Constructief strafrecht

Door Lisa Ansems

In zijn blog van 8 mei 2018 vraagt de heer Steenhuis zich af waarom de Nederlandse strafrechter in toenemende mate slappe koek serveert door te licht te straffen en te veel nadruk te leggen op (re)socialisering. Steenhuis roept rechters op om strenger te straffen. Daarmee verwoordt hij een sentiment dat onder een groot deel van de Nederlandse bevolking lijkt te leven, zoals recentelijk ook beschreven door Henri Beunders in een interessant opiniestuk in de NRC. Na een rondgang door het strafrecht constateert Beunders dat we in een zero tolerance-samenleving leven, waarin empathie en het gevoel voor de menselijke maat zijn verdwenen ten faveure van de roep om vergelding en zwaardere straffen.[1]

Deze roep om zwaardere straffen is opvallend in het licht van het gegeven dat Nederlandse rechters behoren tot de strengst straffende in West- en Noord-Europa.[2] Nederlandse rechters zijn dus helemaal niet “soft” wanneer men een vergelijking trekt met buurlanden. Verder blijkt uit onderzoek dat burgers, wanneer zij concrete dossiers voorgelegd krijgen, niet strenger blijken te straffen dan rechters maar zelfs iets lichter.[3] Burgers die alle omstandigheden van een geval kennen, vinden dus niet dat strengere straffen nodig zijn. Alleen al om die redenen vallen er vraagtekens te plaatsen bij Steenhuis’ oproep.

Bovendien hoort vergelding natuurlijk bij de doelen van het strafrecht, maar kent het strafrecht daarnaast andere doelen, waaronder algemene preventie (in Steenhuis’ woorden: het afschrikken van potentiële wetsovertreders) en speciale preventie (het voorkomen dat een veroordeelde opnieuw een strafbaar feit pleegt). De dalende criminaliteit[4] suggereert dat het Nederlandse strafrechtssysteem effectief is of in ieder geval dat er (momenteel) geen noodzaak is tot strenger straffen met het oog op het voorkomen van toekomstige criminaliteit. Voor algemene preventie geldt verder dat dit het mensbeeld van de homo economicus veronderstelt, die een rationele afweging maakt van de kosten en baten van het plegen van een delict, terwijl die veronderstelling lang niet voor alle (typen) delicten opgaat. Denk bijvoorbeeld aan een (poging tot) doodslag, waarin iemand in een emotionele opwelling handelt, of een uit de hand gelopen vechtpartij.

Ook wat betreft speciale preventie is het de vraag hoeveel zwaarder straffen, met name het opleggen van (lange) gevangenisstraffen, daaraan bijdraagt. In dat licht is het relevant om te kijken naar de recidive onder ex-gedetineerden. Die is, hoewel tegenwoordig licht dalend, nog altijd erg hoog.[5] Onderzoek naar de effecten van gevangenisstraf op bijvoorbeeld recidive is ingewikkeld, omdat dergelijke causale vragen idealiter met een experimentele onderzoeksopzet zouden moeten worden onderzocht maar daar vanzelfsprekend ethische bezwaren aan kleven. Men kan immers moeilijk verdachten random toewijzen aan een experimentele groep, die gevangenisstraf krijgt opgelegd, of een controlegroep, die geen of een alternatieve straf krijgt opgelegd, om vervolgens de verschillen qua recidive tussen de groepen te bekijken. Toch is het door het gebruik van bepaalde statistische technieken mogelijk om hier iets over te zeggen. Nieuwbeerta e.a. hebben dat in 2007 gedaan en kwamen tot de conclusie dat gevangenisstraf recidive in de hand lijkt te werken: verdachten die een gevangenisstraf opgelegd kregen recidiveerden vaker dan verdachten die geen of een andere straf kregen, ook wanneer rekening werd gehouden met het gegeven dat degenen die tot gevangenisstraf worden veroordeeld op voorhand al een grotere kans hebben om te recidiveren. De oorzaak van dit criminogene effect van gevangenisstraf kan op basis van dit onderzoek niet met zekerheid worden vastgesteld, maar de onderzoekers achten het niet onwaarschijnlijk dat het verliezen van baan, huis en partner hierbij een rol speelt.[6]

