Een ongemakkelijke vraag

De vraag wie er eigenlijk verantwoordelijk is voor het effect van opgelegde straffen wordt maar zelden gesteld. Toch is die vraag bepaald niet misplaatst in een tijd waarin bij het straffen zwaar wordt ingezet op recidivebeperking door resocialisatie van de dader. Daar wordt, met name bij jeugdigen, ook veel geld aan besteed.

Tot op de dag van vandaag is dit beleid allerminst een succesverhaal. Diverse overzichten van recidive onderzoeken laten zien, dat wat je ook doet, de recidivepercentages al snel ergens tussen de 60 en 70% uitkomen. Veel, beweerdelijk, lagere percentages, bv. bij de invoering van nieuwe, z.g. “evidence based” programma’s, zijn bijna nooit een lang leven beschoren. Daarbij moet dan nog bedacht worden dat de recidive meestal wordt gemeten in de vorm van een nieuw contact met justitie. Dat betekent dat een zaak bij het OM terecht moet komen. Van alle gepleegde misdrijven in Nederland dringt echter slechts 2% door tot het OM. De rest van die ca. 10 miljoen misdrijven haalt die voorlopige eindstreep niet. Naar alle waarschijnlijkheid vormt de recidive in termen van nieuwe justitiecontacten derhalve een aanzienlijke onderschatting van de werkelijke terugval van veroordeelde delinquenten.

Zeer hoge recidivepercentages dus en weinig resocialisatie. Dat klemt te meer omdat er grote sommen overheidsgeld aan worden uitgegeven. Zo heeft de Algemene Rekenkamer onlangs vastgesteld dat een jaar jeugddetentie ongeveer 250.000 euro kost. Als op andere beleidsterreinen waarin veel belastinggeld omgaat, bv. in de gezondheidszorg of in het onderwijs, dergelijke “succespercentages” zouden gelden, zou de wereld te klein zijn. Ook het argument dat iedere veroordeelde die niet recidiveert er één is, zou daar, naar analogie, weinig indruk maken.

Tegen deze achtergrond dringt de vraag zich op, wie er nu voor dit gebrek aan resultaat verantwoordelijk is. Dat niemand dat is, lijkt me geen optie. Maar wie is het wel? Is het de minister? Die kan natuurlijk in het parlement worden aangesproken op het gebrek aan succes van het gekozen beleid. Maar over de rechter, die de beslissingen neemt, heeft hij niets te zeggen, die is onafhankelijk. Dat betekent echter niet dat die rechter in een vacuüm opereert. Op de zitting treft hij het OM, dat een oordeel geeft over de strafbaarheid van de verdachte en een voorstel doet voor de op te leggen sanctie. Het OM heeft zich, blijkens opeenvolgende beleidsnota’s, sterk verbonden aan recidivebeperking als primaire strafdoel. In veel gevallen ligt er in het dossier ook een reclasseringsrapport, waarin de achtergronden van de verdachte worden belicht, de motieven voor zijn daad worden geschetst en niet zelden ook een suggestie is opgenomen over de wijze waarop de zaak het beste kan worden afgedaan. Gelet op de taak van de reclassering en de achtergrond van veel reclasseringmedewerkers, staat ook daarbij de resocialisatie centraal. De rechter is uiteraard niet verplicht die suggesties te volgen en evenmin is hij gebonden aan de eis van het OM. Hij is verantwoordelijk voor de al dan niet schuldigverklaring van de verdachte en de op te leggen straf.

Als die straf uitdrukkelijk in de context wordt geplaatst van recidivevoorkoming door resocialisatie, en de rechter zich daar als het ware ook aan verbindt, is hij dus ook verantwoordelijk als het vonnis de gewenste uitwerking mist. Hij kan dus worden aangesproken op die hoge recidivepercentages. Als hij dat niet wil, moet hij individueel, bv. in de motivering van het vonnis, of collectief, via de Raad voor de Rechtspraak afstand nemen van de dominantie van resocialisatie als strafdoel en een straf opleggen die beter de andere strafdoelen dient.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie