De rechtspraak in het nieuws

Recent was de rechtspraak weer een paar keer in het nieuws.

Folkert Jensma gaf ons in de NRC drie vegen uit de pan. Zijn eerste steen des aanstoots is het ontbreken van een complete database met uitspraken. Dat belemmert systematisch onderzoek naar bijvoorbeeld straftoemetingsverschillen tussen gerechten en de anonimisering van namen van professionele partijen in uitspraken belemmert een analyse van bijvoorbeeld hun eventuele wangedrag. Als tweede steen des aanstoots noemt hij het ontbreken van mogelijkheden voor een journalist om kennis te nemen van processtukken. Daar komt bij dat in het strafproces de inhoud van het dossier vaak als bekend wordt verondersteld. Als toehoorder op de tribune moet je dan maar raden waar het om gaat. Daarbij komt ook nog eens het ontmoedigende vakjargon en de moeizame toegankelijkheid van onze gerechtsgebouwen. Als derde noemt hij de chaotische en per gerecht verschillende persrollen.

De tweede kritische beschouwing kwam van Herman Tjeenk Willink, oud-vice president van de Raad van State. Hij bekritiseert de ‘verbestuurlijking’ van de rechterlijke macht. Hij verstaat daaronder een volgens hem overheersende aandacht voor organisatie, schaalvergroting, kostenbewustzijn (met normbedragen) en productie (met doorlooptijden). Dit in lijn met het heersende bestuurlijke- en managementdenken. De Raad voor de rechtspraak zou in die verbestuurlijking een belangrijke rol spelen. Het inhoudelijke tegenwicht vanuit de rechters zelf tegen dit bestuurlijk overwicht ontbreekt. De discussie over wat de rechterlijke functie inhoudt is de laatste 40 jaar volgens hem niet meer gevoerd. De maatschappij is drastisch veranderd en de rol van het recht en daarmee is de functie van de rechter een andere geworden. Maar hoe kan je een functie beter organiseren en digitaliseren als er geen duidelijkheid bestaat over de inhoud van die functie? Niemand lijkt zich volgens Tjeenk Willink die vraag ooit te stellen.

De derde, zeer kritische noot die werd gekraakt, betreft de open brief van de vader van Anne Faber, waarin hij scherpe kritiek uit op een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden. Had het hof de verdachte destijds TBS opgelegd (of hem net als de rechtbank tot 16 in plaats van 11 jaar gevangenisstraf veroordeeld) dan was zijn dochter niet het slachtoffer geworden van deze volgende wandaad, die deze zelfde verdachte wordt verweten.

De kritieken van Jensma en Tjeenk Willink schuren onderling enigszins. Allereerst de kritiek van Jensma. Hij heeft half gelijk. De rechtspraak heeft zich inderdaad teruggetrokken in zwaar beveiligde en moeilijk toegankelijke gebouwen, processtukken zijn voor buitenstaanders vrijwel niet van de gerechten te krijgen. Rechtspraak.nl is inderdaad geen complete database, maar een waarin een (overigens ruime) selectie van enigszins interessant geachte uitspraken is opgenomen. Numeriek gaat het weliswaar om een flink aantal (zo’n 500.000), maar toch relatief gering aandeel van de totale vonnissenstroom omdat veel uitspraken met een groot volume, zoals de verstekken bij civiele geldvorderingen en standaardmatige echtscheidingsbeschikkingen totaal oninteressant zijn voor de gemiddelde belangstellende. Ook de grote stroom politierechtervonnissen, die vaak uit niet meer dan een extract bestaan, worden dacht ik niet systematisch gepubliceerd. Ik meen dat een van de overwegingen is geweest om niet alles te publiceren dat een belangstellende tussen een overvloed van hits moeilijk iets van zijn gading zal kunnen vinden. Dat rechtspraak.nl een selectie bevat, berust dus op een beredeneerde keuze. Wat betreft zijn opmerking dat we bedrijfsnamen niet zouden moeten anonimiseren, heeft hij wel weer helemaal gelijk. Ook moeten wij rechters, als er publiek, pers en andere belangstellenden in de zaal aanwezig zijn, minst genomen een samenvatting voorhouden van de feiten en het bewijs dat er tegen een verdachte is aangebracht.

