Tijd voor echte professionalisering

Tot in de jaren ’80 van de afgelopen eeuw konden zelfs in wat toen grote rechtbanken waren, belangrijke besluiten makkelijk met alle rechters worden afgestemd en was elke rechter redelijk dicht bij het beleid en de gang van zaken betrokken. De president besliste niet alleen over vrijwel alles wat in het gerecht gebeurde, maar behandelde ook zaken, veelal kortgedingen. Aan spraakmakende zaken (en uitspraken of zittingspraktijken) ontleenden sommige presidenten hun landelijke bekendheid.
Binnen de rechtbanken heersten naast een min of meer vanzelfsprekende hiërarchie overzichtelijke sociale verhoudingen, mede doordat de rechters doorgaans uit dezelfde maatschappelijke kring (het rode en het blauwe boekje) voortkwamen. Voor nieuwe rechters was het daarom geen enkel probleem op dezelfde manier te werken en zich op dezelfde wijze als hun ervaren collega’s te gedragen. Verder was het (externe) gezag van rechters en hun organisatie onaantastbaar. En het woord “productiecijfers” moest nog worden uitgevonden.
In die sfeer bestond weinig ruimte voor – maar ook relatief weinig behoefte aan – dissident gedrag of afwijkende meningen. Wie iets wilde wat niet met de heersende opinie overeenkwam, kon worden geconfronteerd met “dat moesten we maar niet doen”. En wie zich in een onbewaakt ogenblik niet volgens de erkende normen gedroeg, mocht niet verbaasd zijn, als hem “zo gaan we niet met elkaar om” werd toegeworpen. De wereld van rechters bestond verder voornamelijk uit mannen. Hoe dan ook was ondenkbaar dat vrouwen president werden.

De tijden zijn veranderd: de schaal is veelvoudig vergroot, kleine rechtbanken bestaan niet meer, productiedwang staat voorop, gerechtsvergaderingen nemen de besluiten niet meer, presidenten (en diverse andere rechters) managen en besturen nog alleen maar, vrouwen zijn in de meerderheid – en staan tegenwoordig ook aan het hoofd van diverse gerechtsbesturen, etc. etc. Kortom, gerechten zijn forse bedrijven geworden waarin het nodige is veranderd. Toch lijkt het in sommige opzichten of de rechterlijke macht (en dan bedoel ik het zittende deel daarvan) nog leeft in die tijd waarin de schaal klein en de lijnen kort waren en de kring waaruit rechters werden geselecteerd, in de rode en blauwe boekjes was terug te vinden.
Dat uit zich ten eerste in het feit dat ondanks de enorme schaalvergroting nog altijd wordt vastgehouden aan de gedachte dat rechters de leiding van de organisaties moeten voeren, en niet daarvoor opgeleide professionele bestuurders. Academische ziekenhuizen en universiteiten kenden hetzelfde verschijnsel. Ten tweede is opvallend dat ondanks alle mooie voornemens de sociale en etnische diversiteit onder de rechters ver te zoeken is. Rechters zijn nog steeds vrijwel allemaal witte mannen en vrouwen. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat aan rechters in opleiding (of aan hen die dat willen worden) het beeld wordt voorgeschoteld dat ze er zullen komen, als ze maar hetzelfde doen als reeds zittende rechters. Dat je misschien (of juist) wel eens anders zou mogen zijn, is niet iets wat zij bij selectie en opleiding op het netvlies krijgen. Mogelijk gebeurt dit onbewust, maar dat is misschien des te zorgwekkender.

Ten derde wordt in het proces van plaatsing en overplaatsing nauwelijks met de capaciteiten van de individuele rechter rekening gehouden. Niet alleen heerst nog altijd in veel gerechten (vooral rechtbanken – de hoven hebben daarvan minder last) de gedachte dat je om de zoveel jaar moet wisselen. Daarnaast vinden nogal eens interne transfers plaats om in behoeften in bepaalde afdelingen / sectoren te voorzien. Dat is op zichzelf begrijpelijk, als zich op de ene plek een tekort voordoet en op de ander een overschot. Maar het is betreurenswaardig, en vaak domweg kapitaalverlies, als je een rechter met een dijk aan ervaring in het handelsrecht om een dergelijke reden (en tegen zijn of haar zin) strafzittingen laat doen. Zoiets is in de commerciële wereld haast ondenkbaar.
Dat geldt ook voor het ontbreken van enige vorm van competitie, als zich voor een bepaald soort werk meer gegadigden aanbieden – en dan heb ik het niet voor de promotie tot seniorrechter. Plaatsingen en overplaatsingen worden doorgaans vanuit de optiek van het management bekeken, al dan niet in het kader van het individuele loopbaanbeleid. Maar dat betekent niet dat de beste rechter op de beste plaats terechtkomt. Ook dat is iets wat zich in een commercieel bedrijf moeilijk laat voorstellen.

En ten slotte de praktijk van het toedelen van zaken. Was het in het verleden nog zo dat rechters – maar dan heb ik het vooral over de civiele sector – zelf dossiers uit de kast haalden of zaken volgens alfabet bij bepaalde rechters terechtkwamen (zoals bij kanton), tegenwoordig vindt de toedeling voor het overgrote deel volgens een rooster plaats. Dat gebeurt bij strafzaken al wat langer. Dat is nog niet hetzelfde als in diverse andere Europese landen, waar een computerprogramma ter voorkoming van enige vorm van menselijke inbreng volgens diverse criteria zaken verdeelt. Ondenkbaar zou in die landen echter zijn dat rechters zaken onderling ruilen of van elkaar overnemen of dat het management voor bepaalde bijzondere zaken de rechters selecteert. Bij ons gebeurt een en ander wel, en dat is ongetwijfeld terug te voeren op de sfeer van weleer waarin dat bon ton was en niemand er enig been in zag het op deze manier te doen. Een tweede oorzaak is het ontbreken van een behoorlijk digitaal gestuurd toedelingssysteem. Ook dit blijkt vooralsnog een te moeilijke opgave te zijn.

Een grondige professionalisering zou geen luxe zijn. Het is een thema dat in veel van deze blogs terugkeert.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam