Onbevangenheid en gebalanceerde bevangenheid

Het leven met een bevangen gevoel
In adventstijd worden kerstliederen gezongen en boodschappen over licht en vrede wijds verkondigd. Tijdens de kerstdagen hopen velen een ontvankelijke geest voor samenzijn en hoop te hebben of te ontwikkelen. Als kinderen zo onbevangen zijn. Het is echter niet zo eenvoudig om onbevangenheid te voelen in een tijd van oorlogen en geruchten van oorlog, van boosheid en opstandigheid. De verleiding van een geel hesje bij zowel aanvallers als verdedigers is groot.
Mijn worsteling en van vele professionele omstanders is dat we in een tijd leven waarin de aanval op instituties en op de persoon achter het ambt groter lijkt dan ooit tevoren. Als die aanval komt van een teleurgestelde verdachte of burger is er niet zoveel mis, want wie kan zich het verdriet van procesdeelnemers niet voorstellen bij een uitkomst die ze moeilijk te verteren vinden? Ik heb me tegen die teleurstelling nooit hoeven te wapenen, want het recht is er voor de rechtzoekenden, zowel voor verdachten al slachtoffers. Zonder draagvlak bij hen kan het recht in de mottenballen.
Met (social) media kan het anders liggen omdat er een frame wordt gekozen dat niet opbouwend lijkt of geen onbevangenheid of ontvankelijkheid toont voor aangedragen en – wetenschappelijk – getoetste feiten. De doorsnee professional, van arts, burgemeester tot magistraat, kent teleurstelling als zijn of haar persoon wordt gediskwalificeerd op het moment dat een beslissing of uitkomst wordt betwist en niet gedragen. Terwijl Nederland in de kern een geweldig land is, hoog op de ranking lijsten van prestaties. Die inzet, die enorme inspanning, of andere harde en verifieerbare feiten weggezet zien als misstanden stelt veel professionals teleur, maar jaagt tegelijkertijd een geel hesjesgevoel van toeschouwende burgers aan en leidt tot al dan niet vermeende kloven met de gekritiseerde beroepsgroep.

Onbevangenheid versus bevangenheid
Mij is de vraag gesteld hoe onbevangenheid zich verdraagt met weerstand en boosheid van de omgeving. Kan een rechter, een officier, maar eigenlijk elke professional, onbevangen werken als hij door emoties van de omgeving bevangen wordt?
Onbevangenheid kan worden opgevat als ongedwongen vrijmoedigheid en onbeschroomdheid. Wie onbevangenheid koppelt aan ontvankelijkheid komt uit op vatbaarheid en receptiviteit. Wie dus vatbaar en receptief is ingesteld zal zich ongedwongener en vrijmoediger en onbeschroomder uiten. Waar de woorden onbevangen en ontvankelijk een duidelijk positieve connotatie bezitten is dat anders met het tegenovergestelde, namelijk bevangenheid. Bevangen door schroom, angst of ziekte of emoties kan juist leiden tot beklemming. Kortom, het is niet eenvoudig. Wie bevangen is door liefde of euforie is niet per se onbevangen en zo verder. Deze vragen en eerste impressies vergen een dieper graven naar de betekenis van onbevangenheid in de praktijk.