Recent vervolgonderzoek werpt nader licht op de nadelige gevolgen van gevangenisstraf wat betreft woning en werk. Zo blijken gedetineerden na hun detentie veel minder vaak vaste huisvesting hebben, terwijl een goede huisvesting als voorwaarde voor resocialisatie wordt gezien.[7] Ook een (snelle) overgang naar werk wordt in dit kader van belang geacht, terwijl dit juist voor ex-gedetineerden moeilijk kan zijn, onder meer doordat hun strafblad werkgevers kan afschrikken en wettelijke drempels kan opwerpen voor werken in bepaalde sectoren.[8] Met name gevangenisstraffen van langer dan zes maanden lijken een negatief effect op het vinden van een baan te hebben.[9] Vervolgonderzoek heeft bovendien aangetoond dat langere gevangenisstraffen niet leiden tot minder recidive dan kortere gevangenisstraffen.[10]

De moeilijkheden waar ex-gedetineerden tegen aanlopen zijn vanuit een insider-perspectief beschreven door Hugo Bergveen in zijn boek “Woning, werk en wederhelft”[11], het respectvollere en genderneutrale equivalent van “woning, werk en wijf”, de drie W’s die van belang worden geacht bij het op het rechte pad houden van veroordeelden. Bergveen belicht de problemen na detentie waar veel ex-gedetineerden mee te maken krijgen, zowel in praktisch opzicht (het vinden van een woning en werk, het aanvragen van een uitkering, het afsluiten van verzekeringen) als in sociaal opzicht (het verliezen van voeling met de maatschappij). Wat betreft dit laatste punt gaat het zowel om het vervreemden van het eigen sociale netwerk als om het vervreemden van de maatschappij als geheel, waarin ontwikkelingen immers in rap tempo plaatsvinden (denk bijvoorbeeld aan de digitalisering en de vluchtelingencrisis). Dit geldt ook voor gedetineerden die op de hoogte proberen te blijven via kranten, radio en tv, want “vanuit de bajes lijkt het alsof je naar een aquarium kijkt.”[12] Bergveen wijst erop dat deze praktische en sociale problemen recidive in de hand kunnen werken.

De problemen die Bergveen beschrijft, kwamen ook naar voren in mijn eigen onderzoek, waarin ik 100 verdachten in politierechterzaken heb geïnterviewd over de door hen ervaren (on)rechtvaardigheid tijdens hun strafzitting.[13] Veel verdachten gaven aan zich rechtvaardig behandeld te voelen, doordat de rechter rekening hield met de gevolgen van de straf en om die reden bijvoorbeeld een taakstraf oplegde in plaats van een gevangenisstraf. Zoals een van hen het verwoordde: “Dan hou je gewoon je huis en je baan en dat ik niet weer helemaal opnieuw moet beginnen als [ik] vast [kom] te zitten (…), want dan raak je gewoon alles weer kwijt.” Een andere interviewdeelnemer wees erop dat gevangenisstraf zoveel problemen met zich mee zou brengen dat zijn behandeltraject in gevaar zou komen.

Gelet op al deze aanwijzingen voor schadelijke gevolgen van (gevangenis)straffen zou men al met al kunnen spreken van “destructief strafrecht”, strafrecht dat dingen kapotmaakt. Dat het ook anders kan, leert bijvoorbeeld een blik over de grens. Met name in de Verenigde Staten en in Australië is de laatste decennia problem-solving justice opgekomen, waarbij wordt beoogd om de onderliggende problemen op te lossen die maken dat mensen voor de rechter moeten verschijnen.[14] Dat gebeurt bijvoorbeeld door problem-solving courts, zoals drug courts in het strafrecht, waarin bestraffing wordt gecombineerd met behandeling (onder rechterlijk toezicht) van de verslaving die aan het criminele gedrag ten grondslag ligt, zodat het met de verslaving samenhangende criminele gedrag in de toekomst wordt voorkomen.[15]

In Nederland zijn er (nog) geen problem-solving courts, maar ook hier is er steeds meer aandacht voor het oplossen van het onderliggende conflict in rechtszaken. Voor het strafrecht kan worden gedacht aan mediation in strafzaken, waar de afgelopen jaren ervaring mee is opgedaan in de vorm van pilots. Uit de evaluatie van deze pilots blijkt dat de meerderheid van zowel de deelnemende slachtoffers als daders tevreden is over de mediation en er wordt gewezen op de mogelijke winst op het gebied van recidive.[16] Ook kan worden gedacht aan de opkomende vraag naar strafrecht als optimum (in plaats van ultimum) remedium, dat wil zeggen: “een aanpak die het best bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke problemen”, onder andere door samenwerking met bijvoorbeeld zorginstellingen.[17]

Dit is geen pleidooi voor het zonder meer invoeren van problem-solving courts in Nederland (wat immers zijn eigen vragen met zich meebrengt en nader onderzoek vergt, dat overigens momenteel gaande is). Wel heb ik geprobeerd te laten zien dat er ook andere, voor veroordeelden en voor de samenleving meer constructieve manieren zijn om naar het strafrecht te kijken. Hoewel vergelding een inherent doel is van het strafrecht en het rechtsgebied in die zin zijn naam eer aandoet, hoort een invulling van het strafrecht waarbij er voldoende aandacht is voor zinvol en toekomstgericht straffen nadrukkelijk ook bij de publieke functie van het strafrecht, juist met het oog op preventie en bescherming van de samenleving. Uiteindelijk is het aan de rechter om, zoals eigen is aan zijn functie, hier een passende afweging tussen te maken, en mijn indruk is dat Nederlandse strafrechters dat heel behoorlijk doen. Wat mij betreft smaakt de door Steenhuis genoemde slappe koek dus zo slecht nog niet.

Lisa Ansems
Promovenda Departement Rechtsgeleerdheid
Universiteit Utrecht

Naschrift
Mij is gevraagd om te reageren op het stuk dat mevrouw Ansems schreef als reactie op mijn laatste bijdrage met bovenstaande titel. Ik vind dat moeilijk omdat het erop lijkt dat ze mijn stuk niet goed heeft willen lezen. Haar reactie telt 10 alinea’s. 8 daarvan gaan over datgene waartegen ik nu juist stelling neem; de eenzijdige, overdreven aandacht voor het welzijn van de verdachte. Ik ken de onderzoeken die ze opsomt over het effect van straffen op recidive en ben op de hoogte van de methodologische problemen die ze met zich meebrengen en de gevolgen die dat heeft voor de betrouwbaarheid van de hun resultaten. Maar ik wil het er niet over hebben. En aan problem solving justice moet ik al helemaal niet denken. Want wiens problemen worden eigenlijk opgelost? U raadt het al: die van de veroordeelde.

Wie een misdrijf pleegt verstoort de samenleving en verwerft zich een onrechtmatig “voordeel”. Dat is destructief, niet de reactie erop. Op mijn betoog dat rechtspreken geen verlengstuk moet zijn van het opvoedings- en socialisatieproces, dat er in het strafrecht een ander domein wordt betreden, waar niet de verdachte maar de samenleving centraal moet staan, gaat ze in het geheel niet in en ik heb er dus ook niets aan toe te voegen.

Harde cijfers over het feit dat Nederlandse rechters zwaarder straffen dan elders in Europa heb ik in de genoemde publicatie onder noot 2 niet kunnen vinden en het kan me trouwens niet schelen ook. Het gaat me ook niet om streng straffen als zodanig. Mij is het erom te doen dat een geloofwaardige reactie op het gepleegde misdrijf wordt afgegeven naar de samenleving. Dat zijn niet de burgers die in het kader van een onderzoek op de rechterstoel worden geplaatst en dan kennelijk behept raken met al die nuances, die tot de door mij verfoeide ongeloofwaardige straftoemeting leiden. En overigens wijs ik erop dat recent in Duitsland een wet is aangenomen waarin de minimumstraf voor woninginbraak op 1 jaar is bepaald. In Nederland is een taakstraf de norm voor first offenders.

En ten slotte: als de straffen zo laag zijn als uit de door mij genoemde publicatie blijkt, hoeft mevrouw Ansems zich over de desocialisering van de veroordeelde geen zorgen te maken. Die is de gevangenis al weer uit voordat hij er goed en wel erg in heeft.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

p.s. bij het naschrift
De beslissing van de rechter op het beroep van Folkert van der G. tegen de voorwaarden van zijn V.I. is een prachtig voorbeeld – nou ja – van de eendimensionale benadering van de rechter. Alleen de kans op recidive telt. De samenleving en de slachtoffers worden gewoon “vergeten”. Zelfs eerder genomen beslissingen van collega’s worden daarvoor aan de kant gezet.

Voetnoten bij Lisa Ansems, ‘Constructief strafrecht’
[1] H. Beunders, ‘In de genadeloze staat zijn we alleen tolerant voor onszelf’, NRC 12 mei 2018.
[2] Zie www.rechtspraak.nl (zoekterm: “straffen Nederlandse rechters”), laatst geraadpleegd op 21 mei 2018.
[3] W.A. Wagenaar, ‘Strafrechtelijke oordelen van rechters en leken: Bewijsbeslissingen, straffen en hun argumentatie’, Raad voor de rechtspraak, Research Memoranda nr. 2, jaargang 4, 2008.
[4] T. Kreling, ‘Het is lastig te geloven, maar Nederland wordt toch echt steeds veiliger’, de Volkskrant 7 mei 2018.
[5] G. Weijters, S. Verweij & N. Tollenaar, ‘Recidive onder justitiabelen in Nederland: Een verslag over de periode 2004 tot en met 2016’, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, factsheet 2017-5.
[6] P. Nieuwbeerta, D.S. Nagin & A.A.J. Blokland, ‘Het meten van effecten van gevangenisstraf in een niet-experimentele studie’, Mens & Maatschappij 2007, p. 272-299.
[7] M. Wensveen, H. Palmen, A. Ramakers, A. Dirkzwager & P. Nieuwbeerta, ‘Terug naar huis? Veranderingen in woonsituaties tijdens detentie en na vrijlating’, Tijdschrift voor Criminologie 2016, p. 28-55.
[8] Zie bijvoorbeeld A. Ramakers, P. Nieuwbeerta, J. van Wilsem, A. Dirkzwager & J. Reef, ‘Werk(kenmerken) en recidiverisico’s na detentie in Nederland’, Tijdschrift voor Criminologie 2014, p. 67-89.
[9] A. Ramakers, R. Apel, P. Nieuwbeerta, A. Dirkzwager & J. van Wilsem, ‘Imprisonment Length and Post-Prison Employment Prospects’, Criminology 2014, p. 399-427.
[10] H. Wermink, A. Ramakers, P. Nieuwbeerta, J. de Keijser & A. Dirkzwager, ‘Onderzoeksnotitie: Recidive na een korte of langere periode in detentie’, Tijdschrift voor Criminologie 2017, p. 30-51.
[11] H. Bergveen, Woning, werk en wederhelft: Leven na detentie, Assen: In Boekvorm Uitgevers, 2017.
[12] Bergveen 2017, p. 78.
[13] L.F.M. Ansems, K. van den Bos & E. Mak, ‘Speaking of Justice: A qualitative interview study on perceived procedural justice among defendants in criminal cases’ (in voorbereiding).
[14] J. Lippman, ‘Foreword’, in: G. Berman & J. Feinblatt, Good Courts. The Case for Problem-Solving Justice, New Orleans, Louisiana: Quid Pro Books 2005/2015 (tweede uitgave).
[15] O. Mitchell, D.B. Wilson, A. Eggers & D.L. MacKenzie, ‘Assessing the effectiveness of drug courts on recidivism: A meta-analytic review of traditional and non-traditional drug courts’, Journal of Criminal Justice 2012, p. 60-71; D.B. Marlowe, ‘Research Update on Adult Drug Courts’, NADCP 2010 (beschikbaar via www.nadcp.org, laatst geraadpleegd op 21 mei 2018).
[16] I. Cleven, K.M.E. Lens & A. Pemberton, De rol van herstelbemiddeling in het strafrecht: Eindrapportage onderzoek pilots herstelbemiddeling, Tilburg: International Victimology Institute Tilburg (INTERVICT) 2015.
[17] J. Olieroock & L. Nagy, ‘Strafrechtketen: van ultimum naar optimum remedium’, Audit Magazine 2016, p. 27.