Een kleine geschiedenis van de roekeloosheid (en hoe de Hoge Raad de wetgever dwong om de vrijheid van de feitenrechter te beperken)

Onlangs maakte de minister het conceptwetsvoorstel ‘Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ bekend. Hierin worden een aantal wijzigingen voorgesteld van de Wegenverkeerswet. Getracht wordt het grote verschil weg te nemen in strafmaximum bij (zeer) gevaarlijk rijgedrag zonder en met gevolgen (het zogenaamde ‘strafgat’) door:

1. het strafmaximum bij gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven (artikel 5 WVW 1994) te verhogen;
2. een strafbaarstelling te introduceren voor zeer gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven met een nieuw artikel 5a WVW 1994;
3. in de wet te expliciteren waar roekeloosheid bij zeer gevaarlijk rijgedrag met gevolgen (artikel 175 WVW 1994) in kan bestaan door een koppeling te maken met de voorgestelde strafbaarstelling van artikel 5a WVW 1994.

In deze bijdrage wil ik me richten op de roekeloosheid.

De roekeloosheid is als strafverzwarende omstandigheid ingevoerd in 2006. Daaraan voorafgaand had de wetgever reeds in 1998 het strafmaximum verhoogd ter zake de culpose verkeersdelicten in het algemeen en indien die onder invloed en/of door het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid waren gepleegd. Bij de verhoging van de strafmaxima en de introductie van de roekeloosheid in het bijzonder werd nadrukkelijk verwezen naar de Porsche-zaak (TK 1996–1997, 24 112, nr. 9, p. 8 en TK 2001-2002, 24 484, nr. 3, p. 12). In die zaak had een Porschebestuurder onder invloed eerst tweemaal door rood gereden, daarna een aantal gevaarlijke inhaalmanoeuvres afgebroken, en was deze bij de laatste inhaalmanoeuvre tegen een Volvo aangebotst. Vijf mensen overleden bij het ongeval. De verdachte in die zaak werd eerst vervolgd voor doodslag en daarvoor ook veroordeeld, maar de Hoge Raad vernietigde die uitspraak. Voorwaardelijk opzet en meer in het bijzonder de aanvaarding van de aanmerkelijke kans op het gevolg kon niet bewezen worden omdat daarmee ook de aanmerkelijke kans op de eigen dood zou moeten zijn aanvaard. De zaak werd daarop verwezen naar het Arnhemse hof en die veroordeelde voor dood door schuld en kwam tot oplegging van de destijds in die zaak geldende maximumgevangenisstraf uit van 3 jaar en 8 maanden. De overwegingen van het hof brengen tot uitdrukking dat die straf te laag werd geacht. Het wettelijk strafmaximum liet, zo overwoog het hof, ‘geen aan de maatschappelijke strafbehoefte beantwoorde bestraffing’ toe en ‘[a]ls het wettelijke strafmaximum geen adequate bestraffing mogelijk maakt, kan slechts aanpassing van dat wettelijke strafmaximum uitkomst bieden. De oplossing kan en mag niet gezocht worden in een oprekken van het begrip opzet’.

In de overwegingen van het hof lag een uitdrukkelijke wens richting de wetgever besloten om de straffen te verhogen. De wetgever heeft die handschoen dus opgepakt. Het begrip roekeloosheid dat daarvoor uiteindelijk werd geïntroduceerd werd door de minister omschreven als ‘zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen’. De kern ligt op het nemen van deze onaanvaardbare risico’s en in het algemeen zal er sprake moeten zijn van bewustheid van die risico’s, waarbij ‘op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren’ (TK 2001-2002, 28484, nr. 3, p. 12). Gecompliceerd in de wetgeving is dat naast introductie van het begrip roekeloosheid die op zichzelf de straf ter zake culpose delicten kan verdubbelen, na amendement een aantal strafverzwarende omstandigheden in de wet zijn opgenomen die die maximumstraf nog met de helft kunnen verhogen. Diezelfde werking krijgen de reeds bestaande strafverzwarende omstandigheden van rijden onder invloed en de excessieve snelheidsovertreding.

Nadien heeft het begrip roekeloosheid in de jurisprudentie van de Hoge Raad een andere uitwerking gekregen dan de wetgever voor ogen had. In de standaardarresten van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:959, 960, 962 en 964) wordt roekeloosheid door de Hoge Raad gedefinieerd als een situatie waarin ‘door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn’. Deze definitie laat, zo lijkt het, op zichzelf ruimte voor het aannemen van roekeloosheid in een geval waarin een motorrijder met 126 km/h binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van 50 km/h gold drie auto’s links van de middengeleider inhaalde waarvan de voorste auto net bezig was links af te slaan en waardoor de motorrijder op de linkerflank van die auto botste. Het laat ook ruimte voor het aannemen van roekeloosheid in een geval waarin een automobilist werd ingehaald, en vervolgens door zijn snelheid te verhogen diegene die hem inhaalde niet in de gelegenheid stelde voor hem in te voegen. Dit zijn twee van de zaken waarin de Hoge Raad op 13 oktober 2015 arrest wees en waarin de concluderende advocaten-generaal Harteveld en Knigge het oordeel van het hof dat hier sprake was van roekeloosheid begrijpelijk achtte.

Harteveld concludeerde in de eerste zaak als volgt: ‘In het onderhavige geval kan uit die gebezigde bewijsmiddelen zonder meer volgen dat sprake is geweest van roekeloos rijgedrag. Deze houden immers onder meer in i) dat de verdachte op een 1200 cc motor over de andere weghelft en langs de verkeerde kant van een verhoogde middengeleiding, een aantal auto’s links wilde inhalen toen hij opeens een auto linksaf zag slaan, ii) dat hij op dat moment 126 kilometer per uur reed terwijl de ter plaatse toegestane snelheid 50 kilometer per uur is, iii) dat de verdachte heeft verklaard dat hij voor het eerst op zo’n zware motor reed en niet had verwacht dat de motor zo snel zou optrekken, en dat hij de weg niet zo goed kende, en iv) dat hij geen auto- of motorrijbewijs had. Het hof heeft daarnaast in de strafmotivering nog overwogen dat de verdachte door zijn hoge snelheid niet meer in staat was om tijdig te stoppen en dat hij niet heeft opgemerkt dat [slachtoffer 1] ongeveer 100 meter voor het afslaan al de richtingaanwijzer naar links had aangezet. Uit een en ander heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte zonder enige remming door of besef van de onaanvaardbare risico’s van zijn gedrag op zeer gevaarlijke wijze aan het verkeer aldaar heeft deelgenomen’ (ECLI:NL:PHR:2013:654).

In tweede zaak concludeerde advocaat-generaal Knigge op basis van de door het hof in die zaak gebezigde bewijsmiddelen als volgt: ‘Verdachte heeft op het moment dat de witte bestelbus naast hem reed extra gas gegeven, zodat hij naast de bestelbus bleef rijden en deze gedwongen werd om op de andere weghelft te blijven rijden. Dit terwijl, naar ook de verdachte zag, tegemoetkomend verkeer naderde en het risico op een (dodelijk) verkeersongeval derhalve aanzienlijk was. Daarin zag de verdachte klaarblijkelijk geen reden het lesje dat hij de bestuurder van de bestelbus wilde leren, te staken. Hij remde pas nadat hij in botsing was gekomen met de op het laatste moment naar rechts sturende bestelbus. Het kan moeilijk anders dan dat de verdachte heeft gehandeld in het volle besef dat de kans op een (dodelijk) verkeersongeval aanzienlijk was. Het oordeel van het Hof dat sprake is van roekeloosheid is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd’ (ECLI:NL:PHR:2013:362).

Toch casseerde de Hoge Raad in beide zaken. Dat kon op een motiveringsgebrek wijzen – in beide zaken was niet op een manier zoals de advocaten-generaal in hun conclusies deden aandacht geschonken aan het bewijs van de roekeloosheid in de bewijsmotivering – maar algemeen wordt aangenomen dat de Hoge Raad het aannemen van roekeloosheid materieel wenste te beperken. Een en ander komt misschien het beste tot uitdrukking in de frase van de Hoge Raad ‘dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” – wordt verstaan’.

De Hoge Raad is hiermee nadrukkelijk een andere koers gaan varen dan de wetgever. Problematisch aan deze verregaande vorm van rechtsvorming is dat de achtergrond daarvan door de Hoge Raad nimmer goed is toegelicht. De Hoge Raad overweegt weliswaar dat de enkele strafverzwarende omstandigheden nog niet volstaan voor het aannemen van roekeloosheid, maar in de tweede zaak was in ieder geval meer aan de hand dan louter strafverzwarende omstandigheden.

Het is niet gek dat de wetgever op de door de Hoge Raad contrair aan de wetgeving gerealiseerde versmalling reageert. Daarbij wordt niet over een nacht ijs gegaan. In een door de Rijksuniversiteit Groningen uitgevoerd onderzoek (H.D. Wolswijk, A. Postma, B.F. Keulen, Ernstige verkeersdelicten, WODC 2017) wordt geadviseerd om het strafgat tussen het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval (artikel 6 WVW) en het veroorzaken van gevaar (artikel 5 WVW), waardoor gevaarlijke en ernstige verkeersovertredingen niet adequaat kunnen worden gestraft, in te vullen met een nieuw misdrijf in artikel 5a WVW. Dat nieuwe misdrijf stelt strafbaar het opzettelijk in ernstige mate schenden van een aantal bij name genoemde verkeersgedragingen indien daarvan levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Vervolgens wordt voorgesteld in artikel 175 WVW te bepalen dat in ieder geval het plegen van dit misdrijf roekeloosheid oplevert wanneer dat leidt tot een verkeersongeval met ernstige gevolgen (dood, zwaar lichamelijk letsel). Verder komen het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid, het bumperkleven, het niet verlenen van voorrang en het gevaarlijk inhalen als strafverzwarende omstandigheden te vervallen. Die overtredingen komen allemaal wel terug in het nieuwe artikel 5a WVW.

De wetgever neemt het advies in het conceptwetsvoorstel (grotendeels) over. Een belangrijk motief van de wetgever is om het begrip roekeloosheid weer terug te brengen bij de oorspronkelijke bedoeling die de wetgever daarbij had. In de concept Memorie van Toelichting wordt dit als volgt verwoord:

‘[Met het wetsvoorstel] wordt beoogd terug te grijpen op het bij de invoering bedoelde bereik van het begrip ‘roekeloosheid’ – omvattend zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen – waardoor in duidelijk meer gevallen dan enkel bij kat-en-muisspellen, vlucht en snelheidswedstrijden roekeloosheid kan (en dient te) worden aangenomen’.

Kritiek op de gedane voorstellen is niet lastig te voorspellen. Ten aanzien van de gedragingen die nadrukkelijk worden benoemd zal worden gesteld dat het de vraag is of die nu daadwerkelijk en in alle gevallen roekeloosheid zouden moeten opleveren. Daarnaast zal worden afgevraagd of de opsomming van gedragingen wel compleet is. En ten slotte zal naar voren worden gebracht dat het nieuwe artikel 5a en daarmee ook de roekeloosheid nieuwe afgrenzingsproblemen zal creëren.

Om met het laatste argument te beginnen: dat overtuigt niet direct. Afgrenzingsproblemen zijn nu eenmaal moeilijk te vermijden, of het nu gaat om het begrip gevaar, schuld, roekeloosheid of het ‘in ernstige mate schenden van verkeersregels’. Ten aanzien van het tweede argument kan worden ingebracht dat de opsomming altijd zou kunnen worden aangevuld en eventueel zou kunnen worden teruggevallen op een niet-limitatieve opsomming. Het eerste argument is misschien waar maar de voorwaarden waaronder de verkeersgedragingen overtreding van artikel 5a WVW kunnen opleveren (de verkeersgedragingen moeten in ernstige mate geschonden zijn en er moet levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel te duchten zijn), zullen filterend werken. Belangrijker is denk ik om zich te realiseren dat de Hoge Raad de wetgever deze richting min of meer heeft opgedrongen door een van de wetgever afwijkende koers te gaan varen. Het resultaat is nu dat de vrijheid van de feitenrechter door het concreet omschrijven van bepaalde verkeersgedragingen wordt ingeperkt.

Het meest onbevredigende van de ontwikkelingsgeschiedenis met betrekking tot de roekeloosheid is misschien wel het volgende. De wetgever kwam destijds, onder meer op uitdrukkelijke wens van de rechtspraak, met een voorstel om roekeloze verkeersgedragingen zwaarder te bestraffen. Vervolgens zijn door de Hoge Raad dermate hoge drempels opgeworpen dat bestraffing voor roekeloosheid bijna onmogelijk is gemaakt, waarna de wetgever weer met een tegenreactie komt. Uiteindelijk is de tegenreactie niet gebaseerd kunnen worden op wat door de Hoge Raad als problematisch wordt gezien rondom de roekeloosheid. We weten dat immers niet.

Het Groningse onderzoek doet een poging de richting van de Hoge Raad te verklaren. Als mogelijkheid wordt genoemd dat de Hoge Raad wil waken voor het dubbel mee laten tellen in de straf van de strafverzwarende omstandigheden, namelijk in het kader van de roekeloosheid en daarnaast zelfstandig als strafverzwarende omstandigheid. De onderzoekers vermoeden echter een andere reden, namelijk dat het begrip roekeloosheid zich onvoldoende laat afgrenzen en dat daarom is gekozen voor een afgrenzing die helder is door het bereik daarvan te beperken.

De uiteindelijke oplossing hangt natuurlijk af van het door de Hoge Raad veronderstelde probleem. Is het probleem die dubbeltelling, dan zou daar een einde kunnen worden gemaakt door invulling van het begrip roekeloosheid terug te brengen bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever en zoals nu voorgesteld het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid, het bumperkleven, het niet verlenen van voorrang en het gevaarlijk inhalen als strafverzwarende omstandigheden te laten vervallen. Het rijden onder invloed kan zoals door de onderzoekers ook voorgesteld als zelfstandige strafverzwarende omstandigheid naast de roekeloosheid blijven bestaan.

Het andere probleem (het gebrek aan duidelijkheid over het begrip) brengt inderdaad het nauwkeuriger omschrijven van het gedrag dat roekeloosheid zou moeten opleveren als oplossing in beeld. Een geheel nieuw alternatief is voorgesteld door de Rechtspraak in haar wetgevingsadvies. De strekking daarvan is om enerzijds de roekeloosheid helemaal te schrappen en anderzijds het culpoos veroorzaken van gevaar als zelfstandig misdrijf strafbaar te stellen. Bij ernstige gevolgen in het geval van culpose gevaarzetting zou de strafverzwaring hebben te gelden die nu voor roekeloosheid geldt. Dat zou een enorme strafverzwaring betekenen zo schat ik in, die zich misschien wel uitstrekt tot alle culpoos begane verkeersdelicten met ernstige gevolgen want wanneer is er geen sprake van culpose gevaarzetting in het geval van schuld aan een verkeersongeval? De vraag is of die strafverhoging te rechtvaardigen is. Bovendien is het de vraag of het label roekeloosheid bij ernstig verkeersgedrag met het oog op de normdemonstratie kan worden gemist.

De wetgever zou al met al gebaat zijn bij uitleg van de Hoge Raad op het punt van de roekeloosheid. Als het immers gaat om de dubbeltelling zou de wet op dat punt kunnen worden aangepast, verder weinig hoeven te worden gewijzigd (behalve het roekeloos gedragen als zelfstandig misdrijf strafbaar te stellen) en zou de Hoge Raad nadien ‘om’ kunnen gaan ten aanzien van de roekeloosheid en het bereik van de roekeloosheid aldus kunnen vergroten.

Het afgrenzingsprobleem is en blijft daarbij een weinig valide argument om de roekeloosheid als strafverzwarende omstandigheid te laten verdwijnen. De hierboven aangehaalde definities van de wetgever en de Hoge Raad, de omschrijvingen daarvan door de advocaten-generaal bij de Hoge Raad in hun conclusies over roekeloosheid (‘volle bewustzijn van het aanzienlijk risico op een ongeval’, ‘gemeengevaarlijk gedrag’, ‘tomeloze onverschilligheid’) en de pogingen van annotatoren als Keijzer en Rozemond om tot een afgrenzing te komen (zij spreken van ‘abnormaal verkeersgedrag’ (Rozemond onder NJ 2015/220) of een ‘asociale attitude/miskenning zorgplicht’ (Keijzer onder NJ 2015/14-15)), lijken mij weinig ruimte over laten om in bijvoorbeeld de bovenomschreven verkeerszaken geen roekeloosheid aan te nemen. Natuurlijk zijn er grensgevallen, maar waar zijn die er niet in het recht. Tegelijkertijd zal over het gros aan de in het dagelijks spraakgebruik als roekeloos aan te merken verkeersgedragingen weinig discussie bestaan. En die aansluiting op het dagelijks spraakgebruik, het label roekeloosheid en de maatschappelijke (en rechterlijke) behoefte om daaraan een forse straf te koppelen is juist bij ernstige verkeersdelicten van groot belang. De enige die daar mogelijk anders over denkt is de Hoge Raad, maar we weten dat niet zeker. Wanneer de Hoge Raad die mist laat blijven bestaan, staat ons wetgeving te wachten die alleszins begrijpelijk en onontkoombaar is maar mogelijkerwijs een zekere complexiteit en beperking van de vrijheid van de feitenrechter met zich brengt die de Hoge Raad eenvoudig had kunnen voorkomen.

Rick Robroek
Universitair docent vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Amsterdam