Auteursarchief: Rick Robroek

Een spiegel voor de rechtspraak

Deze bijdrage vormt een bewerking van de inleiding die Rick Robroek hield op de gerechtsvergadering van de Rechtbank Noord-Nederland op 9 mei 2017 met als thema ‘Kijk naar je eigen!’. De andere inleiding werd verzorgd door Herman Tjeenk Willink en zal binnenkort te lezen zijn op dit blog.

Laat ik mijn inleiding beginnen met twee vragen: zou een discussie over de wijze waarop professionals hun werk als professional moeten verrichten over geld moeten gaan? Of anders gezegd: vindt u dat we het vandaag over geld moeten hebben? Ik denk dat iedereen het over eens is dat dat niet het geval zou moeten zijn. Ik onderschrijf die stelling en ik zal u zo vertellen waarom.

Lees meer …

Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten

In zijn blog van dinsdag 14 maart 2017 bespreekt Peter Lemaire enkele onderdelen van mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’ en gaat hij in het bijzonder in op mijn standpunt ten aanzien van de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en andere regelingen die door het LOVS worden vastgesteld. Pas gepromoveerd op het spanningsveld tussen rechter en zijn gerechtsbestuurder is het altijd plezierig om van een rechter, oud-gerechtsbestuurslid én oud-voorzitter van het LOVS de instemming te lezen bij veel van wat in mijn onderzoek aan de orde komt. Zo is dat ook (en nadrukkelijk) ten aanzien van mijn laatste stelling bij het proefschrift: perfectie haalt de kwaliteit weg. Die stelling vormt echter tegelijkertijd de bal die Lemaire mij terugkaatst waar het gaat om het door mij ingenomen standpunt over de LOVS-regelingen. Ook dat is plezierig. Een proefschrift schrijf je juist om dit soort ballen teruggekaatst te krijgen.

Lees meer …

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting.

Lees meer …

Hoe rechtsstatelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Sinds 2002 kent de Nederlandse rechtspraak een financieringsmodel waarin een groot deel van de organisatie van de rechtspraak bekostigd wordt op basis van – kort gezegd – de uitstroom van zaken vermenigvuldigd met een tarief per zaak dat driejaarlijks wordt vastgesteld. Op dat model oefent de Raad voor de rechtspraak sinds dit jaar fundamentele kritiek uit. Dat begon met de nieuwjaarstoespraak van Frits Bakker, de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, en werd in mei gevolgd door het van zijn hand afkomstige jaarbericht dat een onderdeel vormt van het jaarverslag van de rechtspraak over het jaar 2015.[1] Deze kritiek kreeg voor de zomer een uitgebreide onderbouwing in een op 17 juni 2016 in het NJB verschenen artikel van Kees Sterk en Frans van Dijk, respectievelijk vice-voorzitter en directeur van de Raad voor de rechtspraak.[2] Het verkondigen van dit (voor zover ik kan overzien: nieuwe) standpunt komt niet op een toevallig moment omdat er thans onderhandeld wordt over de prijzen voor het tijdvak 2017-2019. En het is vooral de wijze van vaststelling van die prijzen waarop de kritiek zich richt. De verwijten aan de regering zijn ernstig. De wet zou worden overtreden bij de financiering van de rechtspraak en dat zou de rechterlijke en institutionele onafhankelijkheid aantasten. In deze bijdrage beproef ik de vraag of dat verwijt terecht is. Omdat hun bijdrage de meest uitgebreide en meest onderbouwde is en ik er vanuit ga dat Sterk en Van Dijk namens de Raad voor de rechtspraak spreken, richt ik me in het bijzonder op hun artikel.

Lees meer …

Naar een schriftelijk strafproces in hoger beroep

Iedere deelnemer aan het strafproces wenst in iedere aanleg een goede en zorgvuldige zaaksbehandeling. Daargelaten dat wat goed en zorgvuldig is voor ieder van die deelnemers verschillend zal zijn, zal iedereen het met mij eens zijn dat voor een goede en zorgvuldige behandeling middelen ter beschikking moeten worden gesteld. Ik zou zeggen dat de beschikbare middelen afhankelijk zijn van bredere politiek keuzes om ook andere kerntaken van de overheid (denk aan zorg en onderwijs) goed te financieren. Hoe dan ook lijkt het verstandig de voor de strafrechtspraak beschikbare middelen daar in te zetten waar ze vanuit strafvorderlijk oogpunt het meeste effect sorteren. Vanuit die gedachte zou ervoor gekozen kunnen worden om het zwaartepunt te leggen bij de behandeling in eerste aanleg. De herinneringen zijn dan nog het meest vers zodat het zowel in bewijstechnische zin als voor de normbevestiging vooral daar moet gebeuren. Het hoger beroep zou vervolgens minder als herkansing en meer als herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten kunnen worden benut. Deze benadering (die natuurlijk meer uitwerking vergt dan een kort opiniërend blog kan bieden) brengt met zich dat in eerste aanleg alles uit de kast wordt gehaald om (onder meer) bovengenoemde strafvorderlijke doelen ten aanzien van bewijs en normbevestiging optimaal te dienen. Daarbij passen geen rechtbankrechters die zichzelf beschouwen als een eerste filter in de rechterlijke strafketen en ervan uitgaan dat het hof wel de puntjes op de i zet (hoewel daar bij hoven die hoe dan ook alles over doen en rechtbankvonnissen standaard vernietigen zonder meer begrip voor valt op te brengen). Wat er wel bij past, zijn hofrechters die zorgen voor een voortvarende en voortbouwende behandeling in hoger beroep. Wanneer immers het zwaartepunt in eerste aanleg ligt, moet de controle daarop ter verwezenlijking van eerder genoemde strafvorderlijke doelen snel gebeuren. Die snelheid heeft nog een andere belangrijk voordeel: het maakt mogelijk middelen vrij voor de eerste aanleg en zorgt er in ieder geval voor dat ook andere zaken voortvarend kunnen worden afgedaan (met als een soort Droste-effect dezelfde voordelen).

Lees meer …

Een onderbelicht rapport over de zwaarte van zaken in de strafrechtspraak

Het is even zoeken op de website van de rechtspraak, maar afgelopen augustus al verscheen als Research Memorandum van de Raad voor de Rechtspraak het rapport ‘Ontwikkeling zaakzwaarte 2008-2014’. Na berichten over de hoge werkdruk binnen de rechterlijke macht, de onrust over een andere verdeling van de zaakspakketten (in de media ten onrechte vertaald als de ‘sluiting’ van zeven rechtbanken) en het zoeken naar extra geld voor de rechtspraak op de justitiebegroting, is de conclusie in dat rapport tamelijk verrassend. Er kan volgens het rapport namelijk niet worden geconcludeerd dat zaken in de afgelopen zes jaar zwaarder zijn geworden.[1] Het is jammer dat de belangwekkende conclusies in dit rapport vooralsnog onderbelicht zijn gebleven omdat de zwaarte van zaken in de discussie over wat de rechtspraak nog aan kan een wezenlijke rol speelt.[2] Het wordt als één zo niet de belangrijkste verklaring genoemd voor de toename van de werkdruk.

Lees meer …

Hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de strafrechter bij de betekening?

Een verdachte heeft het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Een van de waarborgen om dat recht te bewerkstelligen is dat bij aanvang van de behandeling van een zaak beoordeeld wordt of de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.

Het doel van de betekeningsregeling is de verdachte in kennis te stellen van de behandeling van zijn strafzaak en hem of haar op die manier in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn.[1] Omdat die inspanningsverplichting een voorwaarde is om de behandeling van een strafzaak aan te vangen, is de betekeningsregeling er op gericht het kennis geven van de strafzaak aan de verdachte zo snel en efficiënt mogelijk te laten geschieden. Dit geldt eens temeer daar de verdachte het recht heeft op een behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn. Een recht dat ook slachtoffers en de samenleving toekomt. Nietigverklaring van de dagvaarding of het moeten aanhouden van de behandeling van een strafzaak omdat er sprake is van een betekeningsgebrek, leidt er toe dat een verdachte langer op de behandeling van zijn strafzaak moet wachten. Én, wanneer sprake is van een structureel probleem op dit punt, werkt die vertraging door in andere strafzaken. Rechterlijke en gerechtelijke capaciteit kan immers maar eenmaal worden ingezet. De wens om betekeningsgebreken niet te vaak in de weg te laten staan aan het aanvangen met de behandeling van de zaak heeft de wetgever er in 1994 toe gebracht het GBA-adres steviger als uitgangspunt te verankeren.[2] Tot veel verandering heeft dit echter niet geleid. Het aanwezigheidsrecht bracht mee dat de Hoge Raad allerlei nuances in de betekeningsregeling heeft aangebracht en aanvullende regels heeft geformuleerd. Deze wijzigingen zijn in het overzichtsarrest van 12 maart 2002 op een rij gezet en aangevuld en die regels zijn vervolgens gecodificeerd in de artikelen 588 en 588a Sv. Betekening op het GBA-adres is nog steeds voldoende voor een rechtsgeldige betekening, maar wanneer de verdachte op enig moment in de procedure een ander adres kenbaar heeft gemaakt dient ook een afschrift naar dat adres verzonden te zijn vooraleer de behandeling van een strafzaak zonder verdachte kan worden aangevangen.[3]

Lees meer …

Waarom komt het voortbouwend appel niet van de grond?

Rick Robroek

Sinds 2007 kennen we in Nederland het voortbouwend appel:

a. het ontbreken van grieven kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep,
b. toewijzing van onderzoekswensen kan aan strengere eisen worden gebonden en
c. de feitelijke behandeling kan zich ter terechtzitting concentreren op de grieven en de onderzoekswensen van procespartijen.

Kortom er kan nog heel erg veel op het terrein van de behandeling. Daarin zou de reden gevonden kunnen worden voor het feit dat het voortbouwend appel niet de gewenste opbrengst heeft in kwaliteit (meer tegensprekelijk geding, meer nadruk op eerste aanleg) en tijd (capaciteitsbesparend). De appelrechter heeft in die redenering nog te veel ruimte.

Lees meer …

In hoger beroep verwijzen naar pleitnota uit eerste aanleg: wel of niet doen?

Wanneer na het requisitoir de advocaat het woord wordt gegeven om de verdediging te voeren, wordt er in veel zittingszalen gezucht. Rechters krijgen de pleitnotities, bladeren naar het einde om te zien hoeveel pagina’s de advocaat nodig heeft voor zijn pleidooi en slaan dan met een blik op hun horloge een diepe zucht. Die zucht is erg invoelbaar wanneer voor een zaak een uur is uitgetrokken, maar het pleidooi pas na dat uur kan aanvangen en wanneer de rechters zien dat de advocaat voor dat pleidooi tien pagina’s nodig heeft. Tel daarbij op dat de zaak ook nog eens vertraagd kan zijn begonnen en er na die zaak nog verschillende zaken op de rol kunnen staan waarin zich mogelijk hetzelfde voordoet. Op dit blog is vaak de lans gebroken voor een kort en puntig pleidooi en misschien sorteert dat ook wel het meeste effect. De invoelbaarheid van de zucht en de ineffectiviteit van een lang pleidooi laten onverlet dat de zucht in eerste aanleg procedureel onterecht is. Rechters hebben namelijk niets te maken met inhoud en lengte van het pleidooi. Ze zouden zich daar dus ook niet (non-verbaal) over moeten uitlaten. Er bestaat weliswaar geen recht op een onbeperkt durend pleidooi (zoals recent voor het hoger beroep bleek uit het hierna nog te bespreken arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2015), maar als het pleidooi langer duurt dan de planning toe laat, is dat in beginsel niet de schuld van de advocaat, maar van hun eigen planning. Dat hadden ze dan maar beter met OM en advocatuur moeten afstemmen.

Lees meer …

Het voorwaardelijk gedaan (getuigen)verzoek

Een strafrechter kan ambtshalve beslissen een getuige te horen, maar in de meeste gevallen gebeurt dat na een verzoek daartoe van de verdachte en diens advocaat. Daarbij heeft de verdediging maar één (zeer gerechtvaardigd) belang en dat is dat door het horen van een getuige de kaarten ten voordele van de verdachte worden geschud. Wanneer het gaat over de bewijsvraag dan wordt door de advocatuur vaak verwezen naar het belang van de waarheidsvinding, maar dat grote belang is natuurlijk een stuk minder relevant wanneer de rechter het horen van die getuige niet nodig acht om tot een vrijspraak te komen. Op dat moment zit niemand op het horen van een getuige te wachten: de verdediging niet omdat zijn vrijspraak dan langer op zich laat wachten, het openbaar ministerie niet omdat die op voorhand reeds geen aanleiding zag de getuige te horen en strafvorderlijk wordt het door de rechter ook niet nodig geacht. Daar kan nog een ander belang aan worden toegevoegd en dat is het belang van de getuige. Gelet op het belastende karakter van een getuigenverhoor, moet een dergelijk verhoor achterwege blijven wanneer dat door de rechter niet nodig wordt geacht.

Lees meer …