Auteursarchief: Rick Robroek

Toewijzing van getuigenverzoeken is niet meer vanzelfsprekend

Ruim voor de arresten die de Hoge Raad in juli 2014 en juli 2017 over getuigenverzoeken wees, vroeg ik me in 2013 af wanneer een einde zou worden gemaakt aan kostenverslindende en tot niets leidende getuigenverhoren. Mijn betoog kwam erop neer dat er meer gevergd zou mogen worden van de motivering van getuigenverzoeken en dat het louter willen horen in het bijzijn van de verdediging geen motivering zou moeten zijn die tot toewijzing van het getuigenverzoek zou moeten dwingen. Anders ligt het wellicht voor verzoeken tot het horen van getuigen van wie de eerder afgelegde verklaring sole or decisive evidence is. In die gevallen moet immers de getuige worden gehoord, wil de verklaring voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Ten aanzien van dergelijke getuigen zou in ieder geval bezien moeten worden in hoeverre van de verdediging verlangd zou mogen worden om in een vroeg stadium ook duidelijk te maken waarom van dergelijk bewijs sprake is. Buiten dat ging de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in mijn ogen te ver, omdat het ook gold voor de getuige ten aanzien van wie er geen enkele indicatie was dat die getuige bij het verhoor in aanwezigheid van de raadsman anders zou gaan verklaren, en tevens voor die gevallen waarin procespartijen ook niet goed weten aan te geven wat die getuige meer zou moeten worden gevraagd dan de politie al heeft gevraagd. Daarachter zat – zo schreef ik in een naschrift op een gegeven reactie op het blog – de gedachte dat ik niet inzag waarom getuigen meerdere keren met hetzelfde geconfronteerd moeten worden. Ik verwees daarbij naar de blinde Bossche strafrechter Hermans, die ooit liet optekenen dat je op basis van het waarnemen van een getuige niet kúnt vaststellen of een getuige liegt en dat rechters die dat wel denken te kunnen ontslag zouden moeten nemen. Ten slotte vroeg ik me af in hoeverre in de moeite die moet worden gedaan om een getuige in het buitenland te horen, een gerechtvaardigde reden kan worden gevonden om van het horen van een getuige af te zien. In plaats van te menen dat dit altijd moet worden geprobeerd, leek het me wijzer om te reflecteren op waar we ‘nu helemaal mee bezig zijn’. Lees meer …

De procesinleiding en de vrijheid die de strafrechter (niet) verdient

In 2015 pleitte ik op Ivorentoga om af te stappen van het systeem waarin de officier van justitie het strafdossier naar de strafrechter stuurt om een dag voor de terechtzitting te bepalen. Dit systeem zorgt er namelijk voor dat de rechter niet in staat is regie te voeren. Tussen het moment dat de strafrechter het dossier krijgt en hij de dag voor de terechtzitting moet bepalen heeft hij op grond van de wet geen moment om regie te voeren. Een dergelijk regiemoment zou de mogelijkheid kunnen creëren de verdediging het procesdossier te verstrekken en een termijn te kunnen koppelen aan het indienen van getuigenverzoeken die dan kunnen worden beoordeeld aan de hand van het lichtere criterium van het verdedigingsbelang. Dit laatste zou ervoor zorgen dat eindelijk afscheid zou kunnen worden genomen van de (ook vanuit verdedigingsoogpunt) onnodige mogelijkheid om tot 10 dagen voor de zitting om getuigen te verzoeken die alsdan beoordeeld moeten worden aan de hand van dat lichtere criterium. Lees meer …

Een kleine geschiedenis van de roekeloosheid (en hoe de Hoge Raad de wetgever dwong om de vrijheid van de feitenrechter te beperken)

Onlangs maakte de minister het conceptwetsvoorstel ‘Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ bekend. Hierin worden een aantal wijzigingen voorgesteld van de Wegenverkeerswet. Getracht wordt het grote verschil weg te nemen in strafmaximum bij (zeer) gevaarlijk rijgedrag zonder en met gevolgen (het zogenaamde ‘strafgat’) door:

1. het strafmaximum bij gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven (artikel 5 WVW 1994) te verhogen;
2. een strafbaarstelling te introduceren voor zeer gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven met een nieuw artikel 5a WVW 1994;
3. in de wet te expliciteren waar roekeloosheid bij zeer gevaarlijk rijgedrag met gevolgen (artikel 175 WVW 1994) in kan bestaan door een koppeling te maken met de voorgestelde strafbaarstelling van artikel 5a WVW 1994. Lees meer …

Het zelfvervullende karakter van de belofte van de oriëntatiepunten

Afgelopen dinsdag reageerde Lemaire op mijn bijdrage “De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan”. Het is niet de eerste keer dat Lemaire en ik discussiëren over het beschrijvende karakter van de LOVS oriëntatiepunten (Zie Lemaires bijdrage “De macht over de oriëntatiepunten” en mijn reactie daarop “Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten”).

In dit naschrift zal ik dan ook niet in herhaling vallen en verwijs ik naar mijn eerdere argumenten voor de stelling dat oriëntatiepunten niet beschrijvend kunnen zijn. De rechtspraak betoogde al ver voor dat ik die stelling innam het tegendeel. Nu is het natuurlijk de vraag wie de steller is die moet bewijzen. Zelf denk ik dat dat de rechtspraak zou moeten zijn. Zij zijn immers diegene die zonder empirisch bewijs stellen dat hun rechtspraak door de oriëntatiepunten beschreven wordt terwijl op die stelling nogal wat in te brengen valt. Wanneer een stelling argumentatief (en dus met bewijzen!) wordt weerlegd, ligt het voor de hand dat op die argumenten wordt ingegaan. Dat is nimmer gebeurd. Lees meer …

De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan

Mijn vorige bijdrage eindigde ik met de constatering dat de prestaties van de officier van justitie in de strafbeschikkingenpraktijk niet strenger zouden moeten worden beoordeeld dan de prestaties van de officier van justitie in de dagvaardingspraktijk en van de strafrechter. Dat de officier van justitie die een strafbeschikking oplegt rechterlijke kwaliteit moet leveren volgt uit de bedoeling van de wetgever. Die bedoeling komt erop neer dat het openbaar ministerie wat schuld- en strafvaststelling betreft een rechterlijk niveau dient te halen met een rechterlijke gerichtheid. In procedurele zin moet een eigen ‘staande’ procedure gevolgd worden die slechts aan minimale randvoorwaarden voldoet om het rechterlijk niveau en de rechterlijke gerichtheid te borgen. In deze bijdrage wil ik het vooral hebben over de rechterlijke gerichtheid ten aanzien van de straftoemeting. Daarbij put ik wederom op het door mij verrichte onderzoek met betrekking tot de OM-strafbeschikking dat onlangs verscheen. Lees meer …

De OM-strafbeschikking. Deel 1. Het ontbrekende bewijs van structureel onzorgvuldige schuldvaststellingen

De strafbeschikking is een vorm van strafrechtelijke conflictbeslechting die erg onder druk staat. Aangejaagd door verschillende kritische artikelen en rapporten lijkt de waardering voor de strafbeschikking niet hoog te zijn. Dat kritisch wordt omgezien naar de kwaliteit van de strafbeschikking is zonder meer terecht. Het openbaar ministerie (ik richt me in dit en een volgend blog slechts op de OM-strafbeschikking) heeft daarmee immers de mogelijkheid gekregen om datgene te doen wat tot de introductie van de strafbeschikking in 2008 het exclusieve domein van de strafrechter was: straffen. Bij die mogelijkheid hoort een zware verantwoordelijkheid: die straf is slechts dan gerechtvaardigd indien de officier van justitie tot een schuldvaststelling komt. En daar mogen hoge eisen aan worden gesteld. Lees meer …

Het motiveren van getuigenverzoeken na Schatschaschwili. Moet er meer, mag er minder of is alles bij hetzelfde gebleven?

Op 15 december 2015 deed de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (zie NJ 2017, 294 m.nt. B.E.P. Myjer). In dat arrest biedt het EHRM meer duidelijkheid over de eisen die op grond van Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk (zie NJ 2012, 283 m.nt. Schalken en Alkema) gelden voor het gebruik van verklaringen van getuigen die niet ter zitting gehoord zijn geworden. In de kern komt het arrest inzake Schatschaschwili erop neer dat aan de hand van de vragen (1) of er een gerechtvaardigde reden is voor het niet kunnen horen van de getuige, (2) of de verklaring al dan niet sole or decisive is en (3) of er voorzien is in maatregelen die compensatie bieden aan de verdediging voor het niet horen van de getuige dient te worden vastgesteld of de procedure in zijn geheel fair is te noemen. Het antwoord op de vragen sturen als het ware het oordeel over de fairness van de procedure maar dat betekent niet dat het beschouwd mag worden als een stroomschema waarin voor alle gevallen door maar de drie vragen te beantwoorden als vanzelf het antwoord volgt op de vraag of artikel 6 EVRM al dan niet geschonden is. Het EHRM benadrukt dat ‘all three steps (…) are interrelated and, taken together, serve to establish whether the criminal proceedings at issue have, as a whole, been fair’ (voor alle nuances en rijke inhoud van het arrest zie het arrest zelf en de annotatie van Meyer). Lees meer …

Een spiegel voor de rechtspraak

Deze bijdrage vormt een bewerking van de inleiding die Rick Robroek hield op de gerechtsvergadering van de Rechtbank Noord-Nederland op 9 mei 2017 met als thema ‘Kijk naar je eigen!’. De andere inleiding werd verzorgd door Herman Tjeenk Willink en zal binnenkort te lezen zijn op dit blog.

Laat ik mijn inleiding beginnen met twee vragen: zou een discussie over de wijze waarop professionals hun werk als professional moeten verrichten over geld moeten gaan? Of anders gezegd: vindt u dat we het vandaag over geld moeten hebben? Ik denk dat iedereen het over eens is dat dat niet het geval zou moeten zijn. Ik onderschrijf die stelling en ik zal u zo vertellen waarom. Lees meer …

Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten

In zijn blog van dinsdag 14 maart 2017 bespreekt Peter Lemaire enkele onderdelen van mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’ en gaat hij in het bijzonder in op mijn standpunt ten aanzien van de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en andere regelingen die door het LOVS worden vastgesteld. Pas gepromoveerd op het spanningsveld tussen rechter en zijn gerechtsbestuurder is het altijd plezierig om van een rechter, oud-gerechtsbestuurslid én oud-voorzitter van het LOVS de instemming te lezen bij veel van wat in mijn onderzoek aan de orde komt. Zo is dat ook (en nadrukkelijk) ten aanzien van mijn laatste stelling bij het proefschrift: perfectie haalt de kwaliteit weg. Die stelling vormt echter tegelijkertijd de bal die Lemaire mij terugkaatst waar het gaat om het door mij ingenomen standpunt over de LOVS-regelingen. Ook dat is plezierig. Een proefschrift schrijf je juist om dit soort ballen teruggekaatst te krijgen. Lees meer …

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting. Lees meer …