Omgangsvormen – we praten er vaak over

Over omgangsvormen in de rechtszaal wordt nogal eens gesproken, maar tot handelen komt het zelden. Anders dan de landen met een Angelsaksische rechtstraditie kennen wij geen contempt of court. Evenmin zie je tijdens onze zittingen het verschijnsel dat in de Amerikaanse courtroom gebruikelijk is, namelijk dat rechters de vertegenwoordigers van partijen bij zich in chambers uitnodigt om, al dan niet na een incident, de gang van zaken buiten aanwezigheid van hun cliënten te bespreken. Het komt überhaupt nauwelijks voor dat togadragers onderling over elkaars functioneren communiceren. Wij kennen eigenlijk alleen de wraking, of de iets mildere variant, waarin een rechter zich, al dan niet op verzoek, vrijwillig terugtrekt. Maar over dat instituut bestaat nogal wat ongenoegen.

De vraag wordt wel gesteld of niet alleen rechters, maar ook officieren van justitie en advocaten een eigen verantwoordelijkheid voor het goede verloop van een procedure hebben, ook als zij daarmee ogenschijnlijk niet het belang van hun cliënt (in strafzaken de Staat respectievelijk de verdachte) dienen. Rechters hebben nogal eens de indruk dat advocaten soms standpunten innemen of gedragingen vertonen met als enig doel aan hun cliënt te laten zien dat zijn zaak stevig wordt verdedigd. Dat leidt er dan toe dat de sfeer in de rechtszaal verhardt en/of rechters zich genoopt voelen op elke stelling in te gaan, ook als die bij voorbaat volstrekt kansloos is.
Sommige advocaten zijn in staat in dit soort situaties subtiel, maar voor de rechters overduidelijk, te laten doorschemeren dat hun optreden vooral voor de bühne (lees: hun cliënt) is bedoeld. Anderen zijn daarin minder tactvol en wekken de indruk dat het hun eigen strategie is, vooral als zij dergelijk gedrag vaker vertonen. De rechter kan hierop op allerlei wijzen reageren: de strijd tijdens de zitting aangaan (maar dan gaat het vooral daarover en kost het alleen maar meer tijd en ergernis) of de situatie rustig laten voorbijgaan en, als het om bij voorbaat kansloze stellingen gaat, deze in het vonnis (of de tussenbeslissing) gemotiveerd maar strak verwerpen. Het probleem blijft dan echter onbesproken. En of het verstandig is in het vonnis een alinea voor een kat naar de advocaat te gebruiken is natuurlijk de vraag.

Bij dit alles speelt, vooral, maar niet alleen in strafzaken, ook het instituut wraking een rol. Gelet op het grote aantal afgewezen wrakingsverzoeken lijkt dit rechtsmiddel nogal eens te worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het in de wet is opgenomen. De term ‘zand in de machine’ is in dit verband geen onbekende. Probleem is dat het (tover)woord wraking onmiddellijk verlammend werkt – soms is zelfs de impliciete dreiging al genoeg. Waarom gaan rechters die daarmee worden geconfronteerd niet vaker met de wraker in discussie om vast te stellen hoe serieus diens verzoek moet worden genomen? Om dan vervolgens de zitting gewoon voort te zetten als van bevooroordeeldheid of de schijn daarvan in alle redelijkheid geen sprake kan zijn? Het ergste wat dan kan gebeuren, is dat de wraker in hoger beroep gaat of een klacht indient – als dat al gebeurt, want hij zou in het vonnis ook wel eens in het gelijk kunnen worden gesteld.
Dat wraking pas in hoger beroep (of cassatie) zou moeten worden behandeld, heb ik in deze kolommen en elders al eens verdedigd. Het zou een hoop onnodig tijdverlies kunnen schelen, en een reëel gerechtvaardigd belang bij wraking lijkt in het overgrote deel van de gevallen ver te zoeken. Bovendien moet, ook al wordt in een enkele zaak een wrakingskamer in een ander gerecht opgetuigd, vrijwel steeds een groep rechters uit hetzelfde gerecht over de honoreerbaarheid van een wrakingsverzoek tegen een collega oordelen. En dat blijft iets ongemakkelijks houden, zoals rechters die het meemaken het ervaren. Maar als de hogere instantie vervolgens tot het oordeel komt dat van (de schijn van) partijdigheid sprake is geweest en de wrakende partij daarvan nadelen heeft ondervonden, moet dat gevolgen hebben. Gezien de huidige praktijk zal dat zich vermoedelijk zelden voordoen.

Beter dan wraken is natuurlijk proberen er in onderling overleg uit te komen. Zo zou een gesprek in chambers naar Amerikaanse model de kou al uit de lucht kunnen nemen. Hoe dan ook zou een klimaat moeten worden gecreëerd waarin de togadragers elkaar op hun functioneren aanspreken – in alle richtingen. Zo zou een advocaat die merkt dat een rechter op een onhandige en improductieve manier met zijn cliënt communiceert, de rechter erop moeten kunnen wijzen dat een andere benadering beter werkt. Daarnaast moet de rechter de ruimte hebben om een escalerende onenigheid tussen officier van justitie en advocaat in te dammen. Nu gebeurt dat doorgaans alleen in de zittingzaal, maar het zou meer effect kunnen hebben als de rechter betrokkenen even bij zich in raadkamer kan roepen. (Helaas beschikken rechters in Nederland niet over de mooi aangeklede werkkamers van hun Engelse en Amerikaanse collega’s. De eind september 2018 uitgebrachte film The Children Act laat dat nog eens op schrijnende wijze zien.)

Betekent dit dat elk ‘verpesten van de goede sfeer’ de kop moet worden ingedrukt? Nee, niet als dat voor legitieme verweren (zoals vormfouten) wordt gebruikt. Uiteindelijk ligt de eindverantwoordelijkheid bij de orde in de rechtszaal bij de rechter. Maar die heeft, ook in tactisch opzicht, een arsenaal aan middelen om het proces op een zodanige wijze te laten verlopen dat aan ieders gerechtvaardigd belang recht wordt gedaan. En daar gaat het uiteindelijk om.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam