Auteursarchief: Rick Robroek

Het geven van ‘tekst & uitleg’ bij rechtspraak door de rechtspraak. Verstandig of niet?

Op 6 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3450) deed de Hoge Raad een principiële uitspraak over de vraag of een gerechtsbestuur zich mag uitlaten over de inhoud van uitspraken van rechters gewezen in het gerecht waaraan dat bestuur leiding geeft. Het antwoord dat de Hoge Raad gaf was duidelijk: een dergelijke toelichting is in strijd met de Wet op de rechterlijke organisatie. De motivering daarbij was als volgt:

“In de eerste plaats is uitgangspunt dat, zoals dat pleegt te worden verwoord, de rechter door zijn vonnis spreekt. De kenbron van een rechterlijke beslissing is het vonnis of de beschikking van de rechter, waarin de rechter zijn beslissing duidelijk onder woorden brengt en van een motivering voorziet. Procespartijen en derden moeten het daarmee doen. Het ligt niet op de weg van een rechter zijn eigen beslissing, als die eenmaal is vastgesteld en bekend gemaakt, van commentaar te voorzien of te verduidelijken, en ook niet om vragen over de betekenis van de beslissing of van onderdelen van de daarvoor gegeven motivering, te beantwoorden (…). In de tweede plaats, en voor een deel in het verlengde van het voorgaande, ligt het hoe dan ook niet op de weg van een gerechtsbestuur om uitleg te geven aan rechterlijke beslissingen die gegeven zijn door rechters in het gerecht met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering waarvan dat gerechtsbestuur is belast. Zoals art. 23 lid 2 RO voorschrijft, behoren gerechtsbesturen niet te treden in de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak. Het is dan ook onwenselijk dat een gerechtsbestuur op verzoek van een partij of een derde, of eigener beweging, aan een rechterlijke beslissing een uitleg geeft of anderszins commentaar daarop geeft dat als een authentieke interpretatie daarvan zal worden opgevat.” Lees meer …

Het rapport Elias en de strafrechtspraak. Kwaliteit, innovatie én digitalisering: kan dat wel?

Onlangs presenteerde de parlementaire onderzoekscommissie Elias haar rapport over ICT-projecten bij de overheid. Bij lezing van het rapport is er een zin die bij mij bleef hangen en dat is een van de tien zogenaamde BIT-regels die de commissie de lezer van het rapport in de inleiding meegeeft. Deze tien regels worden door de commissie “boerenverstand”-regels genoemd waaraan elke ICT-project van de overheid getoetst zou moeten worden. Deze toets zou dienen te worden verricht door het nog op te richten landelijke Bureau ICT-toetsing (BIT). Ten aanzien van de regels wordt overwogen dat deze er voor dienen te zorgen dat de projectbeginselen op orde zijn en dat de opdrachtgever goed geeft nagedacht voordat hij een project start. Dat alles onder de vlag van nog zo’n boerenadagium: “Een goed begin is immers het halve werk”. “En hoe simpel dat ook klinkt, uit het onderzoek van de commissie is gebleken dat juist op dit punt het meeste misgaat”, aldus de commissie Elias. Lees meer …

Rechtspraak in de tropen

Een bezoek aan een strafzitting in een ander land blijft verhelderend en opent waar ter wereld de ogen. Of het nu dichtbij is, of veraf. Daarbij moet niet te lichtvaardig geoordeeld en vergeleken worden. Ieder land kent zijn eigen historische en culturele gegevenheden van waaruit de rechtspraak is gegroeid. Dat neemt niet weg dat de ontmoeting met andere rechtspraktijken altijd zorgt voor reflecties op eigen vanzelfsprekendheden. Afgelopen maand bezocht ik een kantonzitting van mr. A. Johanns in Paramaribo. Een bijzondere en leerzame ervaring. Niet in de laatste plaats bijzonder omdat zo veel hetzelfde was als de rechtspleging zoals we die in Nederland gewoon zijn, maar dan bij temperaturen boven de 35 graden en een luchtvochtigheid van 80%. Nederlandstalige rechtspraak in de tropen dus. Evenals in Nederland neemt iedereen elkaar de maat. Een openbaar ministerie dat vurig zijn zaak bepleit, advocaten die bij kansrijke zaken kritisch zijn, maar zich bij kansloze zaken refererend beperken tot de strafmaat en een rechter die zowel tot een directe veroordeling als tot opheffing van de voorlopige hechtenis komt. Zo op het eerste gezicht weinig vreemds in de tropen, waarbij ook in Suriname het vertrouwen in de rechtspraak het hoogst lijkt van alle overheidsinstanties. Daarbij zij aangetekend dat Suriname met een groot tekort aan rechters kampt (14 fulltime rechters op pakweg 500.000 inwoners in Suriname tegen een dikke 2200 fte rechters – zonder plaatsvervangers en dus met in acht neming van de in deeltijd werkzame rechters – op een kleine 17 miljoen inwoners in Nederland, dat wil zeggen een kleine 64 rechters op pakweg 500.000 inwoners). En juist dat tekort gaat de komende jaren dwingen tot veel nieuwe presidentiële rechtsbenoemingen. De toekomst zal moeten uitwijzen in hoeverre de onafhankelijkheid afdoende gewaarborgd blijft, maar Suriname laat vooralsnog zien dat de kwaliteit van de rechtspraak niet direct staat of valt met een regime dat in rechtstatelijke zin binnen en buiten het eigen land de nodige vraagtekens oproept. Lees meer …

Het noodzakelijkheidscriterium vanaf 1 juli 2014: balanceren tussen niet vooringenomen (b)lijken en helder motiveren

Na bijdragen over het verdedigingsbelang en de doorwerking van tijdigheid en motivering van getuigenverzoeken bij de beoordeling daarvan, komt in deze voorlopige laatste bijdrage over getuigenverzoeken het noodzakelijkheidscriterium aan bod.

In het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2014:1496 vallen om te beginnen voor de hand liggende, maar daarmee niet minder belangrijke, overwegingen over het noodzakelijkheidscriterium te lezen: het criterium is gerelateerd aan de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak en dat betekent dat ‘bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang [is] of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek’. Lees meer …

Kent het niet tijdig opgeven en motiveren van getuigenverzoeken vanaf 1 juli 2014 een (nog hogere) strafvorderlijke prijs?

In mijn vorige bijdrage heb ik uitgebreid aandacht besteed aan de wijze waarop de Hoge Raad het verdedigingsbelang vanaf 1 juli 2014 lijkt te willen invullen. Ik gaf toen reeds aan dat de Hoge Raad in zijn arresten van 1 juli 2014 ook ten aanzien van andere aspecten meer dan slechts een overzicht heeft lijken te willen bieden van de stand van het recht. De Hoge Raad heeft de bestaande jurisprudentie willen herijken en die herijking zou over een aantal jaren wel eens als een trendbreuk kunnen worden gezien. Naast de scherpere toets van het verdedigingsbelang zouden andere trendbreuken kunnen liggen op hetgeen aan tijdigheid en motivering van de verzoeken verlangd wordt. Ook ten aanzien van de invulling van het noodzaakcriterium in relatie tot het aannemelijk maken van een alternatief scenario valt naar aanleiding van de nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad het nodige interessants te concluderen. Dat thema wil ik bewaren voor mijn (voorlopig) derde en laatste bijdrage over getuigenverzoeken de volgende maand. Nu enkele bespiegelingen rond de thema’s tijdigheid en motivering. Lees meer …

Het verdedigingsbelang vanaf 1 juli 2014: komt er een einde aan kostenverslindende, voor getuigen emotioneel belastende en weinig rendabele getuigenverhoren?

Onlangs wees de Hoge Raad meer dan een handvol arresten over de beoordeling van door de verdediging gedane getuigenverzoeken. Te beginnen met een overzichtsarrest (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496) waarin over hetgeen van de verdediging mag worden verwacht ter onderbouwing van het verdedigingsbelang het volgende werd overwogen:

‘Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.’ Lees meer …

De kwaliteit in het zonnetje: een pleidooi voor verbinding en zachtheid!

De rechtspraak heet al jaren een lerende organisatie te zijn. Volgens velen komt daar echter nog maar weinig van terecht. Er valt niet zelden te horen dat er vanuit de organisatie te beperkt aandacht geschonken wordt aan kwaliteitsaspecten. In eerste instantie verbaast dat gevoelde tekort aan kwaliteitsaandacht. Er wordt gedurende het jaar behoorlijk wat overzichten verstrekt van de laatste jurisprudentie van de Hoge Raad of van de stand van het recht omtrent een materieel of formeelrechtelijke leerstuk. Dat gebeurt via interne bulletins, interne cursussen en colleges, studiedagen en de mogelijkheid om cursussen te volgen bij de SSR. Teveel om allemaal te kunnen onthouden eigenlijk en zo beschouwd is er eerder een teveel dan een tekort aan aandacht voor de kwaliteit. Lees meer …

Magistratelijke outsourcing: de secretaris als verlengde arm van rechter en officier

Collegablogger Korthals Altes stelt in zijn laatste bijdrage een belangrijk punt aan de orde. Waarom moeten hoogbetaalde officieren van justitie, rechters en griffiers (en om nog maar te zwijgen over de dure zittingscapaciteiten) zich bezig houden met zaken ten aanzien waarvan op voorhand kan worden vastgesteld dat die niet tot een veroordeling kunnen leiden? Helemaal in lijn van dit blog komt Korthals Altes tot de slotsom dat de daarmee gemoeide tijd en financiën heel wat nuttiger kunnen worden ingezet. Zijn analyse is dat dergelijke inefficiëntie kan worden voorkomen als de beslissing over het wel of niet dagvaarden niet wordt genomen door een secretaris, maar door een officier van justitie. Daarmee sluit hij aan op de bredere roep tot eigenaarschap van rechter en officier van justitie. Die roep is terug te voeren op de oratie van Otte uit 2009 en vindt de afgelopen tijd weerklank in stukken van de NVvR, de Taskforce ZM-OM, het KEI-project en in uitgesproken bijdragen in een hoorzitting van de eerste kamer over toekomst van de rechtspleging. Het lijkt er op dat in het oorspronkelijke pleidooi van Otte wel meer de samenwerking tussen secretaris en rechter centraal wordt gesteld, terwijl de rol van de secretaris (zowel bij OM als ZM) in de recente pleidooien onzichtbaarder is geworden en een te grote rol van die secretaris zelfs als een van de oorzaken wordt gezien van de huidige problemen in de strafrechtspleging. Lees meer …

Digitaal werken in de verkeerstoren

In mijn vorige bijdrage sprak ik over de juridische mogelijkheden die de rechter in de verkeerstoren ten dienste staan om actief en activerend op te treden. Deze keer wil ik me richten op de digitale mogelijkheden die er ten behoeve van de verkeerstoren zijn. Omdat de verkeerstoren de verkeersstromen van de strafdossiers gaat managen ligt het voor de hand me daarbij te richten op het door Spir-IT ontwikkelde programma Divos. Divos staat voor ‘Digitale voorziening strafzaken’ en is een applicatie op basis waarvan rechters en hun ondersteuning, maar ook de beide procespartijen digitaal het dossier tot zich kunnen nemen. Daargelaten de cultuurverandering die op dit punt nog zal moeten worden bewerkstelligd, ligt Divos organisatorisch en technisch behoorlijk op stoom. Pakweg 80% van de politierechterzaken worden digitaal voorbereid en behandeld en voor wie het nog niet heeft gezien: vat iemand die wat met Divos in uw buurt te maken heeft in de kraag en gaat het zien. Het is een handzaam mooi programma dat het bestuderen van digitale dossiers goed mogelijk maakt. De applicatie zelf staat in ieder geval niet aan verdere digitalisering van het strafproces in de weg. Lees meer …

De actieve en activerende strafrechter in de verkeerstoren

Naar aanleiding van het rapport van de Taksforce OM-ZM zijn (als het goed is) de lokale parketten en gerechten druk bezig met het opzetten van verkeerstorens. Binnen die verkeerstorens gaan OM en ZM op de zogenaamde koppelvlakken samenwerken teneinde de bestaande problemen bij de afdoening van strafzaken te voorkomen. Een van de grootste problemen is het aantal zaken waarin de behandeling niet kan doorgaan terwijl dat gemakkelijk had kunnen worden voorkomen. Denk aan aanhoudingen omdat een tolk niet is opgeroepen, een gedetineerde verdachte niet (tijdig) wordt aangevoerd of nader onderzoek in de vorm van het horen van getuigen noodzakelijk wordt geacht. De ingeroosterde rechters, officier van justitie en griffier kunnen hun werk niet doen waardoor hun werklast stijgt en kostbare zittingsfaciliteiten ongebruikt blijven. Slachtoffers zijn voor niets gekomen en moeten nog langer wachten op het rechterlijk oordeel en hetzelfde geldt voor de verdachte, die in het ergste geval nog langer voorlopige hechtenis moet ondergaan. In deze bijdrage wil ik me richten op (het voorkomen van) de laatst genoemde categorie aanhoudingen. Lees meer …