Nu denk ik dat rechtspraak.nl een van de weinige voorbeelden is waar de rechtspraak enigszins tegemoet is gekomen aan de eisen van de digitale maatschappij. De rechtspraak loopt wat dat betreft helaas ver achter vergeleken met veel andere overheidsdiensten, zoals gemeenten, digid, en in het bijzonder met particuliere organisaties, zoals banken, verzekeraars, de pers, de reisbranche, e-winkels en dergelijke.

Jensma heeft nog eens half gelijk als hij ons gebruik van jargon bekritiseert. Half gelijk, omdat wij in onze vonnissen aan het hof, de hoge raad, de officier van justitie en de advocaat juridisch verantwoording moeten afleggen hoe we tot onze beslissing zijn gekomen. Wij moeten bijvoorbeeld verweren juridisch duiden, zodat gecontroleerd kan worden of we dat verweer op een juridisch juiste wijze, met gebruik van de juiste maatstaven, hebben beoordeeld en daarop hebben beslist. Stel de verdachte zegt: ik heb m’n eigen verdedigd. ‘De rechtbank merkt uw verweer aan als een beroep op noodweer of noodweerexces’. Het recht vraagt dan dat we onderzoeken of er een situatie bestond waarin verdachte zich mocht verweren en, zo ja, of hij daarbij misschien te ver is gegaan, maar misschien wordt dat dan weer gerechtvaardigd door een ‘heftige gemoedsbeweging’. Het vermijden van jargon is in een geschreven vonnis vanwege de controlefunctie niet te vermijden. Wel kunnen we, en dat gebeurt bij grotere zaken vaak, bijvoorbeeld een persbericht maken. Daar kan zonder enig probleem in gewone mensen taal worden uitgelegd wat de zaak en de beslissing inhouden. In de zittingszaal moeten we jargon als het even kan vermijden, maar ook daar geldt dat het gebruik van jargon de communicatie misschien niet met de rechtzoekenden makkelijker maakt, maar wel met de advocaten en de officieren van justitie. Dat vermijdt professionele misverstanden.

De door Tjeenk Willink gehekelde ‘verbestuurlijking’ van de rechtspraak heeft de rechtspraak wat publieksservice betreft helaas nog onvoldoende verbetering gebracht, getuige de mislukking van Kei wat betreft bestuurs- en civielrecht (maar niet wat betreft strafrecht, zie mijn eerdere blog De geketende kei). Toch zie ik nog niet zo gauw hoe de rechtspraak zonder een gecoördineerde sturing de moderne tijd kan worden ingeloodst. De klacht van Jensma over het gebrek aan eenduidige rolinformatie en over de verschillen per rechtbank is bovendien een voorbeeld hoe de buitenwereld last heeft van dienstverlening die onvoldoende is geharmoniseerd.

Anders dan Tjeenk Willink veronderstelt, heeft de rechtspraak, in samenspraak tussen rechters, zich regelmatig afgevraagd hoe ‘wij’ als rechtspraak in de samenleving willen staan. Een voorbeeld daarvan is het ontwikkelen door rechters van hun professionele standaarden. Hoe willen we ons werk op een verantwoorde wijze in de huidige tijd doen? Onze bedoeling daarbij was niet dat rechtzoekenden (of derden-belangstellenden) last hebben van onberedeneerde en moeilijk uit te leggen verschillen tussen rechtbanken, zoals sterk uiteenlopende administratieve gewoonten. Het vertrouwen in de rechtspraak vraagt in deze tijd wel degelijk om een eigentijdse, voorspelbare servicegerichte organisatie en niet om een lappendeken van kleine, niet digitaal benaderbare gerechten, zoals het vroeger was. Een centrale sturing kun je daarbij eigenlijk niet missen, hoe jammer het feilen van Kei ook is. Wel kun je, zoals de digitalisering van straf (Divos) laat zien, ook met een centrale sturing wel degelijk meer laten opbouwen van onderen af, gestuurd door vaklui. Zoals ik in het al gemelde blog, De geketende kei, heb betoogd.

Een centrale leiding staat bovendien geenszins in de weg aan rechtspraak op locatie. Een voorbeeld uit de Antillen. Vanaf Sint Maarten bedienen wij ook de rechtspraak op de eilanden Saba en Sint Eustatius. Op Saba zitten we meestal in het bestuurskantoor. Op Sint Eustatius moeten we dikwijls uitwijken naar een zaal in de bibliotheek of een feestzaal van de Lions. Ook gaat het verhaal dat rechters vroeger wel eens ‘onder de boom’ rechtspraken. Voor de rechters niet altijd comfortabel, maar je kunt ook in Nederland gemakkelijk buiten de paleizen en gerechtsgebouwen zitting houden, zonder dat je per se lokale administraties moet bijhouden.

Waar hoort de rechtspraak te staan in de moderne samenleving? Dat de rol van de rechter niet alleen van de rechters zelf afhangt, maar mee-evolueert onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen, heeft Ybo Buruma aardig verwoord in zijn oratie aan de Universiteit Nijmegen. Hij onderscheidt, gekoppeld aan de verschillende tijdsgewrichten vanaf rond 1900, de rechters als generalist (wat hij hier op Sint Maarten nog steeds enigszins is), opgevolgd door de zelfbewustere rechter van het interbellum, met oog voor de gemeenschap, de na-oorlogse rechter die zich laat leiden door zedelijke opvattingen en maatschappelijke verwachtingen om in het concrete geval recht te doen als kunst van het billijke. Daarna wordt de goede rechter volgens Buruma geleidelijk aan een juridische expert die een kritische rol vervult ten opzichte van de overheid. Rond 2000, als de netwerksamenleving zich aandient, lijkt de rechter zich steeds meer als een dienstverlener op te stellen, iets waarin we, zo voeg ik daar maar aan toe, nog niet ten volle in zijn geslaagd.

Tjeenk Willink heeft daarentegen wel weer gelijk waar hij het vakinhoudelijke gelijkheidsdenken bekritiseert. Vooral in de buitenwereld, maar zelfs in onze eigen organisatie leven vaak overtrokken en zelfs onwenselijke gedachten over de zegeningen van rechtseenheid. Rechtspraak is niet alleen functioneel (het berechten van verdachten en het beslechten van geschillen) maar betreft ook de toepassing van het recht, de vinding van recht in individuele gevallen en daarbij ook, soms bewust gezocht, soms en passant, de rechtsontwikkeling, van rechtbanken via de hoven tot en met de Hoge Raad en soms tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Bij een zuiver uniform oordelende rechtspraak (wellicht denkbaar wanneer de rechtspraak een geautomatiseerd systeem werd) zou de rechtsontwikkeling geheel tot stilstand komen. Ook is het helemaal niet erg als in Amsterdam andere straffen worden opgelegd voor bijvoorbeeld uitgaansgeweld dan bijvoorbeeld in Assen. Daar kunnen goede redenen voor bestaan. De relatieve ernst van dat geweld in beide steden kan daartoe aanleiding geven. Al te grote nadruk op rechtseenheid, is daarom wezensvreemd aan de rechtspraak.

Zie bijvoorbeeld ook de andere blik die we tegenwoordig hebben op vormfouten in het strafrecht. Dit is een resultaat van jarenlange casuïstiek waarbij zin en onzin van vormen en de noodzaak daar al dan niet sancties op te stellen, is ontstaan. Als rechters nooit wat ‘proberen’, heeft de Hoge Raad nooit recht te vinden, populair gezegd. De Hoge Raad is voor zijn rechtspraak gebaat bij een diverse praktijk, waarbij de verschillende hoven zoeken naar de wegen door het recht in een veranderende samenleving.

Een ander voorbeeld daarvan is de zich nog steeds ontwikkelende jurisprudentie over euthanasie en de hulp bij zelfdoding, die enerzijds wordt uitgedaagd door veranderende omstandigheden (mensen worden steeds ouder), andere opvattingen in de samenleving over zinvol leven, en anderzijds de grenzen die de ethiek en moraal stellen, de menselijke waardigheid, de verantwoordelijkheid van de overheid in dat opzicht, het stimuleren van een evenwichtige maatschappelijke visie op deze kwestie, het tegengaan van kwakzalverij en amateurisme, maar bijvoorbeeld ook over wat je wel en niet van artsen mag verlangen.

