euro spekkoper aan makkelijke boetes. Dit maatschappelijk brede gevoel leidt ook tot boosheid richting die enkele verkeerspolitie man of vrouw die een verkeersovertreder staande houdt en een bekeuring geeft. Man, ga boeven vangen is een veelgehoorde uitlating. Dat gegeven zou verklaren waarom burgers en politici boos worden over bepaalde typen verkeershandhaving. Dit opstel bestrijkt de misvattingen over de verkeersregels die sinds 1945 mede ten grondslag lagen aan de 100.000 verkeersdoden op de Nederlandse wegen.

Lees meer …

Toezicht op strafvordering

1. Inleiding: openheid, transparantie en toezicht
Anno 2016 wordt overheidsoptreden vaak besproken in termen van openheid, transparantie en toezicht. Mede vanwege geclaimde openheid en transparantie is bijvoorbeeld de Wet Openbaarheid van Bestuur in zwang. Zodanig dat er soms vele tientallen medewerkers per organisatie bezig zijn om verzoeken van burgers te beantwoorden, waarin meer vragen worden gesteld dan beantwoord lijken te kunnen worden. De documenten die gevraagd worden leveren niet altijd het verlangde inzicht op, maar ze moeten allemaal geanonimiseerd worden voor ze gescand en verzonden worden. Sommige bureautjes halen hier hun inkomsten uit, want elke termijnoverschrijding levert geld op. Het schijnt dat de nieuwe WOB-wetgeving blokkades tegen dit soort zinloos ogende werkverschaffing gaat opleveren.

Lees meer …

Datamining en een datagestuurde strafvordering

1. Inleiding. Behoeften aan controle op de ‘onderwereld’ en noodzaak tot realistisch beleid
De wereld die wij zien voelt als een soep en in zekere zin is dat misschien ook wel zo, we weten niet wat er onder de oppervlakte drijft en beweegt. Dat gevoel transformeert continu in een gevoel van zekerheid als we denken iets meer te zien en te weten wat zich onder het oppervlak bevindt. De participerende waarnemer gaat met behulp van zijn nieuw vergaarde ‘feiten’ aan de slag om de ervaren werkelijkheid te herscheppen, te resetten in de richting van wat op dat moment wenselijk wordt geacht. Dat noemen we vaak innovatie, creativiteit, scheppingstalent. Maar zijn het de feiten die blootgelegd worden waarna met behulp van deductie, theorievorming, beleid en implementatie het herscheppen plaatsvindt of wordt de tevoren omlijnde uitkomst opgeleukt met geselecteerde feiten die relevant worden geacht om tot bouwstenen voor de innovatie te dienen?[1]

Lees meer …