Auteursarchief: Dato Steenhuis

Ivoren toga’s in een ivoren toren

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een groot goed. Ontwikkelingen in landen als Polen, Hongarije en Turkije zijn ten diepste verwerpelijk, en situaties zoals die al jaren bestaan in China en Rusland zijn dat evenzeer. De rechterlijke macht behoort zijn taak zonder beïnvloeding van de uitvoerende macht te kunnen uitoefenen en ook die laatste zo nodig tot de orde kunnen roepen.
De rechterlijke organisatie dient derhalve op een behoorlijke afstand van de uitvoerende macht te staan, al valt aan financiering door deze niet te ontkomen. In ons land is die afstand geregeld in de Wet Raad voor de rechtspraak (Wet Raad) en de Wet organisatie en bestuur gerechten (Wet OBG) en de bijbehorende besluiten. Beide wetten vormen een soort tweetrapsraket. De afstand die de minister in acht moet nemen ten opzichte van de rechtspraak wordt gerealiseerd door de invoering van een Raad voor de rechtspraak, die vooral taken heeft op het gebied van de bedrijfsvoering en die jaarlijks afspraken maakt met de minister over de begroting en de daartegenover staande prestaties. In de Wet OBG wordt een bestuur bij de gerechten ingevoerd dat een groot aantal bevoegdheden krijgt, waaronder het bevorderen van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing. De in artikelen 23 en 24 Wet OBG opgesomde bevoegdheden van dit bestuur worden echter telkens beperkt doordat het bij de uitvoering van die taken niet treedt in de procesrechtelijke behandeling of inhoudelijke beoordeling van of in de beslissing van een concrete zaak of categorieën van zaken. De onafhankelijke rechter wordt bij het in vrijheid nemen van zijn beslissingen dus niet alleen beschermd door de Raad, die de afstand tot de minister in algemene zin bewaakt, maar ook door de genoemde beperkingen van de bevoegdheden van het gerechtsbestuur, die in concrete zaken aldus op afstand wordt gehouden.
In zijn interessante Groningse dissertatie van december 2016, getiteld De macht over het strafproces, gaat Robroek uitvoerig in op de spanningen die kunnen ontstaan tussen een goede taakuitvoering door het gerechtsbestuur en de beperkingen die daaraan in de genoemde artikelen 23 en 24 Wet OBG worden gesteld. Ook komt hij met een aantal voorstellen om die spanningen te beperken c.q. op te lossen. Ik heb destijds mogen opponeren bij de verdediging van zijn proefschrift en zal daar nu niet verder op ingaan.
Ik wil hier wat breder aandacht vragen voor de bestuurlijke spanningen, me richten op een breder palet aan kwaliteitsaspecten en ook de verhouding tussen de Raad en de minister erbij betrekken. De Raad is voor het realiseren van zijn doelstellingen en prioriteiten vrijwel geheel afhankelijk van de gerechtsbesturen. Als die er niet in slagen de vertaalslag, noem ik het maar even, te maken naar de rechters en hun medewerkers, staat de Raad met lege handen. Ik doe dat tegen de achtergrond van mijn andere column, over de brief van de Raad en van recente gegevens over juridische kwaliteit zoals die zijn te vinden in het jaarverslag van de Raad over 2017. Lees meer …

De vermeende nood van de zittende magistratuur

Het is weer eens zover. De rechterlijke macht vraagt om meer geld. De rechtsstaat dreigt te worden uitgehold. De machtenscheiding komt in gevaar, zo wordt gezegd in een brief aan de Minister van Rechtsbescherming. Het loopt de rechtspraak, ik begrijp in het strafrecht, over de schoenen. Zomin als ik destijds het z.g. Leeuwarder manifest begreep, zomin begrijp ik deze en andere oprispingen en klachten over de werkdruk. De aanleiding voor de zorgen, het alsmaar dalende aantal zaken, begrijp ik wel, maar om andere redenen. Eerst waarom ik het niet begrijp. Lees meer …

Niet de straf, maar de vervolging

Het is alweer meer dan 5 jaar geleden dat ik mijn maandelijkse column wijdde aan de kwaliteit van de opsporing en gedwongen was teleurstellende conclusies te trekken. Ik wil het nu opnieuw hebben over de prestaties van mijn geliefde Openbaar Ministerie, waarin overigens tegenwoordig de liefde veel maatschappelijke aandacht trekt.

Ik beperk me tot één van die prestaties, namelijk de mate waarin het OM erin slaagt de opsporing zo te sturen dat het de zaken krijgt waarom het, als gezag over de opsporing, heeft gevraagd en de zaken waar het iets zinvols mee kan, tegenwoordig de betekenisvolle interventie geheten. Dus doende kom ik als het ware vanzelf uit bij een analyse van het sepotbeleid. Ik vergelijk het jaar 2006, toen ik wegging bij het OM, met het jaar 2016, het laatste waarover gegevens beschikbaar zijn. Mijn bron is, zoals veel vaker, de publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving, een gezamenlijke uitgave van het CBS, het WODC en de Raad voor de Rechtspraak. En ik meen te weten dat ook het OM tegenwoordig participeert. Lees meer …

De strafrechter moet straffen!!!

Een paar weken geleden las ik in de krant dat de rechter vaker therapie oplegt dan straf na huiselijk geweld, zulks veelal op voorspraak van het OM. Het is slechts één van de vele voorbeelden waaruit blijkt dat OM en rechter de weg kwijt zijn als het gaat om het vervullen van hun maatschappelijke taak te weten het toepassen van het strafrecht. Dat strafrecht is bedoeld als ultimum remedium oftewel als laatste redmiddel om te reageren op normschendingen die met straf zijn bedreigd.

Als het proces van socialisering is mislukt, als opvoeding, scholing, training, stages en wat dies meer zij, niet het gewenste resultaat hebben gehad, en er misdrijven worden gepleegd, is het strafrecht aan zet. De inhoud van de reactie van dit pijnlijke recht moet, dient zich, naar mijn stellige overtuiging, te onderscheiden van het instrumentarium, dat bij eerdere pogingen om mensen te socialiseren is gebruikt. Lees meer …

De onvoorspelbare rechter

Bij diverse gelegenheden heb ik geschreven over de verschillen in strafmaat tussen rechterlijke colleges en zelfs individuele rechters, in gelijksoortige strafzaken.

Dat blijft een opvallende aangelegenheid tegen de achtergrond van rechtmatigheid en voorspelbaarheid als belangrijk aspecten van kwaliteit bij de rechtspraak.

Rechtmatigheid zou je een procesvariabele kunnen noemen. Alle stappen in het proces van strafbaar feit tot veroordeling, moeten aan die eis voldoen. Eigenlijk is dat hele proces een soort protocol voor de afhandeling van een zaak. Kort gezegd komt het erop neer dat iedere actor in dat proces, zich aan de wet en de jurisprudentie moet houden: het strafprocesrecht c.a. Dat strafprocesrecht is zeer gedetailleerd en bindt iedere stap die gezet wordt aan strikte wettelijke eisen. De aanhouding, het politieverhoor, het bewijs etc. Alles is tot in de puntjes geregeld. Ik hoef ze hier verder niet te vermelden, zelfs niet bij wijze van voorbeeld. Als die eisen niet zijn nageleefd gaat het fout met de zaak. Als de politie onvoldoende bewijs heeft verzameld in een zaak, zal het OM deze seponeren en als het OM, in de ogen van de rechter niet zwaar genoeg heeft getild aan deze en dergelijke gebreken, volgt een niet veroordelende beslissing bv. vrijspraak. Ook de rechter zelf is bij de behandeling van de zaak aan een strikt strafvorderlijk protocol gebonden en bij overtreding daarvan gelden ook voor hem sancties. Lees meer …

Transparantie

In april 2014, al weer bijna 4 jaar geleden, schreef ik een column over het voornemen van de Raad voor de Rechtspraak, om de doorlooptijden in 2018 met 40% te hebben gereduceerd. De titel van de column luidde: sneller recht is beter dan beter recht. Ik toonde mij ingenomen met het voornemen van de Raad, met als kanttekening dat nog niet zo heel erg duidelijk werd, wat er nu precies in 2018 moest zijn bereikt.

Dat jaar is inmiddels aangebroken, wat het zal brengen is nog niet bekend en of de geformuleerde doelstellingen zullen worden gehaald zal pas in oktober 2019 kunnen worden bekend gemaakt. Dan verschijnt namelijk de jaarlijkse publicatie van Raad, WODC en CBS onder de tittel Criminaliteit en Rechtshandhaving, een zeer nuttig overzicht van de prestaties van de strafrechtsketen. Lees meer …

De rechter en de leraar

Strafrechters verdienen veel meer dan leraren en dat is niet rechtvaardig. Waarom niet? Ze hebben beiden een handhavende taak. De rechter voert die uit in de rechtszaal waar hij moet beslissen over strafbare feiten die hem door het OM worden voorgelegd. Het is zijn hoofdtaak. Hij is een formele handhaver. Zijn optreden wordt gestuurd door het Wetboek van Strafvordering.

De leraar handhaaft de orde in de klas. Zijn hoofdtaak is lesgeven, maar die taak kan alleen goed vervuld worden als het in de klas enigszins ordelijk toegaat. De regels die daarvoor gelden zijn niet in een wet vastgelegd maar in belangrijke mate ter beoordeling van de leraar. Ik noem dat informele handhaving Lees meer …

Waar of niet?

In de NRC is regelmatig een rubriek te vinden, waarin een uitspraak van een politicus, een wetenschapper of een ander mens op zijn waarheidsgehalte wordt beoordeeld. Ik wil deze exercitie uitvoeren voor het bericht dat vorige week werd verspreid naar aanleiding van het verschijnen van de jaarlijkse rapportage over de ontwikkeling van de criminaliteit en de handhaving. De boodschap luidde dat de (geregistreerde) criminaliteit (verder) daalde en dat de gevangenisstraf de laatste jaren de meest opgelegde (hoofd)straf is; twee mededelingen die kennelijk waren bedoeld om een positief beeld te schetsen van het gevoerde veiligheidsbeleid en eventuele zorgen over een (te) mild strafklimaat weg te nemen. Lees meer …

Buikhuisen

De hooggeleerde Buikhuisen heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn arbeidzame leven. Hij was niet alleen mijn promotor in academische zin, maar in veel breder opzicht.

Toen hij in 1973 naar Den Haag vertrok om Algemeen Adviseur Wetenschappelijk werk te worden bij het Ministerie van Justitie en het huidige WODC nieuwe impulsen te geven, was dat een grote aderlating voor het Criminologisch Instituut. Niet alleen in wetenschappelijk opzicht, maar vooral in culturele zin. Met zijn vertrek ging er een andere wind waaien op het Instituut. Van een nogal strak geleide organisatie met een duidelijke leider, werd het onder zijn opvolger Jongman veel meer een “free for all” club. Wetenschappelijk gezien stonden de beide hoogleraren aan de ene kant dicht bij elkaar, waar het ging om de methodologie en de operationalisering van onderzoekvragen. Jongman was gepromoveerd bij de Groot op een proefschrift getiteld “Het denken van de schaker” een zeer interessante dissertatie die zich o.a. richtte op het verschil in denken tussen meester schakers en gewone spelers. Lees meer …

50 jaar

Deze maand zijn mijn vrouw en ik 50 jaar getrouwd. Ik vind dat een mooie aanleiding om eens terug te kijken. Niet op dat huwelijk natuurlijk, ik ben niet gek, hoewel daar heel wat over te zeggen zou zijn, maar op mijn studieuze, werkzame en gepensioneerde leven dat zich, gezamenlijk en in wisselwerking met dat huwelijk, heeft voltrokken. Niet op mijn ontwikkeling als zodanig, maar op de dingen die er die periode van 50 jaar, in mijn opvatting, veranderd zijn. Ik onderscheid een viertal periodes: de tijd in Groningen, eerst nog als student, daarna als promovendus en ten slotte als wetenschappelijk medewerker, al met al van 1965 – 1975. De tijd dat ik werkzaam was in Den Haag bij het WODC. De periode bij het Openbaar Ministerie, van 1982-2006, onderbroken door een korte terugkeer naar het Ministerie en, ten slotte, het post arbeidzame leven. Ik ben voornemens de ontwikkelingen die ik meen te hebben waargenomen, in een aantal columns te beschrijven. Hoeveel dat er worden weet ik nog niet. Dat hangt af van wat me, na enig nadenken, te binnen schiet en wat ik daarvan relevant genoeg acht om met U te delen. Ik zal proberen het “opa vertelt syndroom” zoveel mogelijk te vermijden. Lees meer …