De strafrechter moet straffen!!!

Een paar weken geleden las ik in de krant dat de rechter vaker therapie oplegt dan straf na huiselijk geweld, zulks veelal op voorspraak van het OM. Het is slechts één van de vele voorbeelden waaruit blijkt dat OM en rechter de weg kwijt zijn als het gaat om het vervullen van hun maatschappelijke taak te weten het toepassen van het strafrecht. Dat strafrecht is bedoeld als ultimum remedium oftewel als laatste redmiddel om te reageren op normschendingen die met straf zijn bedreigd.

Als het proces van socialisering is mislukt, als opvoeding, scholing, training, stages en wat dies meer zij, niet het gewenste resultaat hebben gehad, en er misdrijven worden gepleegd, is het strafrecht aan zet. De inhoud van de reactie van dit pijnlijke recht moet, dient zich, naar mijn stellige overtuiging, te onderscheiden van het instrumentarium, dat bij eerdere pogingen om mensen te socialiseren is gebruikt.

Sterker nog, de vraag dringt zich op of het strafrechtelijk antwoord op wangedrag wel primair moet zijn gericht op de dader van dat gedrag. Het strafrecht is publiek recht en heeft dus een publieke functie te vervullen. Het strekt ertoe aan de samenleving in brede zin duidelijk te maken dat het vertoonde gedrag ten stelligste wordt afgekeurd. Daarvoor zijn andere middelen, ultima remedia nodig dan tot dan toe bij de socialisering zijn ingezet. Middelen die geschikt zijn om slachtoffers genoegdoening te verschaffen, potentiële wetsovertreders af te schrikken en gezagsgetrouwe burgers het gevoel te geven dat het naleven van de normen loont. Als het inzetten van die middelen ook (re)socialisering van de dader tot gevolg heeft, is dat mooi meegenomen, maar het mag niet voorop staan. De rechter en het OM zijn geen therapeuten; ze hebben er niet voor geleerd en ze moeten het ook niet willen wezen. De therapeutische benadering, de overdreven focus op de dader en zijn toekomstig gedrag leidt tot onbegrip en onvrede bij de andere genoemde “klanten” van de strafrechtelijke interventie. Een dagelijkse blik in de kranten is voldoende om die onvrede vast te stellen. Rechter en OM moeten dus terug naar hun publieke taak en de dwaalweg van de resocialisatie zo spoedig mogelijk verlaten. Ze zijn geen verlengde van de kinderbescherming, de reclassering of de psychiatrie. Ze zijn een publieke instantie waarbij niet de “patiënt”, de cliënt, of weet ik wie centraal staat, maar de samenleving als geheel. Aan die samenleving moeten ze bij iedere interventie duidelijk maken dat met het strafrecht niet valt te spotten. Of de ontvanger van die interventie daar beter van wordt, is bijzaak.

Dat rechter en OM grote moeite hebben met deze benadering, blijkt nog eens bij nadere bestudering van het huidige niveau van straffen. Ik heb daar al eerder over geschreven, maar wil dat nog eens doen met andere gegevens, die te vinden zijn in de publicatie “Criminaliteit en Rechtshandhaving” met gegevens over 2016, waarvan ik soms de indruk krijg dat ze worden verdrongen. In ieder geval wordt er in het rapport dat deze gegevens jaarlijks vergezelt niet gedetailleerd op ingegaan.

In 2016 werden er door de rechter in totaal 82541 schuldigverklaringen wegens misdrijf uitgesproken, waarbij in 80247 gevallen een strafoplegging volgde. Dat leidde tot in totaal bijna 116.000 opgelegde sancties, waarvan 91642 hoofdstraffen. Bijna 20% daarvan wordt geheel voorwaardelijk opgelegd: ruim 17% van de geldboetes, bijna 14% van de taakstraffen en ruim 32% van de gevangenisstraffen. Aldus resteren er ruim 70.000 sancties met een onvoorwaardelijk deel; 18444 geldboetes, 28216 taakstraffen en 23813 vrijheidsstraffen.

Ik concentreer me op die laatste en beperk me verder tot die welke worden opgelegd voor een misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht. Dat zijn er, om precies te zijn 19318.

Op basis van de tabellen 6.6 tot en met 6.8, is het nu mogelijk het aandeel van de gevangenisstraf voor alle daar genoemde misdrijfgroepen te berekenen. Het zal niet verbazen dat de hoogste percentages van die straf te vinden zijn bij de geweld- en seksuele delicten. Van de 478 afgedane misdrijven tegen het leven eindigden er 367 in een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat is 76.8%. 89? afgedane verkrachtingen leidden in 68 gevallen tot zo’n straf. Dat is 76.4%. Daarna wordt het hoogste percentage vrijheidsstraffen gevonden bij diefstal met geweld (54.5%) en afpersing met 49.2%.

Ik heb al vaker laten zien hoe het met de duur van deze gevangenisstraffen is gesteld. Voor het totaal, dus alle groepen misdrijven, ziet dat er als volgt uit. Ik vergelijk 2016 met 2006.

Duur van de (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het totaal van de afgedane misdrijven in procenten

De stelling dat de rechter steeds meer moeite heeft om een stevige sanctie op te leggen wordt nog onderstreept door gegevens over het totaal bij deze zaken opgelegde detentiejaren in respectievelijk 2006 en 2016. Dat beeld ziet er als volgt uit.

Totaal opgelegde detentiejaren en gemiddeld aantal dagen

Uit deze tabel blijkt dat het aantal opgelegde detentiejaren met maar liefst 37% is gedaald ten opzichte van 2006. Dat leidt ertoe dat er ruim 4000 cellen minder nodig zijn. Logisch, zou men kunnen zeggen; het aantal afgehandelde zaken is ook sterk gedaald en dus ook het aantal schuldigverklaringen. Ja, dat is waar, maar het aantal detentiejaren daalde nog sterker.

Dat komt nog eens extra tot uitdrukking door de ontwikkeling van het gemiddeld aantal opgelegde dagen per delictgroep. Dat is, met één uitzondering, voor alle opgenomen misdrijven ook gedaald. Soms licht, zoals bij de drugsmisdrijven van 237 naar 214 dagen, soms heel sterk zoals bij de overige misdrijven uit het WvS van 137 naar 50 dagen; of in het verkeer, van 41 naar 22 dagen of, minder sterk, bij de geweld- en seksuele delicten van 250 naar 201 dagen. Alleen bij de misdrijven uit overige wetten neemt het gemiddeld aantal opgelegde dagen toe. Het gaat hier echter om kleine aantallen misdrijven.

Dat alles lijkt in strijd met de ontwikkeling die mocht worden verwacht als gevolg van de uitbreiding van het sanctiearsenaal van het OM: het pakket dat de rechter krijgt voorgelegd wordt gemiddeld zwaarder, dus de gemiddelde straf hoger. Niets daarvan. Het verbaast me daarom niets dat regelmatig de roep op komt naar minimumstraffen. Ik zou daar, voor bepaalde misdrijven, zoals woninginbraak, een groot voorstander van zijn. Zo’n inbraak is tenslotte één van de meest ingrijpende schendingen van de privacy die men zich kan voorstellen. In Duitsland is hiervoor recent een minimumstraf van 1 jaar ohne Bewährung ingevoerd.

En overigens denk ik dat het de hoogste tijd is voor een grondig onderzoek naar de vraag waarom de rechter niet meer durft te straffen en in toenemende mate slappe koek serveert.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie