Processtukken in het opsporingsonderzoek: More Mr. Nice Guy

Ward Ferdinandusse

De film “Mr. Nice Guy” uit 1997 wordt in de filmgeschiedenis als volgt samengevat:

“Jackie Chan is a celebrity chef turned reluctant hero after he rescues a pretty journalist from the clutches of a ruthless drug lord. At stake is an incriminating videotape that has accidentally fallen into Jackie’s hands. With the gang in hot pursuit, the action stretches from one spectacular, stunt-filled scene to another. When Jackie’s girlfriend is kidnapped and his apartment blown up, this mild-mannered chef cooks up his own recipe for justice. The mob will never know what hit them, because Jackie’s back with a vengeance to strike a blow for good guys everywhere.”

Een toepasselijke en ook omineuze titel voor een column over processtukken dus: No more Mr. Nice Guy. Spectaculair knokken om die incriminating videotape!

In zijn analyse van het toepasselijk recht kan ik reluctant hero Vasco Groeneveld niet geheel volgen. Feitelijk is zijn stelling dat processtukken vóór het daadwerkelijk plaatsvinden van het eerste verhoor moeten worden verstrekt (“in de verhoorkamer gebeurt niks voordat die stukken zijn doorgenomen”). Maar vooraf is toch echt iets anders dan vanaf, of het nu gaat om rijbewijzen, broodjes rosbief of processtukken. Dat blijkt ook wel uit de wetsgeschiedenis. In de in de column aangehaalde kamerstukken staat elders: “Uit artikel 31 sub a Sv vloeit bijvoorbeeld voort dat de verdachte vanaf zijn eerste verhoor recht op kennisneming heeft van het proces-verbaal dat van dit verhoor wordt opgemaakt.” Blijkbaar gebruikt de regering hier dus de zinsnede “vanaf het eerste verhoor” wel degelijk om aan te geven: na afloop van het eerste verhoor. Anders wordt van de politie wel heel veel creativiteit gevraagd. (Persoonlijk ben ik blij dat de tijd dat de politie wel eens paragnosten inschakelde achter ons lijkt te liggen.)

De preambule van de EU-richtlijn 2012/13 betreffende het recht op informatie in strafprocedures weeg ik ook anders dan de schrijver. De door hem geciteerde onderdelen van de preambule zien niet op processtukken maar op het recht op informatie over de beschuldiging. Dat blijkt duidelijk uit de tweede volzin van nr. 28, die in het citaat in de column is weggelaten:

“Met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging dient de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.”

Het recht om geïnformeerd te worden over de beschuldiging is iets anders dan het recht op processtukken. Onderdeel 30 van de preambule bestrijkt wel het recht op stukken:

“Documenten en, indien aangewezen, foto’s en geluids- en beeldopnamen die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie van verdachten of beklaagden op doeltreffende wijze aan te vechten overeenkomstig het nationale recht, dienen hun of hun advocaat ter beschikking te worden gesteld uiterlijk voordat een bevoegde gerechtelijke autoriteit is gehouden een beslissing te nemen over de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie overeenkomstig artikel 5, lid 4, EVRM, en voldoende tijdig om het recht op aanvechting van de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie daadwerkelijk te kunnen uitoefenen.”

Daar wordt voor het recht op inzage in processtukken dus nadrukkelijk een ander en later uiterlijk moment bepaald dan het eerste verhoor. Artikel 7 van de richtlijn maakt nog duidelijker dat stukken verstrekt moeten worden wanneer iemand wordt aangehouden en gedetineerd (lid 1) of “uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging” (lid 3). Bijlage I van de richtlijn, zijnde een ‘Indicatief model voor een verklaring van rechten’ bevat als onderdeel E:

“E. TOEGANG TOT DOCUMENTEN
Wanneer u bent aangehouden en in hechtenis bent genomen, hebt u (of uw advocaat) recht op toegang tot essentiële documenten die u nodig hebt om de aanhouding of inhechtenisneming aan te vechten. Als uw zaak voor de rechtbank komt, hebt u (of uw advocaat) recht op toegang tot materiële bewijsstukken die voor of tegen u spreken.”

Kort en goed: aan de richtlijn valt bepaald geen steun te ontlenen voor een recht op inzage van processtukken voorafgaand aan het eerste verhoor. Integendeel, de richtlijn als geheel wijst duidelijk de aanhouding/voorlopige hechtenis en de terechtzitting aan als ijkmomenten.

Verschil van mening is ook mogelijk over de vraag of een verdachte baat kan hebben bij een verhoor zonder de relevante processtukken al te kennen. Ook als advocaten structureler zo vroeg mogelijk om die processtukken gaan vragen, denk ik dat de rechter nog steeds relevant zal vinden of een verdachte zijn kant van het verhaal pas heeft gedaan na kennisname van het dossier of daarvoor. Voor de verificatie/falsificatie van een scenario aan de hand van het overige bewijsmateriaal maakt het nu eenmaal verschil of het scenario is geschetst met of zonder kennis van dat overige bewijsmateriaal. Zo bezien kan een verdachte nog steeds iets te winnen hebben bij een verhoor zonder dossierkennis, wat de gebruikelijke werkwijze van zijn advocaat ook is.

Kortom: ik ben het niet op alle onderdelen van de analyse in zijn (zoals altijd lezenswaardige) column eens met Groeneveld. De hoofdlijn er van kan ik wel (grotendeels) volgen en onderschrijven: ik denk dat Groeneveld terecht signaleert dat het OM zich niet altijd voldoende actief toont ten aanzien van een vroege verstrekking van processtukken als de verdediging daar om vraagt. Of we hierin veel te winnen hebben bij een taalkundige strijd op het scherpst van de snede over het woord ‘vanaf’ betwijfel ik. Of processtukken nu verstrekt moeten worden uiterlijk (!) vóór een eerste verhoor of na een eerste verhoor (met een zwijgende) verdachte) zal niet altijd zo veel uitmaken. In zoverre ben ik wel met Groeneveld eens dat wij ons bij het OM – waar het onderzoek dat toelaat – wat vaker toeschietelijk mogen tonen als een advocaat in een vroege fase om processtukken verzoekt. Niet alle zaken lenen zich daar even goed voor. Maar waar mogelijk zou ik dus zeggen: wat meer Mr. Nice Guy in plaats van minder.

Ward Ferdinandusse
Officier van justitie bij het Landelijk Parket en Bijzonder Hoogleraar Internationaal Strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen

Naschrift
Onder dankzegging voor de reactie en de uitgebreide uitleg van de Europese richtlijn, wijs ik nog eens op de wetstekst, waarin ‘vanaf het eerste verhoor’ onmogelijk kan betekenen ‘pas na afloop’. Stel dat Ward Ferdinandusse en Vasco Groeneveld samen naar de nieuwe Jackie Chan willen, die vanaf maandag draait. Zouden zij het begrijpen als de kassamevrouw vertelt dat ze pas op dinsdag terecht kunnen? En waar ik de website van het OM aanhaal ‘Vanaf 1 april 2014 treedt het adolescentenstrafrecht in werking’, wat gaat mr Ferdinandusse repliceren als ik bepleit dat hij mijn 17-jarige cliënt daar dus pas op 2 april mee mag lastigvallen?
Ward Ferdinandusse citeert de memorie van toelichting: ‘Uit artikel 31 sub a Sv vloeit bijvoorbeeld voort dat de verdachte vanaf zijn eerste verhoor recht op kennisneming heeft van het proces-verbaal dat van dit verhoor wordt opgemaakt’. De regering houdt hier wel degelijk voor mogelijk dat ‘vanaf’ betekent ‘na afloop van’, meent hij.
Maar dat gaat voorbij aan het normale verloop van een politieverhoor. Het proces-verbaal wordt in bijzijn van de verdachte opgemaakt, met hem doorgenomen en ter ondertekening aangeboden. Dit vaste ritueel maakt deel uit van het verhoor en de memorie strookt hier geheel met de hoofdregel: kennisgeving niet pas na, maar al tijdens het verhoor.
Dat is iets anders dan vooraf, dat klopt. Maar nu het inzagerecht in elk geval (ofwel: uiterlijk) ingaat op het moment van het eerste verhoor (aldus de memorie) en de wet stelt dat de aangehouden verdachte dan recht heeft op kennisneming, is er maar één zinvolle uitleg: zodra het verhoor van start gaat (laten we zeggen: wanneer de cautie moet worden gegeven), mag de verdachte inzage desgevraagd niet meer worden onthouden.
Ik ben het met Ward Ferdinandusse eens dat niet elke verdachte er perse bij gebaat zal zijn. Stof voor verdedigingsdilemma’s. Maar dat doet niet af aan de kennelijke bedoeling van de wetgever hier ‘to help the blind to see’ (No more mr nice guy, Alice Cooper).

Vasco Groeneveld
Strafpleiter bij Plasman cs advocaten