Laten we stoppen met onnodig aangeven

“X is 85 jaar geworden.” Zo eindigt een bericht vaak, als in een nieuwsjournaal op de radio kond van het overlijden van een meer of minder bekende persoon wordt gedaan. Het is een soort plechtig ritueel dat bij dit soort mededelingen standaard in acht wordt genomen. Op dezelfde manier lijkt het tegenwoordig met de melding “X heeft aangifte gedaan” of “X overweegt aangifte te doen” te gaan. Dit hoor je, als zich een – mogelijk strafbaar – feit heeft voorgedaan en het slachtoffer vindt dat daartegen moet worden opgetreden. Het lijkt wel of (het bericht van) het doen van aangifte net als (de mededeling over) de bereikte leeftijd een vast ritueel is geworden.

Van aangeven wordt, ook in taalkundige zin, echter veel oneigenlijk of zelfs misbruik gemaakt. Hiertegen zou eens een effectieve dam moeten worden opgeworpen.

Tegen het doen van een valse aangifte is die dam er al. Art. 188 Wetboek van Strafrecht (Sr) voorziet in een jaar gevangenisstraf voor het doen van aangifte of klacht dat een strafbaar feit is gepleegd, “wetende dat het niet gepleegd is”. Ratio hiervan, aldus T&C Strafrecht (aant. 1), is gelegen in het gevaar voor misleiding van politie en justitie dat in een valse aangifte of valse klacht ligt besloten. Daadwerkelijke misleiding is niet vereist. In aant. 5 in T&C Strafrecht staat – enigszins wonderlijk – als beschermd belang het ambtelijk (justitieel) gezag voorop, en daarnaast, maar meer indirect, het belang van degene die ten onrechte als verdachte zou kunnen worden aangemerkt. We blijven nu eenmaal een land van ambtenaren.
Minder bekend is artikel 268 Sr, onderdeel van boek II titel XVI over Belediging. Volgens deze bepaling is strafbaar “hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid een valse klacht of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van die persoon wordt aangetast”. Overtreding hiervan kan naast een gevangenisstraf (maximum twee jaar) of geldboete ook ontzetting uit het recht (bepaalde) ambten te bekleden en het recht bij de gewapende macht te dienen opleveren. Dit delict wordt dus zwaarder aangerekend dan overtreding van art. 188 Sr.

Hoe vaak het doen van een valse aangifte – in welke van deze twee vormen dan ook – voorkomt en vervolgens wordt vervolgd, weet ik niet. In strafdossiers zie je nog wel eens dat een politieambtenaar die een aangifte opneemt, de aangever voorhoudt dat hij strafbaar is, als de aangifte vals blijkt te zijn. In zulke gevallen heeft de verbaliserende ambtenaar kennelijk het gevoel of het vermoeden dat het feit waarvan aangifte wordt gedaan, zich niet heeft afgespeeld. Maar processen-verbaal waarin wordt gerelateerd dat de aangever van zijn aangifte afziet, zullen met een lampje te zoeken zijn. Meer waarschijnlijk is dat het aangifteproces wordt gestaakt, als de aangever erop terugkomt. (En dan komt de vraag aan de orde of van een poging sprake is.)
Waar het doen van aangifte bedenkelijke vormen aanneemt, is dat in situaties waarin het wordt misbruikt, of, zoals we dat in polderland liever zeggen, oneigenlijk wordt gebruikt. En dan heb ik het over lieden die een politiek andersdenkende bij de politie aangeven vanwege een veronderstelde beledigende uitlating. Dat soort aangiftes is doorgaans alleen bedoeld om electoraal profijt te behalen en wordt meestal vrij snel de kop in gedrukt, doordat het OM het – wijze – besluit neemt de zaak niet te vervolgen. Niettemin heeft de politie de aangifte dan al moeten opnemen, want zij heeft daartoe de wettelijke plicht. Terwijl zij wel wat beters te doen heeft, moet zij tijd vrijmaken om de aandachttrekkerij van de politicus in de computer in te voeren en te verwerken. (De aangevende politicus zorgt er natuurlijk ook voor dat de media van zijn actie op de hoogte worden gesteld, en dan voltrekt zich het ritueel dat aan het begin van deze blog wordt gesignaleerd.)

Zouden we het begrip “vals” in art. 188 en 268 Sr niet ook op dit soort aandachttrekkerijen van toepassing moeten verklaren en zo’n aangevende politicus wegens overtreding van een van deze twee bepalingen moeten vervolgen? Uiteindelijk weet deze – of behoort deze te weten – dat zijn aangifte tot niets kan leiden. Misschien heeft het feit, namelijk de litigieuze uitlating, zich wel voorgedaan, maar de aangever moet begrijpen dat het niet strafbaar is. Het gaat dan misschien wat ver ook de maatregelen van het tweede lid van art. 268 Sr toe te passen. Daarover zou je echter bij zich herhalende recidive anders kunnen denken.

Natuurlijk is voor dit alles weer een nieuwe aangifte nodig, maar die is misschien de investering waard. (Overigens zal de – valse – aangifte – bij toepassing van art. 268 Sr ook nog een aantasting in eer en goede naam moeten vormen; dus dat maakt toepassing van deze bepaling wat lastig.)

Tot slot het taalkundige misbruik van aangeven. Tegenwoordig geeft iedereen iets aan, als hij eigenlijk “opmerkt”, “zegt”, “verklaart”, “meedeelt”, “uitlegt”, etc. Kranten en ambtelijke stukken staan er vol van. Kunnen we daarmee niet wat zuiniger worden en aangeven alleen maar gebruiken in de hiervoor besproken zin? Het zou onze taal kunnen verrijken en dat is ook iets waard. En als we dan minder aangeven in strafrechtelijke zin, komt het helemaal goed.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam