De moeizame wals tussen instituties en de pers

Er ontstaat soms rumoer naar aanleiding van onthullingen door de media over instituties en hoge functionarissen. Sommer neemt in zijn column “Het WODC-reinigingsritueel” (Volkskrant 3 november 2018) rituele reinigingsrituelen waar, gebaseerd op een nieuwe politieke correctheid. Sommer maakt een goed punt, tegelijkertijd denk ik dat rituelen ook een krachtige en goede betekenis hebben, zoals de emeritus hoogleraar Wijsbegeerte, Herman de Dijn, in zijn recente boek over rituelen inzichtelijk maakt. Maar Sommer heeft op zich gelijk dat er vaker bijltjesdag plaatsvindt op grond van journalistiek aandoende vondsten die bij een scherpe beschouwing niet meer inhouden dan een handige framing, naming en shaming die niet alleen personen maar ook instituties schaden.

(Social) media willen inzicht in vakinhoudelijke en institutionele processen en duiden deze vaak in termen van gebrekkigheid aan de hand van niet algemeen erkende maatstaven, of niet zelden op basis van onvolledige of onevenwichtige informatie. Omdat de duiding vaak niet overeenkomt met de nuances en complexiteit van het werk kiezen organisaties er steeds vaker voor om te werken met communicatie-afdelingen en (pers)berichten waarin een gewapend beton aan ondoordringbaarheid lijken te schuilen. Journalisten willen echter in een tijd, waarin emoties en transparantie een nieuw oprukkend duo vormen, andere informatie. Men wil uit de keuken weten hoe de gerechten van een operatie, een vonnis, een politiek besluit tot stand komen, het liefst met inzicht in de emoties van en spanningen tussen de hoofdrolspelers. Dit is een westers proces dat al decennia aan de gang is. De houdgreep waarin pers en instituties elkaar houden kent daarom een langere geschiedenis. Laat ik enkele gevolgen schetsen.

Als de door de media gewenste informatie niet komt, snel, in volle omvang en met verhuisdozen tegelijk, dan wordt de Wet Openbaar van Bestuur van stal gehaald. Van de weeromstuit gaan organisaties en functionarissen minder mailen en schriftelijk vastleggen.
Naarmate de (social) media vaker de persoon achter de functionaris willen kennen en fileren zullen ambtsdragers en instituties zich meer afschermen en mediagetrainde vertegenwoordigers met de pers laten spreken en bijvoorbeeld interviewverzoeken tot in detail vooraf bespreken en dichtregelen.vAls media toch meer willen weten en blootleggen gaan ze schermen met hun vertrouwelijke bronnen, meer suggereren, en zo verder. De toon heeft dan weinig meer van doen met de geclaimde onderzoeksjournalistiek.

Media dringen met een beroep op persvrijheid en het belang van waarheidsvinding steeds meer op en instituties en ambtsdragers zullen zich meer gaan wapenen. Het gegeven dat media niet per definitie hetzelfde doel nastreven als degene die een product maakt (van zorg, politiek, vervolging tot rechtspraak enz) is goed waarneembaar in de lead en kop van een programma, artikel, aankondiging van een congres of van een spreker. Voordat het beeld ontstaat dat ik aan media een hekel zou hebben: dat is zeker niet het geval. Journalisten zijn vaak bekwaam en charmant en vervullen maatschappelijk een belangrijke rol. Maar media hebben ook een belang dat niet per se gelijk valt met waarheidsvinding of andere belangen van de instituties die ze bevragen. Wil de kijker, lezer of luisteraar gebonden worden aan de omroep, krant of radio, dan zijn stevige lokkers en koppen nodig. Congressen, symposia etc spatten de pan uit, wil de potentiële bezoeker gelokt worden, dan zijn stevige teksten nodig om de nieuwsgierigheid te prikkelen. Daarom worden vermoedens en suggesties soms al snel in de sleutel van integriteit geplaatst, want dat houdt het publiek bezig: wordt een kerk, een onderzoeksinstituut, een ziekenhuis wel ordentelijk bestuurd? Als er ook maar een vermoeden van een onregelmatigheid is dan is de malicieuze framing van toedekken, wegkijken, bestuurlijke halfhartigheid alras gewekt. En onrustige politici zijn er snel bij om de mediale onrust op te pakken en uit te vergroten. Dat mogelijk vaker sprake is van infotainment zal de pers niet snel toegeven, wat ik mede afleid uit het voortdurend schermen met de opmerking dat het publiek recht heeft te weten wat er speelt bij instituties, het recht heeft alles te weten wat de overheid doet, maar tegelijkertijd die vermeende feitelijke bevindingen suggestief framet in teksten en suggesties die ik niet direct gelijkwaardig zie zijn aan het feitelijke informeren van burgers of aan waarheidsvinding.

Daartegenover staan journalisten als J.L. Heldring die met zijn koele analytische stijl van waarnemen groot gezag verwierf. Als hij achteraf moest constateren dat een bepaalde beschouwing niet stoelde op feiten die hij claimde als ondergrond te hebben gebouwd nam hij een volgende keer afstand van zijn eerdere tekst. Over hem werd geschreven: Waarheid is het doel, koele analyse het middel.[1]
Wie meent dat de ontwikkeling van het publieke domein is gebaat bij een verdere onttovering van het ambt en van instituties door middel van rationele argumentaties zal meer moeten meebrengen dan suggestieve persoonsgerichte en het overvloedig bezigen van bijvoeglijke of zelfstandige naamwoorden als schandelijke respectievelijk crisis als er magere feiten worden gepresenteerd. Ofschoon dergelijke woordkeuzen door de schamelheid van de achterliggende feiten zouden dienen te sterven in vrijblijvendheid heeft de overtrokken woordkeuze de schade aan het ambt of de institutie vaak al verdiept.

Als we ons daadwerkelijk willen ontdoen van resterende betovering of magie rond het publieke werk, en daar vallen pleitbare argumenten voor aan te dragen, dan ware het beter als het licht zou vallen op een veel groter probleem dan de vermeende bestuurlijke misstanden, die ik in ons land minder waarneem, en dat is dat het werk veelvuldig wordt georganiseerd op een wijze die voor veel werkers leidt tot fragmentatie en te weinig voeling met het eindproduct. Deze opsplitsing en versplintering in werkprocessen, ooit ingezet onder invloed van wetenschappelijke inzichten over arbeidsdiversificatie, doen de ‘machine’ ernstig haperen. Op die hapering hebben we wereldwijd nog te weinig zicht, laat staan op de oplossingen.[2] De intellectuele, organisatorische, bestuurlijke en journalistieke prikkel zou moeten voortkomen uit de spannende – interdisciplinaire – vraag hoe we de individuele en organisatorische betrekkingen in en tussen werkkringen kunnen optimaliseren teneinde (nog) adequater zorg, onderwijs, recht en zo verder te bieden.

Er is al veel gesproken en geschreven over de geringere stabiliteit, die uiteraard beïnvloed wordt door de onderlinge wisselwerking tussen media, publiek, politici en instituties zelf. Maar in dit korte opstel gaat het me om het gegeven dat er allerlei vormen van spraak en tegenspraak zijn, resulterend in een stelsel van rechtsmiddelen, in een parlementair proces, in raden van toezicht en zo verder. Maar hoe zit dat met de media? Ik heb tot nu toe nimmer enige journalist geblameerd. Niet de journalist is primair verantwoordelijk voor een suggestief of feitelijk onjuist product, maar altijd de krant, organisatie of omroep. Zij zijn eindverantwoordelijk voor de wijze waarop een journalist of medewerker zijn of haar werk doet. Maar wie tegenwoordig kritisch is op een journalist krijgt al snel de verontwaardigde reactie dat de persvrijheid in het gedrang komt. Ik heb diepe bewondering voor journalisten aan het front in oorlogsgebied die met gevaar voor eigen leven hun werk moeten doen. Maar we kunnen in een rechtsstaat als de onze de persuitoefening toch niet vergelijken met een oorlogsfront of met de wijze waarop de pers in een bananenrepubliek wordt bejegend? Natuurlijk weet ik ook wel dat er tegenwoordig interne procedures zijn die de journalistieke integriteit dienen te bevorderen, zoals de ombudsman bij een krant. Wat in de onderlinge moeizame wals tussen pers en instituties lijkt te ontbreken is een gezond functioneel wantrouwen.

Het lijkt nodig dat media en ambtsdragers of instituties hun (over)gevoeligheden opzij zetten, maar zien dat er sprake is van tegengestelde valide belangen. De krant, radio- of televisieprogramma moet draaien, abonnees en kijkers of luisteraars moeten niet teruglopen. Infotainment is dan ook – naast de claim van waarheidsvinding – van groot belang om een publiek te trekken en te binden. Organisaties en artsen, hoogleraren, politici, bestuurders en magistraten hebben daarentegen een belang om hun werk goed over het voetlicht te brengen, op een wijze die niet versmald of verkeerd overkomt. Daarom zullen zij willen onderhandelen tot de laatste komma van de lead of een kop en frame van het mediaproduct. Waar de media zullen hebben te aanvaarden dat de geïnterviewde zoveel mogelijk greep wil hebben op het eindproduct, zal de geïnterviewde hebben te accepteren dat de journalist geen willoos vervoermiddel naar het publiek is, maar ook eigen te respecteren belangen, vrijheid en maatstaven koestert. Die belangen schuren, moeten ook schuren, en mogen zelfs conflicteren. Dit ‘gevecht’ staat los van persoonlijke verstandhoudingen, al zullen beide partijen dat soms lastig vinden.
Een belangrijke vraag hierbij is of de media voldoende tegenwicht krijgen. Wie gelooft dat er sprake moet zijn van spraak en tegenspraak, hoor en wederhoor, zal mogelijk ook menen dat de media geen nieuwe priesterkaste is die boven kritiek verheven is. Het is denkbaar dat de Raad voor de journalistiek vaker klachten gaat behandelen over een krant of programma als er bijvoorbeeld structureel sprake is van dubieus taalgebruik en schadelijke suggestiviteit, geflankeerd door alle interne mails en berichten die tussen de journalist en de klager of klagende organisatie zijn gewisseld. Ik denk dat het goed is als de klacht juridisch wordt ingekleed en met goede rechtsbijstand wordt gevoerd. De Raad is uitstekend en evenwichtig samengesteld, maar maken de organisaties en werkers van het publieke domein wel voldoende gebruik van ze? Als zich een patroon aan onzorgvuldige berichtgeving heeft ontwikkeld en betrokkenen niet al bij het eerste artikel op de achterste benen staan, kan de kwaliteit van de media gediend zijn bij meer tegenspraak dan nu het geval is. Daarmee ontstaat tussen de schurende belangen van media en maatschappelijke instituties meer gelijkwaardigheid dan nu soms het geval lijkt te zijn en waardoor personen en instituties nodeloze schade oplopen, zoals Sommer in zijn bijdrage aan de Volkskrant op een goede wijze zichtbaar maakt.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Voetnoten:
[1] Uit de fraai geschreven biografie van de journalist Hugo Arlman die jaloersmakend leert hoe mooi en neutraal een journalist kan schrijven, De eeuw van J.L. Heldring (1917-2013). Een biografie, Van Oorschot 2018, blz. 10.
[2] Zie Organiseren en verantwoorden door de strafrechter, Boom juridisch 2010 en Hans Joas, De macht van het heilige. Een alternatief voor de geschiedenis van de onttovering, Lemniscaat 2018, waarin deze inmiddels vermaarde Duitse socioloog fundamenten legt voor andere organisatieprincipes.