Een onzalig plan

We bevinden ons op een willekeurige dag in 2019 in een zittingzaal in een willekeurige rechtbank in Nederland. Aan de orde is een zware mishandeling, gepleegd in de nachtelijke uren in het uitgaansgebied van een grote Nederlandse provincieplaats. Het slachtoffer is vreselijk toegetakeld en zal daarvan de rest van zijn leven de gevolgen ondervinden. Na langdurig politieonderzoek is uiteindelijk een man aangehouden. Hij staat nu als verdachte terecht, maar ontkent met volle overgave dat hij de dader is. Uit de behandeling van de feiten door de voorzitter van de Meervoudige Kamer blijkt dat het bewijs ook allerminst voor het oprapen ligt. Het zou best weleens vrijspraak kunnen worden, denken kenners in de zaal.

De verdachte, volgens zijn advocaat een gevoelig man, verklaart aan het begin van de zitting dat hij bij de behandeling van de feiten zijn woordje wil doen, omdat hij van zijn onschuld overtuigd is. Als hij hoort dat het slachtoffer een uitgebreide verklaring wil afleggen, zegt hij dat hij dat niet zal kunnen aanhoren. Hij kan zich goed voorstellen dat het slachtoffer onder de gebeurtenissen heeft geleden en misschien nog wel lijdt, maar “ik heb dat niet op mijn geweten”. Het zou hem teveel worden naar diens relaas te luisteren. Hij wil dan ook tijdens de verklaring van het slachtoffer niet in de zittingzaal aanwezig zijn.
De voorzitter lijkt genegen hem daarin zijn zin te geven, maar dan wijst de officier van justitie op de wettelijke regeling die onlangs in werking is getreden: de verplichting van verdachten de verklaring van het slachtoffer aan te horen. De voorzitter herinnert zich dat minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker dit begin 2018 heeft voorgesteld en dat de beide kamers van de Staten-Generaal hem na veel discussie (en een ”zachte hand” van premier Rutte) zijn zin hebben gegeven. Hij schorst de zitting om met zijn collega’s te overleggen.

Wat in raadkamer precies wordt besproken, weten we natuurlijk niet. Maar we kunnen het wel een beetje reconstrueren, als we na de schorsing horen wat de rechtbank na kennelijk lang beraad heeft bepaald. De voorzitter deelt mee dat de rechtbank heeft besloten bij tussenvonnis een uitspraak over de toedracht te doen en pas daarna, zo nodig, de gevolgen voor het slachtoffer, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de eventuele straf en maatregelen zal bespreken. De voorzitter herinnert de betrokkenen eraan dat zijn rechtbank heeft afgesproken dat het proces bij wijze van proef in daarvoor in aanmerking komende zaken in twee fasen kan worden gevoerd. Deze zaak leent zich daarvoor.

Hoe het verder afloopt, vermeldt de historie niet. Duidelijk is echter dat de rechtbank in dit geval een elegante oplossing heeft gevonden voor een dilemma dat de door minister Dekker geïntroduceerde regeling vaak zal meebrengen. Hoe ga je om met een zaak waarin een verdachte categorisch ontkent en het uiterst twijfelachtig is of hij “het” heeft gedaan, maar waarin het slachtoffer, bijgestaan door een vasthoudende advocaat, erop staat het woord te mogen voeren? Als een verslaggever van NPO Radio 1 dit aan het onschuldvermoeden gerelateerde dilemma op de ochtend van de bekendmaking van het voorstel aan minister Dekker voorhoudt, weet deze niet meer te zeggen dan dat het belangrijk is de positie van het slachtoffer te versterken.

Over het voorstel is van alles gezegd: het is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het houdt geen rekening met het onschuldvermoeden, het creëert conflicten in de rechtszaal, etc. Het lijkt of in de politieke kringen waaruit een dergelijk plan voortspruit, een dwangmatige neiging bestaat met steeds maar meer “slachtofferplannen” te komen zonder naar de effectiviteit en het nut te kijken. En als een minister voor Rechtsbescherming kennelijk niet begrijpt wat de betekenis van het onschuldvermoeden is, dan is er alle reden tot verontrusting.
Los van al deze overwegingen is wat mij betreft de belangrijkste vraag hoe iemand kan denken dat het soort van dwang dat met de uitvoering van een regeling als deze gepaard kan gaan, zal kunnen bijdragen aan de oplossing van het geschil dat een strafzaak uiteindelijk vormt. Waarom moet na alle regels die de versterking van de positie van het slachtoffer beogen, nu weer iets in de wet komen staan dat een sterke kiem van polarisatie in zich draagt en waarvan de kans op succes tevoren al als miniem moet worden ingeschat. Waarom wordt niet meer oplossingsgericht gedacht?

Een van de doelen van de voorgestelde regeling is dat verdachten (daders) inzicht in de gevolgen van hun daden krijgen. Dat is op zichzelf een legitiem doel. Je bereikt het echter veel beter door in een mediationachtige situatie te trachten dader en slachtoffer dichter bij elkaar te brengen. Een gesprek in die sfeer zal, mits goed opgezet, meer opleveren dan een openbare rechtszitting waarin de verdachte de verklaring van het slachtoffer letterlijk door zijn strot krijgt geduwd. Hopelijk zal het Parlement in staat zijn de minister op andere gedachten te brengen.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam