De ivoren toga

De rechter, het openbaar ministerie, de opsporing, vervolging en rechtspraak liggen onder vuur van het publiek en politiek. De rechter zou in een ivoren bastion opereren. Gerechtelijke dwalingen leveren de rechter minder gezag op. Met dat vuur en met die kritiek van binnen en van buiten is niets mis. Ze scherpen de rechter in dat hij nog preciezer kan nadenken over zijn werk en zijn houding. De rechter hoeft niet defensief te reageren maar dient open te staan voor veranderingen en mee te denken over de ontwikkeling van het recht en de organisatie daarvan.

Ivoor is zeldzaam, een roofgoed voor stropers, kostbaar, verbonden aan beschermde diersoorten als de olifant. Bijzonder als bezit, bijzonder vanwege het meedogen met de (op)gejaagde dieren, bijzonder vanwege de bescherming door de reservaten en de ‘dierenpolitie’.

Een toga is eveneens zeldzaam, kostbaar in makelij en aanschaf, verbonden aan ambtsdragers en bijzondere beroepen als dominees, rechters, aanklagers, advocaten en hoogleraren. Bijzonder vanwege de status en de macht die de toga verzinnebeeldt, bijzonder vanwege de aanvallen van stropers die de kwaliteit van de ambtsuitoefening bedreigen, soms vanuit de burgerij, het volk dat de ambtsdrager onder het gehoor heeft of vanuit andere staatsmachten als de uitvoerende en de wetgevende macht.

In een tijdsgewricht waarin er veel togadragers zijn en het publieke debat over machtsuitoefening op het scherp van de snede wordt gevoerd, kan aan de vorige beelden een nieuw beeld worden toegevoegd. Ivoor is zeldzaam hard en ondoordringbaar. Daarom wordt ook wel gesproken over een ivoren toren of bolwerk dat ontoegankelijk overkomt. Van oudsher wordt met ivoren toren bedoeld dat de bewoner ver van het volk en de realiteit afstaat. De toga die de rechter of de aanklager omhult, is echter niet alleen bedoeld om een zekere anonimiteit van de drager te garanderen, maar ook om een zekere distantie tot de rechtzoekende en zijn zaak uit te drukken. Sinds jaar en dag ervaren rechters en officieren van justitie het publieke vergrootglas waaronder hun werk is komen te liggen als een aantasting van hun ambt en de objectiviteit waarmee ze hun werk doen. Er is inderdaad steeds meer kritiek op hun werk, op de lage straffen, op rechtsongelijkheid, op ongelijke opsporingsinzet door de politie, op gerechtelijke dwalingen, op de wijze waarop een strafzaak wordt behandeld, op de defensieve wijze waarmee kritiek wordt gepareerd enzovoorts.

Een terugblik op de laatste tien jaar levert een gemengd gevoel op. Er komt meer kritiek op het strafrecht naar buiten dan ooit tevoren, wat niet betekent dat er vroeger geen kritiek was, maar mogelijk werd die kritiek binnenshuis gehouden. Rechters hebben op hun beurt moeite met die kritiek om te gaan en pareren kritiek redelijk snel als een aanval op de rechtsstaat zelf, wat dit laatste dan ook moge betekenen.

Mijn indruk van de laatste tien jaar is dat de rechterlijke macht meer verdeeld is dan voorheen. Niet wetend hoe gereageerd moet worden op de externe kritiek, last ondervindend van de onstuimige aanwas van nieuwe magistraten, van intern verminderde cohesie, overspoeld door nieuwe organisatorische en wettelijke ingrepen en van minder saamhorigheid richting elkaar, de leiding en de samenleving.

Is dat ernstig? Ik meen van niet. De Nederlandse samenleving als geheel is meer op drift, is meer verdeeld dan voorheen, is minder zeker over de eigen identiteit. De rechterlijke macht zou inderdaad een ivoren toren vormen als de rechterlijke gemeenschap anders is dan de samenleving waar de rechters zelf uit voortkomen. Als rechters kinderen van hun tijd zijn, valt het met het ivoren karakter van de togadragers wel mee als ook zij zoekend zijn en een beetje op drift in de paleizen van justitie, tastend naar een adequate houding richting een kritische samenleving.

Wie bepalen het debat over de koers van de rechtspraak, de organisatie van het recht en de verhouding tussen recht en samenleving? Wie zou verwachten dat dit de wetenschap is, kan zich al snel bedrogen voelen. Rechtsgeleerden schrijven lange artikelen die door sommige universitaire collega’s worden gelezen, maar volgens mij door weinig rechters. Beleidsmakers vanuit het ministerie van justitie of uit de Raad voor de rechtspraak produceren beleidsnota’s die door rechters niet of nauwelijks worden gelezen. Als rechters schrijven, gaat het vaak of over de bedreigingen die zij ervaren, of over de interne perikelen. Het laatste wordt door een deel van de rechters minder gewaardeerd, zoals ik heb ervaren toen ik in 2010 mijn boek schreef “De nieuwe kleren van de rechter. Achter de schermen van de rechtspraak”.

Deze blog probeert te voorzien in een lacune. In korte bondige stukken van niet meer dan 1000 woorden proberen vier juristen uit de praktijk kritisch te kijken naar de ontwikkeling van het recht en de organisatie daarvan. Hun kritiek probeert niet te sterven in vrijblijvendheid, maar proberen verschillende kanten te laten zien aan een probleem. In het recht is namelijk veel pleitbaar, maar niet altijd overtuigend. Daarom moet er iets te kiezen zijn, het liefst tussen haalbare varianten, want voor alleen een principe kun je nog geen gevulde koek kopen. Elke auteur zal vanuit eigen invalshoek, voor eigen rekening, een actueel thema in de rechterlijke macht bespreken. Elke week zal er een (opiniërende) bijdrage verschijnen van een van de volgende vier personen: van Dato Steenhuis, voormalig Procureur-Generaal van het Openbaar Ministerie, van Willem Korthals Altes, strafrechter te Amsterdam, van Rick Robroek, wetenschappelijk medewerker die onderzoek doet naar de besturing van de rechtspraak, stafjurist en plaatsvervangend rechter te Maastricht en van ondergetekende, rechter te Arnhem.

Mijn eigen blog zal bestaan uit korte stukken als deze, langere artikelen en lezingen en andere onderdelen die via afzonderlijke tabs toegankelijk zijn. Ik probeer een andere kant van het officiële recht te tonen, op een wijze die recht doet aan het recht als onderdeel van de samenleving dat bediscussieerd mag maar ook moet worden, om publiek bezit te kunnen blijven. Debat op een wijze die aantoont dat de paleizen van justitie vele woningen kent die allemaal recht van spreken hebben, waarin monddood maken een doodzonde is, waardoor duidelijk wordt dat een toga en diens drager wel enig ivoor moet bezitten om met distantie te kunnen rechtspreken, wat echter geen ivoren taal hoeft in te houden wanneer met scherpte over het recht gesproken moet worden.

Ivoren togadragers die zonder toga en ivoren woorden open over de dilemma’s van het recht en de organisatie van het recht schrijven!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en vice-president Gerechtshof Arnhem