Van geheel andere soort is de kritiek van de vader van Anne Faber. Hetgeen hij schrijft, raakt aan een al langer bestaande kwestie van verdachten die weigeren mee te werken aan onderzoek. De TBS is een behandelprogramma voor delinquenten die aan een geestesstoornis lijden. Is de stoornis succesvol behandeld, dan wordt de maatregel beëindigd. Voor het zover is, gaat de TBS’er in toenemende mate onder de paraplu van de TBS met verlof. De TBS is geen garantie voor langdurige opsluiting. Zo’n 10 jaar geleden lag de TBS nog onder zware kritiek, en was zelfs zijn voortbestaan even onzeker, gezien een aantal ernstige incidenten dat tijdens de verloven plaatsvond.

Thans lijkt het vertrouwen in de TBS weer hersteld. Ik lees dat sommige deskundigen zelfs aanbevelen dat strafrechters vaker TBS moeten opleggen in geval een verdachte weigert mee te werken aan onderzoek en er bijgevolg geen degelijk gefundeerd advies over het bestaan van een stoornis kan worden uitgebracht. Strafrechters en officieren van justitie zijn daar tot nu toe terughoudend mee. Wat immers als in zo’n geval de TBS-kliniek na plaatsing tot het oordeel komt dat betrokkene geen stoornis heeft? Dan laat de wet geen andere mogelijkheid dan dat betrokkene uit de TBS wordt ontslagen en komt hij dus veel sneller op straat te staan dan wanneer ‘alleen maar’ straf zou zijn opgelegd, die hoger kan uitpakken dan normaal.

De TBS is namelijk (tot nu toe: er zijn mensen die vinden dat dat moet veranderen) niet bedoeld voor delinquenten zonder stoornis. Het opleggen van TBS aan niet-meewerkende verdachten is dus zo beschouwd vanuit beveiligingsoptiek niet zonder risico. Het is ook niet zo dat mensen die vreselijke, gemene of perverse dingen doen wel gek móeten zijn.

Wel schijnen bepaalde programma’s te werken voor zowel gestoorde als voor niet-gestoorde delinquenten. Sterker nog, naar moderne inzichten wordt het belang van een stoornis als bepalende factor voor recidive sterk gerelativeerd. Ik verwijs naar een blog van de forensisch psychiater Wim Canton. Hij stelt dat naar huidig inzicht niet zozeer de stoornis een voorspeller is van recidive als wel criminogene factoren zoals het hebben van antisociale opvattingen, een antisociale peergroup, middelenmisbruik, disfunctionele familieomstandigheden, gebrek aan empathie en gebrekkige zelfcontrole. Hij stelt voor de benaming TBS af te schaffen en om de mogelijkheid open te stellen niet alleen een gedwongen behandeling te kunnen opleggen als er sprake is van een stoornis die in relatie staat tot het delict. Een gedwongen behandeling zou ook mogelijk moeten worden als er alleen sprake is van een hoog risico op herhaling van delinquent gedrag.

Mocht de wetgever inderdaad overwegen de TBS open te stellen voor niet-gestoorde delinquenten, zou dat een geheel andere kijk op straffen opleveren. Waar nu de ernst van de strafbare gedraging zich vertaalt in de straf, zou in dat geval de straf lager kunnen gaan uitpakken naar gelang de behandelbaarheid van de delinquent in een TBS-instelling, ook als de daad hem volledig kan worden toegerekend. In plaats van de schuld, gaat dan de behandelbaarheid van de niet-gestoorde delinquent een rol spelen in de straftoemeting. Dit zou dan ook consequenties kunnen hebben voor de duur van vrijheidsbeneming. Die zou dan namelijk weliswaar formeel door de rechter, maar feitelijk in belangrijke mate door gedragsdeskundigen worden bepaald. Is de inschatting dat iemand succesvol is behandeld, dan mag hij of zij de straat op. Dat kan vroeg of laat zijn. De vraag is of het dan niet veel logischer is die behandeling te laten plaatsvinden in de laatste fase van de gevangenisstraf. Dan blijven de ernst van het feit en de mate van schuld bepalend voor de lengte van de straf en niet de behandelbaarheid, die immers niet alleen tot veel langere vrijheidsbeneming kan leiden, maar ook tot een veel kortere.

Peter Lemaire
Rechter op Sint Maarten