Niet de straf, maar de vervolging

Het is alweer meer dan 5 jaar geleden dat ik mijn maandelijkse column wijdde aan de kwaliteit van de opsporing en gedwongen was teleurstellende conclusies te trekken. Ik wil het nu opnieuw hebben over de prestaties van mijn geliefde Openbaar Ministerie, waarin overigens tegenwoordig de liefde veel maatschappelijke aandacht trekt.

Ik beperk me tot één van die prestaties, namelijk de mate waarin het OM erin slaagt de opsporing zo te sturen dat het de zaken krijgt waarom het, als gezag over de opsporing, heeft gevraagd en de zaken waar het iets zinvols mee kan, tegenwoordig de betekenisvolle interventie geheten. Dus doende kom ik als het ware vanzelf uit bij een analyse van het sepotbeleid. Ik vergelijk het jaar 2006, toen ik wegging bij het OM, met het jaar 2016, het laatste waarover gegevens beschikbaar zijn. Mijn bron is, zoals veel vaker, de publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving, een gezamenlijke uitgave van het CBS, het WODC en de Raad voor de Rechtspraak. En ik meen te weten dat ook het OM tegenwoordig participeert.

Een hernieuwde blik op het vervolgingsbeleid van het OM, leidt helaas niet tot veel vreugde. Om te beginnen is het totaal aantal beslissingen dat het OM in strafzaken heeft genomen in de genoemde periode, fors gedaald. van ruim 287.000 tot net iets meer dan 200.000. De productie van het OM is derhalve met 30% gedaald, geen fijne conclusie voor een organisatie die beoogt betekenisvolle interventies te produceren.

De beslissingen die het OM worden genomen, zijn grofweg in 3 hoofdgroepen te onderscheiden: dagvaarding, sepot en transactie c.q. strafbeschikking. Samen vormden ze zowel in 2006 als in 2008, zo rond de 90% van alle OM afdoeningen.

Kijkend naar de ontwikkeling van het percentage zaken dat wordt gedagvaard, kan op het eerste gezicht de indruk ontstaan dat het met de productie van betekenisvolle interventies door het OM zelf, door middel van de strafbeschikking, de goede kant op gaat. Het percentage zaken dat wordt gedagvaard is namelijk gedaald van 56 naar 52. Bij nadere beschouwing blijkt echter dat de relatieve daling van het aantal dagvaardingen niet ten goed is gekomen aan de ontwikkeling van de strafbeschikking, maar aan een (forse) toename van het aantal sepots. In 2006 bedroeg het aandeel van de transacties in het totaal van de OM beslissingen namelijk 27%, terwijl, in 2016, de strafbeschikking slechts voor ruim 16% van die beslissingen verantwoordelijk was. Gegeven de drie eerder genoemde hoofdgroepen, moet het aandeel van de sepots dus zijn toegenomen. En dat blijkt ook het geval te zijn. Sterker nog: het is verdubbeld. De onvoorwaardelijke sepots zijn gestegen van 9.7 naar 20.1%, de voorwaardelijke van 1,9 naar 4.3%. Dat betekent in ieder geval dat één vijfde van de productie van het OM niet in een betekenisvolle interventie eindigt. Over de voorwaardelijke sepots kom ik verderop nog te spreken.

Bij de onvoorwaardelijke sepots moet worden onderscheiden tussen de beleids- en de technische sepots. In het laatste geval heeft het OM, kort gezegd, geen zaak. Er is geen, of te weinig wettig bewijs.

De vraag is dan vervolgens waarom de politie desondanks op het idee komt zo’n zaak aan het OM voor te leggen.

Is er binnen de politie zo weinig juridische kennis voorhanden dat zo’n zaak kritiekloos de controle kan passeren, of bestaat die controle in het geheel niet (meer) en gaat iedere verbalisant zijn eigen goddelijke gang, overigens kennelijk ook zonder zelf over voldoende kennis te beschikken.

De daarop volgende vraag is dan waarom het OM dit soort zaken, zonder eigen controle aan de poort, registreert met als gevolg dat niet alleen het opsporingswerk, of wat daarvoor moet doorgaan, voor niets is geweest, maar er ook nog eens veel nutteloze tijd moet worden gestoken in het nemen van de sepotbeslissing. En kom mij nu niet vertellen dat het allemaal het gevolg is van de drempelloze instroom via ZSM. En het gaat ook niet om klein bier. In 2006 vormden deze sepots nog 5% van het totaal aan OM beslissingen, in 2016 was dat aandeel opgelopen tot ruim 9% oftewel 18698 zaken.

De tweede groep onvoorwaardelijke sepots zijn de zogenaamde beleidssepots. Hier kan het OM in principe wel vervolgen, maar kiest het er, om uiteenlopende redenen voor om dit niet te doen en de zaak terzijde te leggen. Hier gaat het in 2016 om ruim 19000 zaken bijna een verdubbeling ten opzichte van 2006 en dat terwijl het absolute aantal afdoeningen, zoals we zagen, met 30% was gedaald. veel meer sepots dus, bij veel minder zaken. Dat blijkt ook uit de percentages; 3.8 in 2006, 9.4 in 2016.

Ondanks alle verweren die het OM bij dit soort constateringen doorgaans naar voren brengt, moet ook hier worden vastgesteld dat het er, kennelijk niet in geslaagd is de politie zodanig te instrueren dat deze wel met de “goede” zaken komt aanzetten. Dat het een gering feit was in 10% van de gevallen, of de verhouding tussen verdachte en benadeelde zodanig was, dat vervolging niet zinvol was (20%) van de gevallen, had wellicht, bij goede instructie, ook door de verbalisant kunne worden vastgesteld. En dan heb ik het nog niet eens over de zogenaamde ” oude feiten”, waarbij het OM kennelijk heeft verzuimd tijdig een beslissing te nemen en vervolging “thans”niet langer zinvol is. Hier gaat het om bijna een kwart van de beleidssepots.

Ten slotte de voorwaardelijke beleidssepots. Hier kan, bij oppervlakkige beschouwing de indruk ontstaan dat hier wel sprake is van een betekenis interventie. Maar het feit dat de grootste categorie voorwaarden samenhangt met de persoon van de dader, naar wie de OvJ in 90% van de gevallen geen nader onderzoek heeft gedaan, roept opnieuw de vraag op hoe competent de politie eigenlijk is bij het opmaken en inzenden van een proces verbaal en…wat het OM doet om die geschiktheid op peil te brengen.

Naast de rechter die, zoals ik eerder betoogde onvoldoende straft, zien we nu een OM dat onvoldoende vervolgt, daartoe gedwongen door een opsporing die niet in staat is te leveren wat, mag ik hopen, wordt gevraagd.

In het Jaarbericht 2017 van het OM wordt, volgens het dagblad TROUW van 1 juni jl. geconstateerd dat enkele duizenden kansrijke aangiften of meldingen van veel voorkomende criminaliteit niet door het OM worden opgepakt wegens gebrek aan opsporings- en vervolgingscapaciteit. Dat tekort lijkt echter te wijten aan eigen schuld wanneer er zo slordig mee wordt omgegaan als hierboven is uiteengezet. Met als gevolg veel nutteloze sepots in plaats van betekenisvolle interventies.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie