Verslaving een forensisch, maatschappelijk of particulier probleem?

Geachte toehoorders,

Vanmiddag ga ik met u spreken over de zonde en het verderf, de gevolgen, de heelmeesters en de bekeringsmethoden. U had vermoedelijk gedacht bij een congres te zitten om te congresseren op het snijvlak van het recht en de psychiatrie, maar dan heeft u zich mooi vergist. Ik ga u onderhouden, entertainen heet dat tegenwoordig, over onze zonden van de drank en de drugs, over de ongelukkige zondaren en het verderf waarin ze zichzelf en hun omgeving storten en van ijdele hoop en mistige idealen. Het recht komt voort uit de theologie, dus ik stip voor de heidenen onder ons kort het historisch perspectief, waarna ik langs lijnen van geleidelijkheid uitkom bij de toekomst van de verslavingszorg en het strafrecht.

In de hof van Eden verleidde de slang de vrouw en de vrouw de man en de man at van de appel en met beide geliefden zijn wij sindsdien gevallen mensen, voor altijd verbonden aan de zonde waar we niet zonder kunnen. Verslaafd aan de zonde komen we niet toe aan een waarlijk vrij leven waarin we elkaar respecteren, het licht in de ogen gunnen en vult u verder maar in. Die verslaving heeft ons inquisities en kruistochten, biechtvaders en aflaten opgeleverd en tot op heden is er een bloeiende markt van zielzorgers die wil helpen de zonde weerstand te bieden. Vergist u zich niet, het ging niet alleen om het labellen van zonde, de definitie van wat zonde is heeft tot op heden een ware industrie ingeluid van predikers, kwakzalvers, kerkers en een goegemeente die op de markt zag en ziet wat er met verstokte ketters werd en wordt gedaan.

Nu het strafrecht. De misdadiger wordt gestraft waarbij de straf in de eerste plaats berust op de ernst van het feit. De laatste decennia zijn er veel onderzoeken geweest die de relevante factoren in beeld brengen. Na vele proefschriften, artikelen en discussies voelen sommigen teleurstelling dat het causale verband tussen de strafsoort en strafduur enerzijds en de ernst van het misdrijf niet redengevend in kaart gebracht kan worden. Om die reden wordt sinds een tiental jaren gekoerst op landelijke afspraken tussen bestuurders om bij bepaalde misdrijven en bij bepaalde omstandigheden en gevolgen tot een oriëntatiepunt voor de op te leggen straf te komen. Ook de politiek laat zich niet onbetuigd. De queeste naar een gelijkmatiger strafoplegging door de pakweg 1000 Nederlandse strafrechters zal nog wel even duren. Hopelijk keert het tij nog eens en wordt de gedachte gemeengoed dat de ongelijkheid in straffen minder ernstig is dan nu met veel retoriek wordt beklemtoond.

Vanmiddag staat de tweede pijler voor strafoplegging centraal: de straf wordt behalve op de ernst van het gepleegde feit gebaseerd op de persoon van de verdachte. Deze kan aanleiding geven tot een lagere of hogere straf maar ook tot een maatregel van strafrechtelijke zorg en behandeling die de straf geheel of volledig terzijde stelt. De terbeschikkingstelling in verschillende varianten is daarvan een goed voorbeeld. Deze tweedeling in sancties is mondiaal uniek en stoelt op de gedachte dat wanneer de verdachte zijn vrije wil niet optimaal heeft kunnen bepalen, hij ook niet ten volle verantwoordelijk kan worden gesteld voor het misdrijf, maar de veiligheid van de samenleving kan meebrengen dat de veroordeelde behandeld wordt voor de stoornis die zijn vrije wil heeft vertroebeld.

De meeste deelnemers aan het huidige bestaan rekenen zich verlichte ideeën aan, zoals al onze voorgangers uit vorige era dat ook deden. De deelnemers aan het strafrechtelijk debat stipuleren sinds het ontstaan van ons Wetboek van Strafrecht in 1886 dat het strafrecht slechts in het uiterste geval mag worden toegepast, ultimum remedium zegt men dan gewichtig. Meestal wordt dit argument ingezet tegen uitdijende strafbepalingen en criminalisering van maatschappelijk onwenselijk gedrag. Deze weerstand is sleets geworden en wordt door de beleidsmaker minder serieus genomen. Desondanks probeer ik vanmiddag dit klassieke uitgangspunt te verlevendigen met een nieuwe uitleg: ik zal me richten op de vraag hoe het in toenemende mate de verslaving als stoornis definiëren zich verhoudt tot de ontwikkelingen rond de TBS. De vraag die ik mezelf en daarmee ook aan u stel is of de medicalisering en de psychologisering van verslaafden wel de goede ontwikkeling is. Vanmiddag zoek