De procesinleiding en de vrijheid die de strafrechter (niet) verdient

In 2015 pleitte ik op Ivorentoga om af te stappen van het systeem waarin de officier van justitie het strafdossier naar de strafrechter stuurt om een dag voor de terechtzitting te bepalen. Dit systeem zorgt er namelijk voor dat de rechter niet in staat is regie te voeren. Tussen het moment dat de strafrechter het dossier krijgt en hij de dag voor de terechtzitting moet bepalen heeft hij op grond van de wet geen moment om regie te voeren. Een dergelijk regiemoment zou de mogelijkheid kunnen creëren de verdediging het procesdossier te verstrekken en een termijn te kunnen koppelen aan het indienen van getuigenverzoeken die dan kunnen worden beoordeeld aan de hand van het lichtere criterium van het verdedigingsbelang. Dit laatste zou ervoor zorgen dat eindelijk afscheid zou kunnen worden genomen van de (ook vanuit verdedigingsoogpunt) onnodige mogelijkheid om tot 10 dagen voor de zitting om getuigen te verzoeken die alsdan beoordeeld moeten worden aan de hand van dat lichtere criterium.

Het nog wat zoekende voorstel van mijn hand luidde destijds als volgt:

De rechter zou bij toezending van het dossier en de beschuldiging niet een appointeringsvoorstel moeten krijgen, maar een verzoek om regie te voeren.
Vervolgens zou de rechter die regie ter hand moeten nemen. Indien de rechter verzoeken verwacht, zouden de beschuldiging en het strafdossier terecht moeten komen bij verdachte en diens advocaat en deze zouden in de gelegenheid moeten worden gesteld verzoeken te doen. Daarbij kan het verdedigingsbelang en een termijn dienst doen. Verzoeken binnen een bepaalde termijn nadat de rechter om verzoeken verzocht heeft worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang, verzoeken buiten die termijn komen slechts voor toewijzing in aanmerking indien de rechter toewijzing daarvan noodzakelijk acht.
Als er verzoeken zijn, kan de rechter daarop beslissen, nadat het openbaar ministerie daaromtrent (via e-mail) is gehoord. Toegewezen getuigen kunnen worden gehoord bij de (gedelegeerd) rechter-commissaris voorafgaand aan de zitting of, in de gevallen waarin de rechter dat aangewezen acht, ‘gewoon’ op zitting.
Als de rechter geen verzoeken verwacht, als er geen verzoeken zijn gedaan of toegewezen of als de toegewezen verzoeken van een rechterlijke actie zijn voorzien, kan de opdracht richting het openbaar ministerie uitgaan om tot dagvaarding (en oproeping van eventuele tolken, slachtoffers en benadeelde partijen) over te gaan.

In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt thans voorgesteld om de berechting in plaats van een dagvaarding te laten aanvangen met een procesinleiding. Deze wordt door de officier van justitie bij de voorzitter van de rechtbank ingediend, waarna de voorzitter de procesinleiding aan de verdachte doet betekenen. Bij betekening van de procesinleiding wordt de verdachte gewezen op zijn recht op rechtsbijstand en het recht op kennisneming van de processtukken. Vervolgens kan de verdachte binnen twee weken na betekening van de procesinleiding schriftelijk getuigenverzoeken bij de voorzitter indienen. Deze termijn kan met twee weken worden verlengd. De voorzitter gaat pas tot dagbepaling over nadat hij heeft geïnventariseerd of de zaak voldoende is voorbereid om op de terechtzitting te worden behandeld.

Het zal geen verassing wezen dat ik positief ben over dit voorstel. Op deze manier krijgt de rechter daadwerkelijk de mogelijkheid regie te voeren en wordt de verdediging ook daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld tijdig verzoeken te doen. Bij planning van de zaak is – als het goed is – het verzochte nader onderzoek in de vorm van het horen van getuigen verricht of wordt daarmee rekening gehouden. Dit zou moeten zorgen voor een adequate planning en het voorkomen van voorzienbaar oponthoud.

De vraag is echter of het voorstel de rechter volledig regie laat voeren. Indringender lezing van het voorstel leert dat de procesinleiding standaard zal worden betekend in MK-zaken, terwijl in EK-zaken de procesinleiding samen met de oproeping zal worden betekend en gefaseerd aanhangig maken in zijn geheel niet mogelijk is. De voorzitter van de MK kan wel regie voeren, maar hem wordt niet de mogelijkheid geboden om de procesinleiding achterwege te laten, bijvoorbeeld in zaken waarin geen onderzoekswensen te verwachten vallen. Dat kan leiden tot het dubbel betekenen van de processtukken (namelijk van procesinleiding en van oproeping) in zaken waarin dat (voorzienbaar) niet nodig is. Daar staat tegenover dat de enkelvoudige rechter (of zijn ondersteunende medewerker) niet de mogelijkheid heeft een zaak gefaseerd aanhangig te maken (dat wil zeggen met eerst een procesinleiding en na regievoering pas een oproeping). Dat betekent dat in zaken voor de enkelvoudige kamer aanhoudingen die te voorzien waren zullen blijven voorkomen.
In de concept Memorie van Toelichting wordt in dit verband erop gewezen dat bij 86% van de politierechterzaken de gehanteerde norm voor de doorlooptijd van 5 weken wordt gehaald en dat gefaseerd aanbrengen zou leiden tot een aanzienlijke verlenging van de doorlooptijden. Dit argument overtuigt niet direct. Om te beginnen is de 86% nog onder het doel dat de Rechtspraak zichzelf stelt (namelijk een percentage van 90%). Daarnaast kan de 14% nog een behoorlijk aantal zaken in absolute zin betreffen die baat zouden hebben bij iets meer regie. Regie in die zaken hoeft nog niet te betekenen dat in de andere zaken de doorlooptijden zouden toenemen (mits het gefaseerd aanhangig maken uiteraard niet standaard hoeft te gebeuren). En verder is het de vraag of een lichte toename van de doorlooptijden moet worden betreurd. Voor een afgewogen standpunt is het in mijn ogen namelijk nodig om te bezien in hoeverre in die politierechterzaken getuigenverzoeken worden afgewezen waarna in hoger beroep toch nog nodig wordt geacht getuigen te horen. Wanneer politierechters de neiging zouden hebben om verzoeken streng te beoordelen omdat er toch nog de mogelijkheid van hoger beroep bestaat, dan is de vraag of iets langere doorlooptijden in de rechtbankfase door in het kader van een regiemoment iets meer aandacht te besteden aan getuigenverzoeken erg is. Er wordt dan immers vertraging in hoger beroep voorkomen, terwijl de getuigen op een eerder moment gehoord kunnen worden. Dat komt de kwaliteit van de verklaringen alleen maar ten goede.
Buiten dat zou ook de vraag opgeworpen kunnen worden of het überhaupt nodig is de procesinleiding te betekenen. Als uitganspunt zou immers ook kunnen gelden dat wil de verdediging van bepaalde procesrechten gebruik kunnen maken hij zich ook bereikbaar zou moeten houden. Er zou volstaan kunnen worden met een gewone verzending waarvan het niet ontvangen voor risico van de verdachte komt. Het noodzaakcriterium fungeert als vangnet voor de door de rechter noodzakelijk geachte verzoeken. Daar waar de oproeping – vanwege het verband met het aanwezigheidsrecht – altijd moet worden betekend, zou ten aanzien van de het bieden van de mogelijkheid getuigen op te roepen die worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingscriterium met minder inspanningen van de kant van de overheid kunnen worden volstaan.

Een andere kanttekening die ik heb betreft de termijn die de verdediging wordt gegund om onderzoekswensen in te dienen. Die bedraagt standaard twee weken en kan (ook standaard) met twee weken verlengd worden. Op zich is er niets mis mee om de eerste termijn standaard op een bepaalde duur te stellen. De vraag is echter of de termijn van twee weken niet te kort is. In zaken waarin er reeds een raadsman is en deze al bekend is met grote delen van het dossier is het misschien wel te doen, maar de vraag is of dat ook het geval is in zaken waarin nog een raadsman moet worden aangezocht en deze zich nog het dossier eigen moet maken. Het conceptwetsvoorstel biedt de rechter de mogelijkheid de termijn met twee weken te verlengen. Gedacht wordt aan meer complexe zaken, maar de verlengingsmogelijkheid zou ook soelaas kunnen bieden in andere gevallen waarin er redenen zijn om te veronderstellen dat de twee weken tekort schieten. De vraag is echter of ook die verlengde termijn een gefixeerde duur moet hebben. Waarom kan de voorzitter (of ook hier een ondersteunend medewerker) geen langere termijn afspreken voor het indienen van die onderzoekswensen. Het is zeker niet uit te sluiten dat er zaken zijn waarin dat aangewezen zal zijn. Een eventuele vertraging van een paar weken, betaalt zich ook in dit opzicht op de langere termijn uit in kwaliteit- en tijdwinst omdat er op deze manier doeltreffender regie kan worden gevoerd.

De indruk die bij lezing van de voorstellen achter blijft is dat er enige aarzeling is om de rechter de vrije hand te bieden. Naar de precieze reden blijft het gissen op basis van wat er nu ligt. Een mogelijke reden is dat het standaardiseren van bepaalde werkwijzen en het fixeren van termijnen de samenwerking tussen parketten en rechtbanken eenvoudiger maakt. Daar valt veel voor te zeggen. Een andere mogelijkheid is dat men er bij meer vrijheid voor de strafrechter er bijvoorbeeld niet zeker van is dat deze de procesinleiding als regie-instrument voldoende zal benutten. Ook voor die onzekerheid valt veel te zeggen. In de huidige wet heeft de strafrechter namelijk al regiemogelijkheden te over. Die mogelijkheden zijn alleen maar mondjesmaat door een beperkte groep innovatieve strafrechters benut. Want ook nu zouden in overleg met het openbaar ministerie afspraken kunnen worden gemaakt over de appointeringstermijn en zou rondom die appointering een regiemoment gecreëerd kunnen worden. Het is er volgens mij nooit van gekomen. Ook vanuit het perspectief van de ‘innoverende’ rechtspraak (de I in KEI, weet u nog?) zijn de voorstellen rondom de berechting in het kader van de modernisering van strafvordering aardig om te lezen. Voorgesteld wordt namelijk expliciet toe te staan dat getuigen kunnen worden gehoord door een lid van de zittingscombinatie (mits procespartijen daarmee instemmen), dat een schriftelijke ronde kan worden ingelast (met tevens het verzoek aan het OM om een bewijsconstructie te overleggen voorafgaand aan de zitting) en dat de verdediging kan worden uitgenodigd te reageren op de voordracht in een kort openingsstatement zodat meteen duidelijk is waarop de behandeling van de zaak zich zou moeten richten.

Allemaal geweldige voorstellen, waarmee de innoverende geesten binnen de rechtspraak die daar wel al mee in de slag zijn gegaan in zekere zin beloond worden door de wetgever, maar het blijft een gegeven dat het de Rechtspraak als collectief zelf niet gelukt is om voor wetswijziging te komen tot (een van) dergelijke werkwijzen. De strakkere normering van de wetgever en dus de enigszins beperkte regievrijheid die de strafrechter gegeven wordt, valt op basis daarvan wel te begrijpen. Echt innovatief heeft de Rechtspraak zich immers niet getoond en op die manier krijgt de Rechtspraak misschien wel de vrijheid die het verdient.

Rick Robroek
Universitair docent vakgroep Strafrecht en Criminologie van de Rijksuniversiteit Groningen