Openbaar Ministerie en strafrecht in de notedop van het proportionaliteitsperspectief

In oktober kwam een nieuw boek van mij uit onder de titel Een kleine biografie van het straffen. Dit boek beschrijft de lange zoektocht naar een passende straf en executie daarvan. Ik heb daar vragen over gekregen, in het bijzonder over de betekenis van vergeldend strafrecht.
In kort bestek gaat mijn verhaal als volgt. Wie kwaad doet wordt vergolden, zo gaat het al duizenden jaren en zo zal het blijven. Vergelding heeft voor sommigen een negatieve klank en wordt eenzijdig geassocieerd met wraak en negativiteit. Maar vergelding gaat sinds mensenheugenis niet over wraak en hardhandigheid, maar over proportionaliteit in positieve én in negatieve zin. Wie het goede doet wordt beloond naar vermogen en naar prestatie. Omgekeerd, wie een stuk vlees steelt krijgt niet de doodstraf, zoveel is duidelijk, maar wat proportioneel is hangt van tijd en plaats af en bovenal van de magistratelijke weging van de ernst van het misdrijf en de omstandigheden waaronder de feiten plaatsvonden en tenslotte van de persoon van de verdachte. Deze proportionaliteit speelt in elke fase van het strafrecht en raakt de kern van gerechtigheid, rechtvaardigheid, eerlijk en juist handelen waarmee we eigenrichting hopen te voorkomen en zichtbaar hopen te maken dat we rechtsgelijkheid nastreven. Proportioneel handelen is daarmee een ethische, politieke, maatschappelijke en juridische deugd. Het Openbaar Ministerie staat vanaf het ontstaan qualitate qua en zonder enige twijfel in die sleutel van de vergeldende retributieve proportionaliteit en doet dat elke dag opnieuw naar eer en geweten. Het Openbaar Ministerie functioneert niet in een ivoren toren maar is tegelijkertijd niet het maatschappelijk werk.
Recent heb ik in een interview gezegd dat ik in straffen geloof en dat rechters en officieren van justitie geen maatschappelijk werkers zijn. Daar hoort een iets andere definitie van de positionering van het Openbaar Ministerie bij. De officier van justitie is geen maatschappelijk werker, maar bij het bedenken van de beste aanpak, interventie of straf maakt het Openbaar Ministerie wel gebruik van het maatschappelijk werk. Per slot van rekening is het Openbaar Ministerie opdrachtgever van de reclassering. Die samenwerking is cruciaal, net als de verstandhouding met alle ketenorganisaties dat is. Het fijnmazige verschil is dat het Openbaar Ministerie in het permanent aanwezige proportionaliteitsperspectief heel veel baat heeft bij het doen van wat maatschappelijk verantwoord en verstandig lijkt, daarmee vanuit een breder maatschappelijk perspectief werkt dan pakweg 20 jaar geleden, en daartoe anderen heel hard nodig heeft, maar de officier van justitie daarbij andere organisaties benut maar ze niet vervangt. Ik loop elke fase kort door, belicht vanuit de officier van justitie.

1 Wel of niet strafrechtelijk optreden, wel of niet onder voorwaarden vervolgen
Ondanks mooie prestaties op het vlak van opsporingspercentages inzake levensdelicten, worstelt de Nederlandse politie met de rechtshandhaving op verschillende terreinen, dat is al lange tijd een groot politiek en maatschappelijk probleem. Mede daardoor is het geloof in het strafrecht tanende en dat is ernstig. Van de misdrijven die wel onder de aandacht komen van het OM moet beoordeeld worden of het OM ze afhandelt en op welke wijze. Er zijn maar weinig smaken. De verdachte is –deels- gestoord of – voluit aansprakelijk voor het misdrijf. Ook telt mee of het om een licht delict gaat of dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn, zoals dat de verdachte nog maar een paar dagen te leven heeft.
Of de verdachte gestoord of verward is kan de officier van justitie als jurist niet vaststellen, daar is deskundige hulp bij nodig. Die hulp mag niet louter bestaan uit een snelle gedragskundige blik door de crisisdienst. Officieren van justitie die zelf al dan niet samen met de politie vaststellen dat de verdachte verward is, volgens verschillende onderzoeken zou dat overigens de zeer grote meerderheid zijn, waardoor het onderscheidend vermogen wegvalt, denken altijd vanuit de beste bedoelingen maar de magistratelijkheid van de beslissing moet dan nog ontstaan, te weten de proportionaliteit van de passende reactie. Ook bij het verdubbelen van het aantal voorwaardelijke sepots van 4000 naar 8000 stuks in een jaar tijd valt wel wat uit te leggen. Uit het strafrechtelijk systeem vloeit voort dat een sepot moet worden gezien als een strafrechtelijke beslissing die gebonden is aan – opnieuw – proportionaliteitsmaatstaven en andere strafvorderlijke beginselen. De officier van justitie die een verdachte vraagt zich te laten opnemen in een psychiatrische inrichting om een verdere vervolging te ontlopen kan zich niet direct rechtvaardigen met de instemming van de verdachte. Als gechargeerd voorbeeld om mijn punt te maken kan een verdachte van potloodventerij dienen die publiekelijk terechtstaan wil voorkomen en om die reden akkoord gaat met de voorwaarde van chemische castratie om vervolging te ontlopen. Het zogeheten instemmingsvereiste ontslaat de officier van justitie derhalve niet van de plicht om te wegen of de voorwaarde proportioneel is.
Het wordt boeiend om in het komende tijdvak een balans te vinden tussen een tekortschietende rechtshandhaving en de keuze welke opgeloste misdrijven wel of niet door het OM worden opgepakt. Daarbij kan niet als criterium gelden dat het strafrecht en de strafrechter besmet lijken te zijn en strafzaken beter aan de zorg of andere organisaties kunnen worden overgelaten. Een misdrijf moet proportioneel vergolden worden, dus als het misdrijf bewijsbaar is en geen eenvoudig delict, waardoor regelmatig de strafbeschikking uitgesloten lijkt, en de verdachte niet op sterven ligt, waardoor een (voorwaardelijk) sepot eveneens uitgesloten is, lijkt het in beginsel aangewezen om de weg naar de zitting te bewandelen en de strafrechter om een vonnis te vragen. De strafrechter is geen beul, niet melaats en kan wel degelijk een ‘betekenisvol’ vonnis wijzen waarin zorg voor de geestelijke gesteldheid van de verdachte doorklinkt, al dan niet voorzien van een deskundig gedragskundig oordeel, dat in de voorfase bij de politie meestal ontbreekt. Dat kan wel sneller maar dan moet de oplossing gevonden worden in het versnellen van de procedure, niet in het te eenvoudig afzien van de eisen van proportionaliteit of van het straffen als zodanig (Een kleine biografie van het straffen, Boom juridisch 2018, paragraaf 4.7).
Mijn pleidooi, stoelend op de wet en het systeem, heeft wel enige gevolgen voor de verhouding tussen OM en andere organisaties. De reclassering, uiteindelijk werkzaam onder het gezag van het OM, kiest nu nogal eens voor trajecten waarin verdachten en zaken niet direct in de sleutel van strafrechtelijke afdoening worden geplaatst. Ook de reclassering wil graag betekenisvol werken (wie wil dat niet?) en in de voorfase van een vervolging meer als scharnier optreden tussen OM en gemeenten en sociale instellingen. Het voordeel daarvan is dat het OM iets meer kan concentreren op de eigenlijke staatstaak. Een ander voordeel is ook dat het sociale domein iets minder oneigenlijke verwachtingen krijgt van een OM dat dag en nacht klaar zou moeten staan voor burgemeesters en wethouders en geestelijke gezondheidsinstellingen. Dat kan niet, op straffe van verlies aan geloofwaardigheid, op straffe van het verworden tot een uitgebeende en vermoeide organisatie die nauwelijks meer de naam van magistratelijke organisatie mag dragen. Om die reden is het goed dat de reclassering meer als buffer tussen OM en sociaal domein en gemeenten gaat functioneren, mits de reclassering niet vergeet haar klassieke advies- en toezichttaken uit te oefenen en daarin ook op tijd te leveren. Het komende tijdvak zal leren of met de veelheid aan reclasseringstaken kan worden volstaan met de klassieke drie reclasseringsorganisaties (Verslavingszorg, Leger des heils en Reclassering Nederland) of dat er meer concurrentie moet worden toegestaan aan andere organisaties die ook uitstekend reclasseringstaken kunnen uitvoeren. Bij wijze van voorbeeld wijs ik op buitenlandse rechtsstelsels waar de penitentiaire reclassering onderdeel uitmaakt van het gevangeniswezen.
Kortom, het OM brengt ingewikkelde zaken of verdachten naar de rechter, komt in beeld bij strafrechtelijke interventies en laat de – uitvoering van de – oplossing voor maatschappelijke problemen over aan andere organisaties. En bij uitzondering kan op grond van het opportuniteitsbeginsel afgezien worden van strafvervolging, desnoods onder voorwaarden, mits een en ander in proportie is met de strafvorderlijke beginselen die ook van toepassing zijn op het voortraject.

2 Vervolging en berechting
Als het OM besluit om een verdachte te dagvaarden voor de strafrechter dient zich dezelfde vraag aan als in de vorige fase. Ik wil twee punten aanstippen.

A Is de verdachte gestoord waardoor het gepleegde en te bewijzen misdrijf geheel of gedeeltelijk niet toe te rekenen valt? Als er valide aanwijzingen voor een verstoorde vrije wil zijn is gedragskundige expertise nodig om de stoornis vast te stellen. We moeten scherp voor ogen houden dat een verminderde toerekeningsvatbaarheid een geringere verantwoordelijkheid van de verdachte inhoudt op grond waarvan hij als een geestelijk gekneusd mens moet worden beschouwd. Wie iets gruwelijks doet is echter nog niet meteen gek. Slecht gedrag hoeft niet uit een zieke geest voort te komen. Als de magistraat de stoornis niet overtuigend aangetoond vindt kiest hij bij ernstige misdrijven dan ook voor een langere straf.
Overigens is een wezenlijke vraag of wel altijd dezelfde zware rapportage nodig is om de officier van justitie en de strafrechter van de juiste informatie te voorzien. Monorapportage kan volstaan indien op voorhand voor de officier van justitie of rechter al duidelijk is dat de maatregel van dwangverpleging niet geïndiceerd is. Mogelijkerwijs zou de inhoud van het onderzoek ook iets meer kunnen differentiëren dan de wijze waarop thans in alle zaken op dezelfde manier gerapporteerd wordt. Daarmee zou er minder belastend en tijdrovend onderzoek uitgevoerd hoeven te worden waardoor het NIFP meer capaciteit beschikbaar heeft voor andere adviesaanvragen, bijvoorbeeld in de voorfase van de vervolging of gedurende de detentie of bij de aanvraag voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling.

B. Bij het opleggen van een strafbeschikking en bij het vorderen van een passende straf past geen twijfel dat de straf punitief is, beschadigend naar de verdachte en zo verder. De vergelding als strafkenmerk kan niet ontlopen worden, alleen al niet vanwege het strafblad dat nu eenmaal een veroordeelde of een gestrafte met een strafbeschikking aankleeft. Straf is straf, niets mis mee, maar met de strafbeschikking en de gevorderde straf kunnen wel bepaalde strafdoelen gediend worden. Een kansrijke koers kan zijn gelegen in het samenstellen van een palet aan voorwaarden en faciliteiten dat ten goede komt aan slachtoffer, samenleving en verdachte. Een snelle berechting is per definitie het goede streven, maar in het verband van korte voorwaardelijke veroordelingen lijkt het ook mogelijk dat het OM tevoren met reclassering, gemeenten, verdachte en raadsman tot overeenstemming komt over welke gedragsvoorwaarden binnen de straf passend is. Bij bekennende verdachten in eenvoudige zaken kan de politierechter dan sneller beslissen dan nu het geval is. Bovendien is er met een voorwaardelijke gevangenisstraf meer stok achter de deur dan bij een voorwaardelijk sepot het geval is. Ten slotte is het goed dat de strafrechter meer in beeld komt in zaken waarin het OM mogelijk te makkelijk met een voorwaardelijk sepot met indringende gedragsvoorwaarden zelf beslist. Het is de publiekelijke en transparante berechting in de rechtszaal die we niet te makkelijk moeten versmaden (zie mijn eerdere blog Versnelde berechting van eenvoudige feiten met gecompliceerde verdachten).

3 Executie[1]
Vaak wordt vergeten dat de lengte van de straf soms minder belangrijk is dan de invulling van de straf. Berouw, spijt of het verzoek om clementie hoeven niet direct tot strafvermindering te leiden, maar kunnen een stevige rol vervullen in de wijze waarop de straf wordt geëxecuteerd. Wie kent niet de bekende dichtregels van Vasalis: niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn. Gevangenisstraf houdt exclusie in, de veroordeelde wordt uitgesloten en uitgestoten, verbannen uit de vrije uitoefening van rechten. Het komt er op aan om de exclusie weer te laten overgaan in inclusie, tot insluiting door de samenleving. Het overgaan van exclusie tot inclusie door de rechtsgenoten zou de grootste opgave van elke regering en elke gevangenisautoriteit moeten zijn. Hoe kan de straf zo worden ingevuld dat de veroordeelde gaat lijden aan zijn misdrijf en de gevolgen en dat hij gaat werken aan zijn eigen hervorming? Dat hij verantwoordelijkheid gaat zien als het formuleren van een antwoord op de door hem geschonden belangen van de Ander, waaronder maatschappelijke belangen en die van een medemens gelijkelijk mogen worden begrepen. Bij het verdiepen van die aansprakelijkstelling en het nemen van verantwoordelijkheid kunnen berouw en spijt helpen, zelfs aangejaagd worden onder deskundige begeleiding van de nodige hulpverleners en vrijwilligers. Het betreft hier een diepere ethiek van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid.[2] Het komt erop aan te zien dat zelfs in het grootste kwaad altijd nog iets van goeds aanwezig kan zijn. De exclusie van het vrije leven in de gemeenschap dient – met uitzondering van mogelijk de exclusie van de levenslange vrijheidsstraf – weer tot re-integratie, tot inclusie in de vrije gemeenschap van burgers te leiden, wat sterk bevorderd wordt door het oefenen in goed burgerschap, waaraan het nu bij veel veroordeelden ontbreekt. Het is denkbaar dat er meer forensische zorg verschuift van de vervolgingsfase naar de detentiefase. De gevangenis is geen beulswerk en houdt ook geen Robbeneiland in. Om de detentie betekenis te laten krijgen, een betekenisvolle interventie te laten zijn, zijn begeleiding, taalcursussen, hulp en drang nodig, penitentiaire psychiatrie, geestelijke raadslieden en reclassering. Er is aandacht nodig van gemeenten die op enig moment de veroordeelde weer terugkrijgen in hun midden en die kunnen bijdragen aan een penitentiair klimaat waarin optimale beïnvloedings- en bijsturingsmogelijkheden worden benut om de veroordeelde weer zodanig te conditioneren dat hij in de samenleving weer verder kan. Onderdeel van deze overheidsinspanning vormt ook een hervormde invrijheidsstelling die de veroordeelde moet verdienen met het tonen van ander gedrag. De veroordeelde die dat weigert heeft – na invoering van nieuwe wetgeving – geen recht op een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Overwogen moet worden om gevaarlijke veroordeelden niet vrij te laten maar langer vast te houden op grond van een nieuwe maatregel (Een kleine biografie van het straffen, Boom juridisch 2018, paragraaf 5.5). Net als in eerdere fasen zijn juristen en gevangenisautoriteiten geen gedragskundige. Daarom zijn er ook in de gevangenis en tijdens de extramurale detentie, de zogeheten voorwaardelijke invrijheidsstelling, deskundige adviezen van forensisch psychiaters, reclasseerders en psychologen nodig om te kunnen bepalen of een veroordeelde in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling en eveneens voor de begeleiding van de veroordeelde buiten de gevangenismuren.

Overkoepelende vragen en toekomstverkenningen
Ik kan me voorstellen dat menigeen binnen en buiten de strafrechtspleging vragen heeft bij de enorme overlap aan taken, bevoegdheden en goede bedoelingen van vele beroepsbeoefenaren. Halt, veiligheidshuizen, zorgoverleg tussen OM en allerhande organisaties die zich vooral bezig houden met preventie van crimineel gedrag en gedragsbeïnvloeding van verdachten en veroordeelden. Er wordt heel hard gewerkt, maar het is niet eenvoudig om eenieders positie, verantwoordelijkheden te onderkennen en af te bakenen. Wat is de positie van het OM, weet het OM nog wel de goede prioriteiten aan te leggen, is het OM niet in een houdgreep terechtgekomen van burgemeesters en de zuigkracht vanuit het sociaal domein, is het OM nog wel een magistratelijke organisatie of meer een maatschappelijk werker? Het antwoord is als volgt in te kaderen:

Vanuit eisen van proportionaliteit is een officier van justitie vrij om te beslissen of de vervolging opportuun is of bij vervolging te kiezen voor het ene of het andere traject. De opportuniteitsafweging valt echter niet van bovenaf te dicteren of te omlijnen en is niet onderhorig aan grootse maatschappijvisies. Een officiersbeslissing is in het algemeen niet van bovenaf in te kaderen of te sturen. Het dwingende strafvorderlijke kader behelst niet meer dan dat de officier onder andere de (vergeldende) proportionaliteit van zijn keuze schriftelijk registreert en motiveert.
Het Openbaar Ministerie vormt een perpetuum mobile. Ook decennia geleden werden er naar het toenmalige oordeel betekenisvolle sancties nagestreefd, maar anno 2018 wordt er over de invulling van sancties weer wat anders gedacht. Zo hoort het ook, het strafkenmerk is al duizenden jaren vergelding, vergelding en nog eens vergelding. De strafdoelen worden anno 2018 wel iets anders geformuleerd en ingevuld dan anno 1988. In meer rechtstheoretische zin en werkend aan het aanscherpen van het fundament: het komt aan op het besef dat elke keer gestreefd wordt naar een betekenisvolle invulling van de straf en strafbeschikking alsmede betekenisvolle executie daarvan, en dat die betekenisvolle ‘interventie’ niet altijd in de plaats hoeft te komen van de straf, maar soms beter als straf gedefinieerd kan worden. Want het maakt een verdachte niet uit of hij door de hond of de kat gebeten wordt. Bij ingrepen in burgerlijke vrijheden en opgelegde verplichtingen kan het helpen om ook de buitenrechtelijke interventies als straf te definiëren.

De goede bedoelingen van de overheid in het algemeen hebben geleid tot een op het eerste gezicht enorme wildgroei aan justitieel optreden en ingrepen. We hebben in dit land meer dan 20 justitiële titels om zorg te kunnen verlenen! Dit gegeven heeft ook een ingewikkelde correlatie met financiën en aanspraken, maar kan in dit woud niet worden gekapt onder het tuindersmotto “snoeien doet bloeien”?
De rij aan vragen en twijfels lijkt schier eindeloos. Maar het antwoord lijkt minder ingewikkeld, waarmee ik mij haast te schrijven dat het antwoord niet bevredigend hoeft te zijn: het OM is een organisatie die per strafzaak afwegingen maakt en dit maatwerk vindt plaats in een sterk gefragmenteerde wereld van zeer veel organisaties die zich bezig houden met crimineel en verward gedrag. De wereld van de strafrechtsbedeling is in enkele decennia sterk versnipperd geraakt, wat niet het oordeel rechtvaardigt dat het OM ongericht en onbeheerst werkt, maar wel duidelijk maakt dat in een zeer complexe strafrechtspraktijk het OM die complexiteit weerspiegelt. Zoals hierboven aan de tuinierswereld ontleend: snoeien doet bloeien. Misschien is dat ook hier wel het geval. Mogelijk dienen alle strafrechtelijke organisaties en het departement wel te snoeien in alle taken, waardoor bovendien geld vrijvalt, om in een geconcentreerde vorm het werk beter te kunnen uitvoeren. Voor het OM zou dan gelden dat van voorfase tot executie nodig is om te harmoniseren, bijvoorbeeld om via een aanwijzing alle voorkomende gedragsvoorwaarden te stroomlijnen en aan elke officier van justitie dezelfde handvatten mee te geven bij het vormgeven van de voorwaardelijke sepots, strafbeschikking en voorwaarden bij de voorlopige hechtenis, veroordeling en invrijheidsstelling. Ook zou richting andere strafrechtelijke organisaties in dezelfde strafrechtelijke aanwijzing helder gemaakt kunnen worden wanneer het OM wel of niet in actie komt die voor gemeenten en andere onderdelen van het publieke domein de positie van het OM verheldert, zodat voorzienbaar wordt op welke inzet van het OM mag worden gerekend. Dat komt de betrouwbaarheid en bestendigheid van het OM ten goede. Maar opnieuw: van bovenaf sturen is het meest effectief als een en ander vanaf de werkvloeren en vanuit de verschillende maatschappelijke organisaties helder wordt welke interventies/gedragsvoorwaarden gemist kunnen worden vanwege overlap etc. Van bovenaf dictaten opleggen rendeert vrijwel nooit.

Hierboven zijn enkele denkrichtingen en ontwikkelingen aangestipt, zoals rond de versnelde en vereenvoudigde berechting van verdachten met persoonlijke problemen in eenvoudige strafzaken alsmede de vereenvoudigde rapportages van het NIFP en het nadenken over een maatregel bij gevaarlijke ex-veroordeelden die in het komende tijdvak nader geëxploreerd kunnen worden. Maar de belangrijkste innovatie zou – naast het zorgvuldiger hervormen van ons soms te modieuze taalgebruik en de noodzaak om de vrijheidsbeneming weer rijker in te vullen – wel eens gelegen kunnen zijn in het snoeien van de immense overlap aan programma’s, taken en instituties die op het domein van maatschappelijk ongewenst gedrag werkzaam zijn.

Ik sluit af met nog een enkele kanttekening bij eerdere zinnen over betekenisvol werken. Elke professional in de strafrechtsketen, van Raad voor de Kinderbescherming, politie tot Openbaar Ministerie streeft dat terecht na. Veel van deze individuele en gezamenlijke inzet leidt tot een programmatische en soms wenselijke integrale aanpak. Soms is de inzet – in ieder geval vanuit het Openbaar Ministerie – begrijpelijk en terecht gericht op het agenderen van maatschappelijke problemen of gebrekkig toezicht, zoals inzake de mest of het toezicht op de kwaliteit van het bank- en geldverkeer. Een belangrijk aandachtspunt voor het Openbaar Ministerie voor het komende tijdvak is ook niet om terug te keren naar de kazerne of om het werken in de praktijk heel anders te maken. Er is sprake van een accentverschuiving die zich mogelijk gaat openbaren in twee punten. Het eerste is dat het fundament van het werk van het Openbaar Ministerie preciezer gedefinieerd kan worden in wet en beleid. Mogelijk zou het strafbegrip herijkt moeten worden en is er niet alleen sprake van straf als deze door de strafrechter wordt opgelegd of vorm krijgt in een strafbeschikking. Mogelijk zouden gedragsinterventies of indringende afspraken tussen een justitiabele en het Openbaar Ministerie ook als straf gedefinieerd moeten worden. Daardoor ontstaan eerder omlijnde en voorzienbare ‘producten’ die eveneens financiering behoeven. Het tweede is dat het Openbaar Ministerie geen maatschappelijk werk is maar wel met behulp van maatschappelijk werk en vele andere betekenisvolle organisaties het maatschappelijk effect nastreeft waarmee nu al zo geprobeerd wordt te woekeren. Indien de reclassering meer het scharnier wordt tussen Openbaar Ministerie en het sociale domein komt het aan op dezelfde officiersintenties als thans aanwezig zijn, maar gaat de officier van justitie meer als opdrachtgever functioneren.

Met de nodige zelfspot richting de voorgaande 3603 woorden kan het in het komende decennium slechts om eventuele accentverschuivingen in de dagelijkse strafrechtspleging gaan die we bij een terugblik rond 2030 op het gevoerde beleid hopelijk nog eens kunnen vangen onder Hollandse noemers als proportioneel, haalbaar, betaalbaar, berekenbaar en houvast voor de binnen- en de buitenwereld van de strafrechtsketen.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Voetnoten
[1] Ik heb het niet over de maatregel van TBS met dwangverpleging. Indien er sprake is van een stoornis die het gepleegde misdrijf verklaart en er sprake is van een zeer ernstig misdrijf is het een Nederlandse verworvenheid om veroordeelden gedwongen te behandelen. Voor het overige is er tijdens detentie meer forensische zorg nodig.
[2] Zie hierover het werk van de voormalige opperrabbijn van Groot Brittannië, Jonathan Sacks, Een gebroken wereld heel maken, uitgeverij Skandalon 2017, blz. 260 e.v. en het werk uit 1978 van de wereldberoemde neuroloog en psychoanalyticus Viktor Frankl, De zin van het bestaan. Een inleiding tot de logotherapie.