“Staat en taboe. Politiek van de goede dood” van Paul Frissen, Boom Amsterdam 2018

Bespreking bij de vernissage in Den Haag op 12 november 2018

Enkele weken geleden hield ik een verhaal voor een grote groep artsen die euthanasie praktiseren bij psychiatrische patiënten. Ik was uitgenodigd te spreken onder een soort titel als Euthanasie als laatste troost bij psychiatrisch lijden.

Ik ving aan met een oud gedichtje van Tsjwang Tze dat als volgt gaat:

Om vissen te vangen gebruikt men aas. Heeft men de vissen gevangen, dan kan men het aas vergeten
Om konijnen te vangen gebruikt men een strik. Heeft men de konijnen gevangen, dan kan men de strik vergeten.
Men gebruikt woorden om hun betekenis uit te drukken. Wordt de betekenis verstaan, dan kunnen de woorden vergeten worden. Waar vind ik een mens die de woorden vergeet opdat ik met hem praten kan?

Ik vervolgde met een dichtregel van de Duitse dichter Rilke: het hoogste goed is het zijn van hoeder van elkanders eenzaamheid.

En tot slot van mijn inleiding gebruikte ik het verhaal Voor de Wet van Kafka, waarin een wetzoeker de poort tot de Wet nadert, wil binnentreden, maar tegengehouden wordt door de poortwachter. Ondanks dat de glans van de door de open poort naar buiten lichtende Wet onweerstaanbaar is wordt hem keer op keer de entree geweigerd. Hij vraagt en zoekt zijn hele leven toegang, maar de poortwachter is onverbiddelijk. Uiteindelijk sterft hij en vraagt even tevoren aan de poortwachter waarom hij de enige is die ooit toegang tot de Wet zocht. Het antwoord van de poortwachter was dat deze toegang alleen voor hem was en hij nu de poort ging sluiten.

Vervolgens heb ik mijn bewondering en waardering voor de aanwezige psychiaters en psychologen uitgesproken omdat zij als zielzorgers in optima forma troosters zijn die mensen in hun diepe verdriet en uitzichtloos lijkende lijden moeten hoeden. De brug naar mijn eigenlijke betoog was niet moeilijk. Hoe kan het dat ik soms tegenover mensentroosters en mensenhelpers sta die de Wet als tegenstander zien, die weigeren de Wet binnen te gaan, althans daar toegang toe zien, maar hun eigen Wetten aanleggen. Hoe kan het dat artsen af en toe miskennen dat de Wet op ethiek en moraal stoelt, niet uit een hoge hoed komt gerold maar terug is te voeren op een parlementaire meerderheid, gedragen dus door het volk? Hoe kan het dat het bij tijd en wijle lijkt alsof de medici een eigen Wet hebben gebouwd?

De wijze waarop ik de puzzel meen te moeten leggen hangt nauw samen met de inhoudelijke bespiegelingen van Paul Frissen. De zingeving is gedurende millennia vormgegeven door het geloof, het geloof in een Schepper die de mens heeft geschapen en heeft bestemd tot een bepaald doel. Leven en sterven was in Zijn hand. Het nemen van andermans en eigen leven was daarmee niet aan de mens zelf en was taboe. In hoog tempo is deze zingeving vervangen door een individualistisch firmament. De mens lijkt heerser over zijn lot en meester over zijn ziel te zijn geworden, zoals de bommenlegger in Oklahoma, Timothy McVeigh, zei vlak voor hij geëxecuteerd werd. Ik wil wat langer stilstaan bij dat gevoel.

In mijn lange loopbaan als strafrechter heb ik vele moordzaken berecht. Moordenaars hebben me gebiologeerd omdat er een grens moet worden overschreden om een ander dood te maken. Er zit in de menselijke geest, los van de geneigdheid tot minder goed gedrag, een belemmering om te doden. We kunnen ons dat bijkans voorstellen als een plant die zonder water tot de laatste snik aan het leven hangt en biologisch niet in staat is om te sterven. Na de geboorte is het sterven de meest indringende gebeurtenis, althans zo heb ik het verschillende malen van nabij ervaren. De dood is dan ook vaak beangstigend, we kunnen ons ons eigen bewustzijn niet goed voorstellen, elk mens maakt zich een voorstelling die waarschijnlijk slechts een flauwe voorafspiegeling is van wat komen gaat. Voor eens mens is het echter niet eenvoudig om terug te keren uit de dood om het na te vertellen. Die existentiële vraag raakt aan het onderwerp van vandaag. Het is in een mensenleven een van onze grootste taboes. Ik geloof dat dit zo diep in het mens-zijn verzonken taboe een grote betekenis heeft.
We kunnen crematoria en begraafplaatsen wel naar de rand van de stad verdringen, ziekenhuizen licht laten lijken, de dood als een zachte metgezel framen, je zelf met vooropgezet doel doden niet langer zelfmoord noemen maar suïcide, maar de dood is het grootste taboe dat ons leven vergezelt, hoort te vergezellen, ons behoort te doordringen dat we hier niet eeuwig zijn, dat ons leven verantwoordelijk moet worden geleefd, want we leven maar eenmaal, dat we pas in het aangezicht van onszelf en de andere mens een beter mens (kunnen) worden. Het lijden is dan ook geen aanklacht van het leven, het is een zingevingsvraag die is verweven met het leven. Zoals we moeten leren lopen moeten we ook leren sterven en dat voortdurende sterven in ons bestaan, veel draait immers om afscheidsfasen in ons leven, geeft ons menszijn zin. Een taboe heeft van doen met onbetreden paden, met normale angsten die ons inscherpen goede en dankbare mensen te moeten willen zijn voor wat we hebben, een taboe dat niet doorbroken kan worden. Het is een met het leven onverbrekelijk verbonden taboe dat niet ontmanteld kán worden, fleurige ziekenhuizen en blijmoedige taal hebben het taboe eigenlijk alleen maar ongrijpbaarder gemaakt.

Er dient zich nu een wonderlijke paradox aan. Medici, zielzorgers en andere therapeutisch werkenden hebben gemeend zingevingskaders te kunnen ontwikkelen die de dood zachter maken. Die inzet is aangevangen met het onaanvaardbaar maken van het lijden en dit te herbenoemen tot onmenselijk en onwaardig.
Dat niet alleen; dood, sterven en lijden zijn niet alleen gemedicaliseerd en getherapeutiseerd maar ook gejuridiseerd. We hebben kaders aangelegd die het doodmaken van zieke mensen heeft vergemakkelijkt. Sluipenderwijs hebben we lijden, maar ook ongemak en droefheid om het bestaan, gekwalificeerd als ziekte. En wie ziek is mag sterven, maar in de laatste jaren wordt ook een recht geclaimd om te mogen sterven en een daarbij behorende overheidsplicht die hulp bij zelfdoding verplicht maakt.
Ik wil vandaag niet in debat treden over wat wel of niet tot een juridisch grondrecht moet worden gerekend. Ook ga ik niet de vaste rechtspraak rond fysiek en psychiatrisch lijden bespreken of fileren. Ik wil een ander denkkader beproeven.

De moderne mens lijkt zich te hebben afgekeerd van religie en wat pastorale zorg en steun kunnen betekenen. Waar vroeger de priester absolutie kon geven en de laatste sacramenten kon toedienen moet de lijdende en zieke mens anno 2018 zichzelf als moderne Baron of Barones van Münchhausen uit het moeras van het lijden en de stervensnood trekken. Hoe doe je dat als er niet een geestelijke is die jouw hier en nu verbindt met het hiernamaals en die je troost is in je laatste bange uren, weken of maanden? Het is de vraag of die behoefte aan troost, zingeving en hulp wel vervangen kan worden door de arts die dan door de patiënt ervaren zou kunnen worden als de zorger in de witgeverfde zwarte jas, de zielzorger die als geen ander getuige is geweest bij sterfbedden. Nu de pastoor, rabbijn, iman of dominee uithuizig lijkt, althans minder welkom lijkt aan een sterfbed, wordt dan de arts de nieuwe geestelijke die zegt: ik ken het taboe, ik ken je angst, maar ik geef je absolutie, een aflaat: je lijden is groot en zwaar, we hebben het getoetst bij nog een andere arts, wij vinden dat je mag sterven en je hoeft het niet zelf te doen? We helpen je erbij, we helpen je de dood in, want hij en ik zijn je goede en zachte vrienden. Zo willen de meeste artsen ook niet gezien en ervaren worden, maar het is de vraag of de maatschappelijke en individuele druk hen niet met een last opzadelt die ook hen klemzet in hun afwegingen.

Natuurlijk, ik weet het, ik chargeer en ik wil uiteraard geen arts tekort doen, want de mij bekende artsen zijn zeer conscientieus en willen daadwerkelijk helpen, hebben het ook moeilijk met de grote aandrang van patiënten in fysieke en psychische nood en hun omstanders. Bovendien denkt niet iedereen hetzelfde. Er woedt immers ook binnen de artsenij een scherpe discussie over wat mag, wenselijk en onbegaanbaar is of zou moeten zijn. Ik houd alleen een spiegel voor waarin ik maatschappelijke beelden schets over ons natuurlijke taboe rond nieuwe euthanasiesituaties als bij dementie en het als voltooid ervaren leven. Een spiegel hoe de aangestipte ontwikkelingen in onze mensgeschiedenis zijn verlopen. Zal dat laatste taboe dan geslecht worden, willen we dat laten slechten? Zouden we niet liever in de ogen van de dood kijken dan de vermommingen van de eufemistische aanduidingen van een zachte dood ondergaan? De dood is immers vaak niet zacht, het einde is niet altijd makkelijk, eerder verdrietig en pijnlijk, maar daarom komt het erop aan dat we de hoeders en troosters nodig hebben waarover Rilke dichtte. Hoeders en troosters die – in lijn met het gedicht van Tsjwang Tze de hun al dan niet aangeleerde woorden en mantra’s vergeten zodat er een waarlijk diepgaande en troostende stilte kan ontstaan die bij een levenseinde past. Medische hoeders en troosters die de Wet willen binnengaan, de Wet van Kafka waarvan de ingang moeilijk is, maar waarbij de eigen eer, het eigen geweten, het zelfbeeld van een troostende euthanasiearts opzij worden gezet en de wetgeving rond euthanasie niet te makkelijk wordt verruimd richting het nieuwe taboe rond dementen en mensen die een voltooid leven claimen en zo verder. Artsen die niet een eigen recht claimen, want daarmee zijn we niet ver weg van de krakers uit de jaren zeventig die in de rechtszaal stelden: uw rechtsorde is de onze niet. Artsen hoeven niet bang te zijn voor het strafrecht, maar als een proces al als bedreigend wordt gezien, rechters worden gevreesd, dan is het beeld van de Wet als bedreiging van de democratie nabij. Nogmaals, ik weet dat artsen gewetensvol hun werk doen en vaak ook worstelen met deze vragen, maar ik hoop zo dat ook zij de Wet gaan ervaren als bescherming, als het tegengaan van willekeur, als kompas en baken wat wel en wat niet kan. Voor burgers en patiënten geldt hetzelfde: ook zij hebben recht op rechtsbescherming zodat ze weten wat wel en niet kan, ook zij hebben recht op een berekenbare praktijk van juristen en medici.

Hoe dan wel als we het taboe niet verder zouden kunnen of moeten willen ontmantelen? Ik citeer Paul van Tongeren, de emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen die in zijn laatste boek over de euthanasie, onder het kopje “Leven doe je niet alléén” het volgende schrijft:

“We kunnen het lijden niet wegnemen, we kunnen de gebeurtenissen waarover mensen rouwen niet ongedaan maken, we kunnen de kracht die ze ooit hadden niet teruggeven. Maar misschien zouden we tenminste moeten beginnen dat onvermogen toe te geven. Inderdaad: we mogen mensen met een stervenswens niet alleen laten, zoals de NVVE onlangs in een advertentie stelde. Maar de suggestie dat dat alleen maar kan door hen te helpen hun stervenswens te vervullen, lijkt me onterecht. Misschien is die suggestie zelf wel een symptoom van het onvermogen om aanwezig te zijn mensen in het besef van niets te kunnen doen. Toegegeven: ook dit hulpeloos luisteren is geen oplossing voor het probleem; maar is de dood een oplossing? Is het verdwijnen van de levenswil een probleem dat opgelost kan worden? Ik heb ooit eens gelezen, ik weet niet meer waar, dat T.S. Elliot gezegd zou hebben: er zijn twee soorten problemen: de ene soort moet worden opgelost en verdwijnt dan; de andere soort moet worden uitgehouden, onder ogen gezien, meegedragen.” (Paul van Tongeren, Willen sterven. Over de autonomie en het voltooide leven, Kok 2018, blz. 89-90)

Dan nu het boek van Frissen. Ik ben vol lof over het boek van Frissen en omdat hij in het koor van om autonomie roepende burgers een toch wat eenzame koers vaart wil ik me graag achter zijn vaandel scharen.

Paul Frissen heeft een mooi en normstellend boek geschreven. Ik hoop dat het boek bijdraagt aan een diep debat over hoe we met menselijk lijden moeten en willen omgaan, vragen waar ik het antwoord ook vaak niet op weet en vragen waarin de Wet thans nog niet voorziet, en bij gebreke waarvan ik vandaag een zekere terughoudendheid bepleit.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie