Auteursarchief: Rick Robroek

Een kleine geschiedenis van de roekeloosheid (en hoe de Hoge Raad de wetgever dwong om de vrijheid van de feitenrechter te beperken)

Onlangs maakte de minister het conceptwetsvoorstel ‘Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ bekend. Hierin worden een aantal wijzigingen voorgesteld van de Wegenverkeerswet. Getracht wordt het grote verschil weg te nemen in strafmaximum bij (zeer) gevaarlijk rijgedrag zonder en met gevolgen (het zogenaamde ‘strafgat’) door:

1. het strafmaximum bij gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven (artikel 5 WVW 1994) te verhogen;
2. een strafbaarstelling te introduceren voor zeer gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven met een nieuw artikel 5a WVW 1994;
3. in de wet te expliciteren waar roekeloosheid bij zeer gevaarlijk rijgedrag met gevolgen (artikel 175 WVW 1994) in kan bestaan door een koppeling te maken met de voorgestelde strafbaarstelling van artikel 5a WVW 1994. Lees meer …

Het zelfvervullende karakter van de belofte van de oriëntatiepunten

Afgelopen dinsdag reageerde Lemaire op mijn bijdrage “De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan”. Het is niet de eerste keer dat Lemaire en ik discussiëren over het beschrijvende karakter van de LOVS oriëntatiepunten (Zie Lemaires bijdrage “De macht over de oriëntatiepunten” en mijn reactie daarop “Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten”).

In dit naschrift zal ik dan ook niet in herhaling vallen en verwijs ik naar mijn eerdere argumenten voor de stelling dat oriëntatiepunten niet beschrijvend kunnen zijn. De rechtspraak betoogde al ver voor dat ik die stelling innam het tegendeel. Nu is het natuurlijk de vraag wie de steller is die moet bewijzen. Zelf denk ik dat dat de rechtspraak zou moeten zijn. Zij zijn immers diegene die zonder empirisch bewijs stellen dat hun rechtspraak door de oriëntatiepunten beschreven wordt terwijl op die stelling nogal wat in te brengen valt. Wanneer een stelling argumentatief (en dus met bewijzen!) wordt weerlegd, ligt het voor de hand dat op die argumenten wordt ingegaan. Dat is nimmer gebeurd. Lees meer …

De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan

Mijn vorige bijdrage eindigde ik met de constatering dat de prestaties van de officier van justitie in de strafbeschikkingenpraktijk niet strenger zouden moeten worden beoordeeld dan de prestaties van de officier van justitie in de dagvaardingspraktijk en van de strafrechter. Dat de officier van justitie die een strafbeschikking oplegt rechterlijke kwaliteit moet leveren volgt uit de bedoeling van de wetgever. Die bedoeling komt erop neer dat het openbaar ministerie wat schuld- en strafvaststelling betreft een rechterlijk niveau dient te halen met een rechterlijke gerichtheid. In procedurele zin moet een eigen ‘staande’ procedure gevolgd worden die slechts aan minimale randvoorwaarden voldoet om het rechterlijk niveau en de rechterlijke gerichtheid te borgen. In deze bijdrage wil ik het vooral hebben over de rechterlijke gerichtheid ten aanzien van de straftoemeting. Daarbij put ik wederom op het door mij verrichte onderzoek met betrekking tot de OM-strafbeschikking dat onlangs verscheen. Lees meer …

De OM-strafbeschikking. Deel 1. Het ontbrekende bewijs van structureel onzorgvuldige schuldvaststellingen

De strafbeschikking is een vorm van strafrechtelijke conflictbeslechting die erg onder druk staat. Aangejaagd door verschillende kritische artikelen en rapporten lijkt de waardering voor de strafbeschikking niet hoog te zijn. Dat kritisch wordt omgezien naar de kwaliteit van de strafbeschikking is zonder meer terecht. Het openbaar ministerie (ik richt me in dit en een volgend blog slechts op de OM-strafbeschikking) heeft daarmee immers de mogelijkheid gekregen om datgene te doen wat tot de introductie van de strafbeschikking in 2008 het exclusieve domein van de strafrechter was: straffen. Bij die mogelijkheid hoort een zware verantwoordelijkheid: die straf is slechts dan gerechtvaardigd indien de officier van justitie tot een schuldvaststelling komt. En daar mogen hoge eisen aan worden gesteld. Lees meer …

Het motiveren van getuigenverzoeken na Schatschaschwili. Moet er meer, mag er minder of is alles bij hetzelfde gebleven?

Op 15 december 2015 deed de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (zie NJ 2017, 294 m.nt. B.E.P. Myjer). In dat arrest biedt het EHRM meer duidelijkheid over de eisen die op grond van Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk (zie NJ 2012, 283 m.nt. Schalken en Alkema) gelden voor het gebruik van verklaringen van getuigen die niet ter zitting gehoord zijn geworden. In de kern komt het arrest inzake Schatschaschwili erop neer dat aan de hand van de vragen (1) of er een gerechtvaardigde reden is voor het niet kunnen horen van de getuige, (2) of de verklaring al dan niet sole or decisive is en (3) of er voorzien is in maatregelen die compensatie bieden aan de verdediging voor het niet horen van de getuige dient te worden vastgesteld of de procedure in zijn geheel fair is te noemen. Het antwoord op de vragen sturen als het ware het oordeel over de fairness van de procedure maar dat betekent niet dat het beschouwd mag worden als een stroomschema waarin voor alle gevallen door maar de drie vragen te beantwoorden als vanzelf het antwoord volgt op de vraag of artikel 6 EVRM al dan niet geschonden is. Het EHRM benadrukt dat ‘all three steps (…) are interrelated and, taken together, serve to establish whether the criminal proceedings at issue have, as a whole, been fair’ (voor alle nuances en rijke inhoud van het arrest zie het arrest zelf en de annotatie van Meyer). Lees meer …

Een spiegel voor de rechtspraak

Deze bijdrage vormt een bewerking van de inleiding die Rick Robroek hield op de gerechtsvergadering van de Rechtbank Noord-Nederland op 9 mei 2017 met als thema ‘Kijk naar je eigen!’. De andere inleiding werd verzorgd door Herman Tjeenk Willink en zal binnenkort te lezen zijn op dit blog.

Laat ik mijn inleiding beginnen met twee vragen: zou een discussie over de wijze waarop professionals hun werk als professional moeten verrichten over geld moeten gaan? Of anders gezegd: vindt u dat we het vandaag over geld moeten hebben? Ik denk dat iedereen het over eens is dat dat niet het geval zou moeten zijn. Ik onderschrijf die stelling en ik zal u zo vertellen waarom. Lees meer …

Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten

In zijn blog van dinsdag 14 maart 2017 bespreekt Peter Lemaire enkele onderdelen van mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’ en gaat hij in het bijzonder in op mijn standpunt ten aanzien van de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en andere regelingen die door het LOVS worden vastgesteld. Pas gepromoveerd op het spanningsveld tussen rechter en zijn gerechtsbestuurder is het altijd plezierig om van een rechter, oud-gerechtsbestuurslid én oud-voorzitter van het LOVS de instemming te lezen bij veel van wat in mijn onderzoek aan de orde komt. Zo is dat ook (en nadrukkelijk) ten aanzien van mijn laatste stelling bij het proefschrift: perfectie haalt de kwaliteit weg. Die stelling vormt echter tegelijkertijd de bal die Lemaire mij terugkaatst waar het gaat om het door mij ingenomen standpunt over de LOVS-regelingen. Ook dat is plezierig. Een proefschrift schrijf je juist om dit soort ballen teruggekaatst te krijgen. Lees meer …

De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting. Lees meer …

Hoe rechtsstatelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Sinds 2002 kent de Nederlandse rechtspraak een financieringsmodel waarin een groot deel van de organisatie van de rechtspraak bekostigd wordt op basis van – kort gezegd – de uitstroom van zaken vermenigvuldigd met een tarief per zaak dat driejaarlijks wordt vastgesteld. Op dat model oefent de Raad voor de rechtspraak sinds dit jaar fundamentele kritiek uit. Dat begon met de nieuwjaarstoespraak van Frits Bakker, de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, en werd in mei gevolgd door het van zijn hand afkomstige jaarbericht dat een onderdeel vormt van het jaarverslag van de rechtspraak over het jaar 2015.[1] Deze kritiek kreeg voor de zomer een uitgebreide onderbouwing in een op 17 juni 2016 in het NJB verschenen artikel van Kees Sterk en Frans van Dijk, respectievelijk vice-voorzitter en directeur van de Raad voor de rechtspraak.[2] Het verkondigen van dit (voor zover ik kan overzien: nieuwe) standpunt komt niet op een toevallig moment omdat er thans onderhandeld wordt over de prijzen voor het tijdvak 2017-2019. En het is vooral de wijze van vaststelling van die prijzen waarop de kritiek zich richt. De verwijten aan de regering zijn ernstig. De wet zou worden overtreden bij de financiering van de rechtspraak en dat zou de rechterlijke en institutionele onafhankelijkheid aantasten. In deze bijdrage beproef ik de vraag of dat verwijt terecht is. Omdat hun bijdrage de meest uitgebreide en meest onderbouwde is en ik er vanuit ga dat Sterk en Van Dijk namens de Raad voor de rechtspraak spreken, richt ik me in het bijzonder op hun artikel. Lees meer …

Naar een schriftelijk strafproces in hoger beroep

Iedere deelnemer aan het strafproces wenst in iedere aanleg een goede en zorgvuldige zaaksbehandeling. Daargelaten dat wat goed en zorgvuldig is voor ieder van die deelnemers verschillend zal zijn, zal iedereen het met mij eens zijn dat voor een goede en zorgvuldige behandeling middelen ter beschikking moeten worden gesteld. Ik zou zeggen dat de beschikbare middelen afhankelijk zijn van bredere politiek keuzes om ook andere kerntaken van de overheid (denk aan zorg en onderwijs) goed te financieren. Hoe dan ook lijkt het verstandig de voor de strafrechtspraak beschikbare middelen daar in te zetten waar ze vanuit strafvorderlijk oogpunt het meeste effect sorteren. Vanuit die gedachte zou ervoor gekozen kunnen worden om het zwaartepunt te leggen bij de behandeling in eerste aanleg. De herinneringen zijn dan nog het meest vers zodat het zowel in bewijstechnische zin als voor de normbevestiging vooral daar moet gebeuren. Het hoger beroep zou vervolgens minder als herkansing en meer als herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten kunnen worden benut. Deze benadering (die natuurlijk meer uitwerking vergt dan een kort opiniërend blog kan bieden) brengt met zich dat in eerste aanleg alles uit de kast wordt gehaald om (onder meer) bovengenoemde strafvorderlijke doelen ten aanzien van bewijs en normbevestiging optimaal te dienen. Daarbij passen geen rechtbankrechters die zichzelf beschouwen als een eerste filter in de rechterlijke strafketen en ervan uitgaan dat het hof wel de puntjes op de i zet (hoewel daar bij hoven die hoe dan ook alles over doen en rechtbankvonnissen standaard vernietigen zonder meer begrip voor valt op te brengen). Wat er wel bij past, zijn hofrechters die zorgen voor een voortvarende en voortbouwende behandeling in hoger beroep. Wanneer immers het zwaartepunt in eerste aanleg ligt, moet de controle daarop ter verwezenlijking van eerder genoemde strafvorderlijke doelen snel gebeuren. Die snelheid heeft nog een andere belangrijk voordeel: het maakt mogelijk middelen vrij voor de eerste aanleg en zorgt er in ieder geval voor dat ook andere zaken voortvarend kunnen worden afgedaan (met als een soort Droste-effect dezelfde voordelen). Lees meer …