De media onder vuur en mijn verdediging van de media
In het speelveld van emoties speelt als gezegd de media een belangrijke rol. Mij houdt het vooral bezig of de onbevangenheid van een professional aangetast raakt als hij ervaart dat media het werk van zijn professie niet goed kan raken of zonder toereikende feiten diskwalificeren. Minder belangrijk is voor mij de vraag of de media voldoende tegenspraak duldt, soms de kaart van de persvrijheid trekt of bij kritische vragen over het onderzoeksgehalte van de media te eenvoudig repliceert dat de zogenaamd onderzochte partij niet tegen kritiek kan.
Het is in ons tijdsgewricht een gegeven dat het media-oog onverdroten ronddwaalt, van onderwijs, zorg, recht, bankwezen en weer terug om mogelijke oneffenheden en misstanden te ontwaren en aan te tonen dat de samenleving in ontbinding is, want dat is kennelijk de nieuwswaarde die de kijker of lezer triggert. Het helpt daarbij niet om met feiten vast te stellen dat een organisatie of een mens zich gedurig verbetert of ontwikkelt. Wie niet wil zien zal niet overtuigd worden. Het helpt ook niet als de gefileerde persoon of organisatie persoonlijk bezeerd raakt. Een collega gaf me een keer zijn motto mee: elke dag in de spiegel kijken en je gewetensvol afvragen of je integer hebt gehandeld. En als die innerlijke bascule een voldoende oplevert zullen de aanvallen moeten leiden tot verduren en verdragen. En als er een onvoldoende uitkomt moeten gedrag en keuzen aangepast worden. Mens en organisatie horen dus vatbaar te zijn voor kritiek, maar het besef dat er vaak sprake is van een organische ontwikkeling waarin vallen en opstaan een wezenlijk onderdeel zijn, zie ik vaak niet terug als die normale ontwikkeling wordt gekwalificeerd als misstand.
Er is echter niet veel nieuws onder de zon. In de 70-er jaren had men het onheus over perfide media. Nu wordt van de gele hesjes gezegd dat ze geen enkele bron van informatie hebben dan de onbetrouwbare sociale media. Maar zelfs in de late middeleeuwen waren er al gauw duizenden pamfletjes met nepnieuws, zelfs al laat je de schotschriften van Luther buiten beschouwing, om nog maar niet te spreken van de eindeloze geruchtenstromen die tijdens de bezetting rondgingen. Het is goed om te herkennen dat een van de huidige trends de harde woordkeuze is. Of het nu gaat om werknemers richting werkgever, om politici richting rechtspraak, om burgers richting politiek, over patiënten richting medische zorg, om studenten richting hun universitaire vorming en leiding, of over tweets en andere (social) media over deze verhoudingen, over vrijwel de hele linie is sprake van een stevige woordkeuze die eerder wantrouwen ademt dan het besef hoe goed we het hebben, maar er nog wel verbetering en groei mogelijk is. Burgers claimen in de kou te staan, de dienstverlening in zeer brede zin begrijpt daarentegen niet goed hoe dat kan terwijl zij warmte en kwaliteit proberen te leveren. Uit sociologische hoek, ik meen van Paul Schnabel, is dit fenomeen omschreven als: “met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.”
Of we nu wel of niet in een verweesde (werk)gemeenschap van Fortuin werken en leven, veel mensen zijn op zoek naar zingeving, waarvan ook de adventstijd vol is. Welke zin kan gegeven worden aan die continu spanning tussen onbevangenheid en bevangenheid? Het kan helpen als we ons realiseren dat social media niet altijd uit onderzoekers bestaat, maar ook uit individuen die aan vrije nieuwsgaring en infotainment doen. In de vorm en inhoud zijn ook zij de kinderen van hun tijd. (Social) media zijn niet altijd op zoek naar waarheid, maar naar een verhaal, een construct dat gevuld wordt met een narrativiteit die niet gelijk hoeft te vallen met de werkelijkheid van de beschreven professie, waar velen dag in dag uit proberen een goed resultaat te bereiken.
Wie de pers probeert te zien als de persmuskiet, de luis in de pels, wordt een rijker mens en een rijkere organisatie. Want de bevangenheid die media genereren kan ook een spiegel opleveren voor mogelijke verbeteringen. In die zin draagt de journalist vaak bij aan een doorontwikkeling van de organisatie en onderscheidt hij zich niet van kritische collega’s, vrienden, familie of van scherpe toezichthouders. Organisatie en mens zijn er om te groeien en daar draagt kritiek, ook wanneer die kritiek niet wordt gedeeld, aan bij. Wie herinnert zich niet Watergate en het geweldige werk dat noeste en volhoudende journalisten als Bob Woodward hebben verricht? Het is daarom van groot belang dat de lezer en het subject waarover de verhalenverteller verhaalt hun ontvankelijkheid en onbevangenheid behouden.

Behoedzame onbevangenheid en tekenen aan de wand
De onbevangenheid van een kind ben ik kwijt en ik ben nu bevangen door behoedzaamheid voor wat op me af kan (dreigen te) komen. Behoedzaamheid, voorzichtigheid, oplettend zijn op tekenen aan de wand is een grote menselijke, maatschappelijke en politieke noodzaak. De gele hesjes van de anti-burgerlijkheidsmoraal in de jaren zestig, die van de gebrekkige betrokkenheid van de Pim Fortuinrevolte of die van het Leeuwarder manifest in de rechtspraak moeten niet veronachtzaamd worden. Of deze bewegingen een werkbaar alternatief voorstellen doet niet ter zake, ze vormen een onderlaag in het leem die beter niet miskend kan worden op straffe van revolte. Opeenvolgende overheden meenden te kunnen bouwen op functioneel vertrouwen dat hen geschonken moest worden op grond van de ogenschijnlijke procesmatige ordening en betrokkenheid van alle insprekende en vertegenwoordigende (overleg)organen. Die hoop lijkt op drijfzand gebaseerd en het functionele vertrouwen wordt tot op heden steeds meer vervangen door persoonsgebonden vertrouwen: vinden wij de persoon van de bestuurder en zijn of haar uitstraling betrouwbaar en waarachtig (overkomen)? Bevangenheid is ook een waarschuwing te opereren langs lijnen van behoedzaamheid en geleidelijkheid, een attitude die ik nog niet genoeg maar nog wel steeds met schade en schande leer.

Het dagelijkse gevecht om de positieve blik
De omgang tussen overheid en critici doet soms pijn, zeker als er sprake is van tunnelvisie en welbewust genegeerde feiten en omstandigheden. Ook als een organisatie en een ambtsdrager persoonlijk gefileerd worden dient men echter functioneel te blijven. Waar vinden overheidsbestuurders een geloofwaardige en troostende boodschap voor de achterban, waarbij niet in de verdediging wordt geschoten en ook niet de aanval wordt gekozen? Het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld is een frontlinieorganisatie die nu eenmaal vuur vangt en die de eigen vuurkracht benut richting de criminaliteit die rechtvaardig wordt vervolgd en waarbij dat vuur niet primair wordt benut jegens critici die de onbevangenheid permanent op de proef stellen.

De overleden filosoof Cornelis Verhoeven merkte over onbevangenheid op dat deze gemoedsgesteldheid ook gedefinieerd kan worden als een onbeschroomde en onverschrokken vrijmoedigheid die wel degelijk weet heeft van de listen, lagen en strikken waarmee het veld van de samenleving bezaaid is, maar die zich daar overheen zet in de zekerheid dat zij niet voor één gat te vangen is. In navolging van hem zeg ik dat de realiteit niet terug te draaien is, we het moeten doen met de samenleving zoals deze zich heeft ontwikkeld en dat zelfs tegen de klippen op een roos kan bloeien als nieuwe omgangsvorm voor wat zich aandient in ons persoonlijk bestaan en in ons publieke domein en waarvan we het zaadje misschien nog onvoldoende hebben weten te planten.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie