Helderheid over en transparantie in doorlooptijden gevraagd

Dato Steenhuis besprak in zijn column Transparantie gegevens over doorlooptijden bij de Rechtspraak, of eerder de gebreken daaraan. Dat tegen het licht van het in 2014 door de Raad voor de rechtspraak ge-uite voornemen de doorlooptijden tot 2018 (gemiddeld) met 40% te bekorten.[1]

Eerst een paar zaken ter verheldering. We moeten onderscheid maken tussen gegevens over de doorlooptijden van zaken voor de totale of grote delen van de strafrechtelijke keten (politie, OM, rechter) en die bij de Rechtspraak op zich. De gegevens die Criminaliteit en Rechtshandhaving tot en met jaargang 2013 publiceerde betroffen de doorlooptijden van zaken van instroom bij het OM tot afdoening door OM of rechter.[2] Sindsdien worden die niet meer gepubliceerd, omdat de beschikbare gegevens niet betrouwbaar zijn gebleken.[3] Het ontbreken van deze ‘keten-brede’ gegevens is zeker een gemis.

Daarom ook is de ‘Strafrechtsketenmonitor’ opgezet, waarin ook de duur van strafzaken wordt opgenomen op basis van betrouwbare en eenduidige data. Een Data-alliantie tussen de ketenpartners zal dat moeten bevorderen. Dat het allemaal inderdaad niet snel gaat, heeft te maken met de complexiteit van de data en de verschillen tussen systemen als COMPAS en GPS en die van verschillende ketenpartners. En niet zozeer met het ontbreken van de wil om prestatie-indicatoren op het gebied van doorlooptijden te publiceren.

De Rechtspraak publiceert zelf wel al jaarlijks gegevens over doorlooptijden, zoals Steenhuis ook aangeeft. Niet alleen overigens in de Jaarverslagen, maar ook al geruime tijd, veel gedetailleerder, in de niet door Steenhuis genoemde jaarlijkse Kengetallen-rapportages, waarin de uitkomsten per gerecht zijn weergegeven.[4] Die gegevens hebben echter, dat ligt voor de hand, alleen betrekking op de duur van behandeling van zaken bij de Rechtspraak zelf. Ze zijn daarbij steeds gedefinieerd als de tijd vanaf het moment dat de zaak bij de Rechtspraak binnenkomt tot de eindbeslissing in de zaak.

Van ‘weer een andere definitie’ is dus geen sprake. Voor strafzaken is daarbij de eerste zitting het beginpunt van de meting. Het probleem met eerdere meetmomenten is dat het traject daarna niet alleen onder de verantwoordelijkheid van de Rechtspraak valt. De bovenbeschreven ontwikkeling van de strafketenmonitor moet dit hiaat gaan opvullen.

Steenhuis probeert de gegevens over doorlooptijden uit Criminaliteit en Rechtshandhaving 2013 – die dus betrekking hebben op OM en Rechtspraak samen – te koppelen aan die van de Rechtspraak zelf. Omdat het gehanteerde beginpunt een heel ander is, kan dat echter niet zo; de doorlooptijd bij het OM zit er tussen. En dus zijn ook de door Steenhuis berekende astronomische uitkomsten onzinnig.

Als een organisatie zichzelf in het openbaar een mooi doel stelt, moet zo’n organisatie ook later duidelijk maken in welke mate dat doel is bereikt. Daarin heeft Steenhuis gelijk. En dat is met de huidige wijze van presenteren van cijfers over doorlooptijden bij de Rechtspraak niet rechttoe-rechtaan. Let wel: het gaat hier niet om (een discussie over) verschillen in definities, maar wel over de wijze van presentatie.

Tot voor kort werden in het Jaarverslag gemiddelde doorlooptijden gepresenteerd. Zowel binnen als buiten de Rechtspraak was echter de opvatting dat dergelijke gemiddelden minder geschikt waren om inzicht te verkrijgen en de te kunnen ‘sturen’. Zo zitten in een groep zaken waarvan de doorlooptijd gemiddeld een half jaar is, zaken met een duur van enkele weken tot zaken met een duur van enkele jaren. Daarnaast blijkt dat enkele hele rare (en mogelijk ‘vervuilde’ zaken) de uitkomsten op het gemiddelde sterk kunnen beïnvloeden.[5]

Daarom is de Rechtspraak al vele jaren geleden begonnen met het formuleren van normen voor de duur van zaken, voor 41 verschillende zaakstypen.[6] Een voorbeeld: de norm voor politierechter-zaken respectievelijk meervoudige kamer-strafzaken is dat 90% binnen 5 weken respectievelijk 6 maanden wordt afgedaan. In 2016 heeft de Rechtspraak 86% respectievelijk 83% van deze soorten zaken binnen de normtijd afgedaan.[7] De gestelde normen zijn dus (nog) niet (helemaal) gehaald. Sinds een aantal jaren stellen Jaarverslagen en Kengetallen-publicaties de mate waarin de Rechtspraak aan die normen voldoet, centraal. In het jaarverslag 2016 is deze focus nog versterkt en zijn geen cijfers over gemiddelde doorlooptijden bij rechtbanken en hoven meer opgenomen.

Die presentatie heeft echter als nadeel dat de verbinding met de eerder genoemde beleidsdoelstelling (40% bekorting) weg is. Intern gebruikt en analyseert de Rechtspraak gegevens over gemiddelde doorlooptijden dan ook nog wel degelijk. Wij zijn het met Steenhuis eens dat publicatie van deze gemiddelden of daaraan verwante maatstaven (zie noot 5) aanbeveling verdient, maar wel naast het weergeven welk percentage van de zaken binnen een vastgestelde tijd is afgehandeld. Overigens zal de beschrijving van de ontwikkeling sinds 2013 op basis van gemiddelden niet tot een heel andere conclusie leiden dan de bestaande beschrijving op basis van het percentage zaken dat binnen een vastgestelde tijd is afgehandeld.

De ontwikkeling van de gemiddelde duur van een aantal ‘hoofd-categorieën’ van zaken komt dit jaar overigens wel in het Jaarverslag. Komend jaar denkt de Rechtspraak intern verder na over de beleidsinformatie, die nodig is om zoveel mogelijk bestuurlijk bruikbaar inzicht in de ontwikkeling van doorlooptijden te krijgen. Het lijkt ons verstandig om het signaal van Steenhuis daarbij te betrekken.

Frank van Tulder en Gerard Paulides
Beiden werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak

Transparantie: take 2
Naschrift bij ‘Helderheid over en transparantie in doorlooptijden gevraagd’

In 2014 formuleerde de Raad voor de Rechtspraak als belangrijke beleidsdoelstelling, dat de doorlooptijden in 2018 met 40% zouden moeten zijn gedaald. In mijn column van februari jl. verweet ik de Raad een gebrek aan transparantie over de voortgang van deze doelstelling. Van Tulder en Paulides, beiden werkzaam bij de Raad, hebben op deze column gereageerd. Ik ben blij met iedere reactie.
Interessant is wel dat ze hun betoog beginnen met de zin: “Eerst een paar zaken ter verheldering”. Kennelijk valt er dus het nodige op te helderen en is er dus gebrek aan transparantie. Dat blijkt ook uit de verdere inhoud van hun reactie.
Aan de ene kant stellen ze met mij vast dat de cijfers, die destijds kennelijk als basis hebben gediend voor de 0-meting bij het formuleren van die doelstelling, thans niet meer voor handen zijn. Ze zijn, na lange jaren trouwe dienst, plotseling onbetrouwbaar gebleken en terzijde geschoven. Van een echte vergelijking aan het einde van de beleidsperiode zal het dus niet (kunnen) komen.
Aan de andere kant proberen ze uit te leggen dat de Raad inmiddels zelf heel wat gegevens over doorlooptijden verzamelt, tot op het niveau van de gerechten toe, (het moet niet gekker worden), maar ze geven tegelijkertijd toe dat die cijfers niet geschikt zijn om als maatstaf te dienen voor het al dan niet realiseren van de genoemde doelstelling.
Ik kan dus niet anders dan concluderen dat we het kennelijk eens zijn en ik ben uiteraard verheugd dat men voornemens is nota te nemen van mijn suggesties voor verbetering van de huidige presentatie. Of de geformuleerde doelstelling wordt gehaald in 2018 zullen we helaas nooit weten.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Voetnoten bij ‘Helderheid over en transparantie in doorlooptijden gevraagd’
[1] Agenda voor de Rechtspraak 2015-2018, 2014, doelstelling 1.
[2] Zie: N.E. de Heer-de Lange en S.N. Kalidien (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2013, CBS, WODC, Raad voor de rechtspraak, 2014, p.146.
[3[ Zie: S.N. Kalidien en N.E. de Heer-de Lange (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2014, CBS, WODC, Raad voor de rechtspraak, 2015, p.30 en S.N. Kalidien (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2016, WODC, CBS, Raad voor de rechtspraak, 2017, p.147.
[4] Zie bijvoorbeeld de Kengetallen gerechten 2016: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/kengetallen-gerechten-2016.pdf.
[5] Dit geldt voor het gemiddelde, niet voor eventuele alternatieven, zoals de door Steenhuis genoemde 99%-variant (gemiddelde over alle zaken exclusief de 1% langstdurende) of de mediaan, dat is de duur waarvoor geldt dat precies de helft van de zaken korter en de helft van de zaken langer duurt.
[6[ Rechtspraak betreft veel meer dan strafrecht: andere rechtsgebieden beslaan een veel groter deel van het werk van de Rechtspraak.
[7] Zie Jaarverslag Rechtspraak 2016, p.43.