Terugblik op Ivorentoga 2012-2018

Inleiding
Het blog Ivorentoga nadert het eind. In bijna zeven jaar zijn er een paar honderd korte en langere stukken geplaatst over de werking van het strafrecht. Mijn idee voor een blog werd geboren uit een zekere onvrede met de rechtsgeleerde literatuur die voor een deel theoretisch is, maar waarin teveel debat via de voetnoten plaatsvindt en de deelnemers niet altijd geneigd lijken om vrij te denken. Ik citeer de aftrap in 2012.

Deze blog probeert te voorzien in een lacune. Verschillende vaste auteurs en talrijke gastauteurs proberen in korte bondige stukken kritisch te kijken naar de ontwikkeling van het strafrecht en de organisatie daarvan. Hun kritiek probeert niet te sterven in vrijblijvendheid, maar verschillende kanten te laten zien aan een probleem. In het recht is namelijk veel pleitbaar, maar niet altijd overtuigend. Daarom moet er iets te kiezen zijn, het liefst tussen haalbare varianten, want voor alleen een principe kun je nog geen gevulde koek kopen. Elke auteur zal vanuit eigen invalshoek, voor eigen rekening, actuele strafrechtelijke thema’s bespreken.

Terugkijkend denk ik dat deze bedoeling onverkorte geldingskracht bezit. In de rechtspraak noch binnen het Openbaar Ministerie bestaat een vrij en kritisch podium om op een open wijze ontwikkelingen te kritiseren.
Het kostte van eind 2011 tot in het najaar 2012 veel moeite om het blog van de grond te krijgen. De grootste lof komt toe aan Rick Robroek, medeoprichter van het eerste moment, en degene die de organisatie tot op heden voor het grootste deel voor zijn rekening nam. Nieuw en onervaren in de blogwereld werd veel kennis opgedaan bij Geerten Boogaard, een van de mensen achter het weblog Publiekrecht & politiek. De eerste anderhalf jaar werd nauw samengewerkt met Publiekrecht & politiek en om de bekendheid van Ivorentoga te vergroten onze bijdragen ook op dat blog geplaatst. Ivorentoga werd– met dank aan de welwillende houding van de uitgever Wirt Soetenhorst – ondergebracht bij de uitgeverij Boom juridisch in Den Haag. De medewerkers van de uitgeverij, zoals Ike van de Ven en Joris Bekkers, hebben hierin tot het laatste moment een waardevolle rol gespeeld.
Het bestaansrecht was echter voor het grootste deel afhankelijk van deelnemende auteurs, afkomstig uit rechtspraak, openbaar ministerie en advocatuur. Die hebben we gevonden in de personen van Dato Steenhuis, Peter Plasman en zijn kantoorgenoten, Willem Korthals Altes en sinds 2016 Peter Lemaire. Samen met gastbloggers als de forensisch psychiater Wim Canton en rabbijn Lody van de Kamp hebben we vele honderden teksten over de praktijk van het strafrecht geschreven. Maar zeven is het getal van de volmaaktheid en het continue ophalen en schrijven van teksten maakt dat het verzadigingspunt is bereikt. Rond de jaarwisseling verschijnt in boekvorm bij ‘onze’ uitgeverij Boom juridisch een groot aantal blogs die de auteurs geselecteerd hebben. In nog twee nieuwe blogs blikken de vaste auteurs dit najaar terug of vooruit. Ik blik in dit eerste blog terug aan de hand van enkele thema’s die me onverminderd bezighouden en ik zal daarbij verwijzen naar blogs die in het boek worden geplaatst. In december sluit ik af met een vooruitblik op de mogelijkheden van de komende strafrechtelijke (proces)praktijk.

Rationaliteit en de ontwikkeling van organisatorische en juridische conflictbeslechting
In een fraaie column stelt Kennedy in Trouw op zaterdag 1 september 2018 op een overtuigende wijze dat de kerk in een gemeenschap grote meerwaarde heeft. Ik citeer: “Wat mij als historicus vooral boeit is hoe religieuze organisaties ook kunnen functioneren als spelbrekers van de macht door weerstand te bieden tegen bestaande en onderdrukkende machtshebbers en politiek”. Er zijn binnen een kerk misstanden, daarom bestaat een kerk ook uit mensen, maar het is in deze tijd van naming en shaming van groot belang om aandacht te vragen en te houden voor de pastorale, samenbindende en maatschappijkritische kanten van de kerk. Niet te versmaden. Integendeel. Om te koesteren.
Hetzelfde geldt voor de rechtspraak en het openbaar ministerie. In mijn beleving de meest continue (onderdelen van) staatsmachten die in een soort perpetuum mobile van oudsher conflicten beslecht en berecht. Met alle respect voor andere staatsmachten, kamerleden en ministers komen en gaan en hebben politiek te overleven (of niet natuurlijk), maar openbaar ministerie en rechtspraak vormen net als de kerk een continuüm die in willekeurig welke samenleving niet weg te denken zijn.

Geloof en recht vormen in die zin duizenden jaren oude instituten, ouder dan de moderne constitutie en politieke vormen, ouder dan de artsenij, zo oud als de mensheid en overigens met alle kwalen en fouten die bij een groot en oud instituut horen. Vanuit verschillende optiek een tegenmacht die tegenspraak vormde en vormt bij alle vormen van onrecht. Van ongehoorzame en weerspannige burgers die elkaar en het overheidsgezag aantasten tot strafwaardige overheidsbeslissingen van koning tot latere overheden, is er altijd een aanklager en vervolger geweest tot een rechter die het conflict moest beslechten. Die publieke taak was en is ook gericht op het richten van de samenleving. De burgerij en de overheid heeft een openbaar ministerie en een rechter nodig die tegenspraak en tegenmacht biedt bij misdragingen. Ook de kerk heeft deze rol sinds duizenden jaren vervuld. Religie en strafrecht vertonen dan ook veel verwantschap. Ondanks alle – vaak terechte – kritiek zou het zonder kerk en strafrecht met de staat van onze samenleving een stuk slechter gesteld zijn.

Justitiële en kerkelijke dwalingen hebben een ontwikkeling aangejaagd die vrijwel niet meer te keren lijkt maar die grote gevaren voor in ieder geval de instituties van het recht meebrengt. Die gevaren liggen in de gewenste rationalisering van de rechtspraktijk. Zowel bestuurders van het recht als de rechtzoekende of toeschouwende burger hebben sinds de laatste 25 jaar rationele besturing en rechtsvinding in het vooruitzicht gesteld. Die verwachting komt hierop neer dat er zowel een berekenbare evenwichtige besturing van het strafrechtelijke domein mogelijk is als een berekenbare aansprakelijkheids- en straftoemetingspraktijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat burgers, soms zelfs als gekozen afvaardiging zitting nemend in het parlement, verwachten dat alle (ernstige) misdrijven opgelost worden, in het hele land dezelfde (hoge) straffen worden opgelegd en er nooit een TBS-er ontsnapt of opnieuw de fout in gaat. Natuurlijk kan ik met misprijzen dit sprookje doorprikken en het gevaar van deze onbevangenheid van burgers en politici uitmeten, maar ook dat zou dom en misplaatst zijn. Sinds jaar en dag wordt immers vanuit de strafrechtswetenschap en de besturen van het strafrechtelijk domein gesuggereerd dat we inzichtelijk kunnen maken waarom en hoe we inzichtelijk straffen. Op het moment dat die verwachting niet uitkomt en evenmin goed uitgelegd kan worden waarom er opgespoord, vervolgd, berecht en geëxecuteerd is zoals het is geschied zijn terecht de rapen gaar en erodeert het publieke vertrouwen.

Wonderlijk is dat het besef van de schadelijkheid van dit fenomeen niet heeft geleid tot het interne besef in het publieke domein dat men intern niet hetzelfde patroon moet voortzetten. Niets is minder waar. Waar de burgerij het bestuur van het land en alles wat met de besturing van het publieke domein van doen heeft steeds meer de maat neemt, nemen topprofessionals hun eigen bestuur van faculteit tot rechtspraak even hard de maat. Leidinggevenden sneuvelen, van bestuurders tot teamleiders, om redenen die van doen hebben met de leiderschapscultuur van de laatste kwart eeuw. Niet altijd worden de beste juristen benoemd tot leidinggevenden, maar vaker degenen met vermeende managementkwaliteiten. Zodra niet langer het vakinhoudelijk overwicht bepalend is bij het leidinggeven gaan andere criteria gelden voor het interne draagvlak van de leiding nieuwe stijl. Sinds jaar en dag worden leidinggevenden en bestuurders afgerekend op nieuwe begrippen als transparantie, emotionele vaardigheden, authenticiteit, nog vagere begrippen als verbinding en in de overtrappende trap van ernst, eerlijkheid. Waar burgers politici op afrekenen, rekenen de ambtenaren, pardon ambtsdragers, hun leiding af met dezelfde mistige maatstaven als waar ze zelf van de burgerij zoveel last van hebben. Op zich niet gek, want ook hoogleraren, artsen en rechters zijn kinderen van hun tijd en in bredere zin vormt het recht een spiegel van de samenleving. Maar de ernst is er niet minder om. En nog meer intrigerend is dat bestuurders niet gek zijn, zij zijn zich bewust van deze vage afrekencultuur, maar gaan er wonderlijk genoeg in mee door hun persoonlijke uitstraling in de weegschaal te plaatsen. Maar als dat niet genoeg is en achterban, faculteits-, universiteitsraden en ondernemingsraden de bestuurlijke authenticiteit onvoldoende waarachtig vinden is er natuurlijk geen escape meer en worden leidinggevenden en bestuurders geacht op te stappen en de eer aan zichzelf te houden.

Terugkijkend op de laatste 25 jaar bestuurlijke en juridische ontwikkeling van de rechterlijke organisatie moet geconstateerd worden dat bijvoorbeeld de ICT in de strafrechtspraktijk mogelijk al een half miljard Euro heeft gekost zonder dat er een inmiddels goed werkende ICT bestaat. De ICT staat symbool voor de gehele bestuurlijke, financiële en organisatorische ontwikkeling. Veel beloofd, te weinig waargemaakt. Voor de juridische ontwikkeling van de strafrechtspraktijk geldt hetzelfde. De Hoge Raad heeft (overzichts)arresten geboden op het vlak van roekeloosheid, witwassen, voorbedachte raad en voorwaardelijk opzet, maar of de dicta vanaf de cassatiekansel, met bepaald geen rijke uitleg over de nieuwe koers, de rechtspraktijk verder hebben geholpen, is een moeilijk te beantwoorden vraag.
In mijn nieuwste boek, het in oktober bij Boom juridisch verschenen Een kleine biografie van het straffen, ga ik onder andere uitvoerig in op de wijze waarop de strafrechtelijke aansprakelijkstelling meer afhankelijk is geworden van tijdgebonden oordelen over een ontbrekende wilsvrijheid die zou nopen tot behandeling in plaats van bestraffing. Sinds jaar en dag is een bezwaar dat we de menselijke psyche moeilijk kunnen doorgronden en minder zouden moeten pretenderen dat we een gedragskundige rationaliteit hebben ontwikkeld die de magistratuur vrij precies inzichtelijk maakt of een verdachte gestoord is of niet.

Moeilijk te beantwoorden bestuurlijke en jurisprudentiële vragen omdat in het complex van onderlinge verwachtingen, aangejaagd door de politiek en de burgerij, geflankeerd door de blauwdrukken en kleurenschema’s van vele bestuurskundig en economisch (lijkende) deskundigen, vrijwel iedereen verantwoordelijk is voor de als teleurstellend ervaren ontwikkeling van het publieke domein, waaronder dus ook de rechterlijke organisatie. Mijn verklaring is dat wij als publieke ambtsdragers de realiseerbaarheid van onze inzichten te hoog hebben ingeschat en onszelf, al dan niet met behulp van sociale, economische en gedragskundige disciplines, hebben wijs gemaakt dat er oneindige rationaliteit aanwezig is om ons vak tot grote hoogten op te stuwen. Een zonde die de besturing van het publieke domein naast heel veel geld ook kostbaar publiek en intern draagvlak heeft gekost.

De in het ‘blogboek’ opgenomen blogs van mijn hand gaan over de terugslag in de ontwikkeling in de organisatie van de rechtspraak met als gevolg het verlies aan domein en invloed en hoe in het komende tijdvak van opsporing, berechting tot executie twee ontwikkelingen een grotere rol zullen gaan spelen, te weten informatievoorziening met behulp van datamining alsmede vormen van toezicht op het juridisch en het organisatorisch handelen van de rechterlijke organisatie, met inbegrip van het Openbaar Ministerie. Ik voel me in het besef van de huidige problemen niet hopeloos. Integendeel. Door de grootsheid van de opgewekte verwachtingen en de opgerukte emo-cultuur gaat de wal van de gewijzigde gerechtelijke cultuur op enig moment het bestuurlijke schip keren.

Ik ben een groot gelovige in de kleine vierkante centimeter waarop veranderingen tot stand komen, waarbij diversiteit in rechtspraak en Openbaar Ministerie mag bestaan, gelimiteerd uiteraard door ICT-technische beperkingen en verantwoordingsprocessen. Dit gaat veel tijd en geld kosten, maar zijn wezenlijker dan het continu beloven van een transparante hemel op aarde waarin bestuurders en magistraten blijven volhouden veel van elkaar te willen houden mits de ander maar transparanter, nabijer en warmer wordt. Wie dat als hooggeplaatste ambtsdrager of bestuurder van ambtsdragers toch wenst moet maar een potkachel kopen en anders rekenen op een vroegtijdig verlies aan arbeidsvreugde.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie