Het zelfvervullende karakter van de belofte van de oriëntatiepunten

Afgelopen dinsdag reageerde Lemaire op mijn bijdrage “De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan”. Het is niet de eerste keer dat Lemaire en ik discussiëren over het beschrijvende karakter van de LOVS oriëntatiepunten (Zie Lemaires bijdrage “De macht over de oriëntatiepunten” en mijn reactie daarop “Niet managers maar rechters zouden de macht moeten hebben over de oriëntatiepunten”).

In dit naschrift zal ik dan ook niet in herhaling vallen en verwijs ik naar mijn eerdere argumenten voor de stelling dat oriëntatiepunten niet beschrijvend kunnen zijn. De rechtspraak betoogde al ver voor dat ik die stelling innam het tegendeel. Nu is het natuurlijk de vraag wie de steller is die moet bewijzen. Zelf denk ik dat dat de rechtspraak zou moeten zijn. Zij zijn immers diegene die zonder empirisch bewijs stellen dat hun rechtspraak door de oriëntatiepunten beschreven wordt terwijl op die stelling nogal wat in te brengen valt. Wanneer een stelling argumentatief (en dus met bewijzen!) wordt weerlegd, ligt het voor de hand dat op die argumenten wordt ingegaan. Dat is nimmer gebeurd.

Behalve dat in mijn ogen de rechtspraak aan zet is (door haar stelling te bewijzen, empirisch of argumentatief) wordt het de wetenschap (zo die de steller is die moet bewijzen) erg lastig gemaakt om dat te doen. Rechtspraak.nl herbergt slechts een selectie van de door de gerechten gedane uitspraken waarbij het ook nog lijkt af te hangen van gerecht, rechter en griffier hoe veel er gepubliceerd wordt. Bovendien zijn daarop geen zaken te vinden van de politierechter die een groot deel van de feiten berecht waarvoor oriëntatiepunten door het LOVS zijn vastgesteld (en ter zake waarvan strafbeschikkingen worden opgelegd).

Een goed argument voor de stelling dat oriëntatiepunten geen beschrijving kunnen zijn, levert Lemaire overigens wanneer hij zegt dat de oriëntatiepunten in de hoofden van de rechters op de Antillen zijn meegereisd: dat toont namelijk eerder aan dat de opgelegde straffen zich aanpassen aan de oriëntatiepunten dan dat de oriëntatiepunten zich aanpassen aan de opgelegde straffen. Ze worden als uitgangspunt gehanteerd en vervolgens afhankelijk van de omstandigheden naar boven of beneden bijgesteld. Dat is ook wat geconcludeerd kan worden uit het boeiende onderzoek waarop Lemaire wijst. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de oriëntatiepunten beschrijven, integendeel zou ik zeggen: daarmee is des te meer het normerende karakter gegeven.

En dan de weddenschap. Die gaat enigszins voorbij aan het punt dat ik in mijn blog wilde maken. Dat punt valt het beste te illustreren vanuit de aanname dat Lemaire gelijk heeft en dat rechters straffen conform de oriëntatiepunten. Dat zou namelijk de vraag oproepen waarom er zo geklaagd wordt over de straf in de strafbeschikkingen zoals door de rechters die de procureur-generaal in zijn rapporten over de strafbeschikkingen opvoerde. Een andere vraag zou zijn waarom door de advocatuur alom wordt verdedigd dat het instellen van verzet (afgezien van de korting vanwege het verstrijken van de termijn) loont. Wanneer rechters conform de oriëntatiepunten zouden straffen, dan zou (indachtig het gegeven dat de richtlijnen voor een groot deel van de feiten nauwelijks afwijken van de oriëntatiepunten) de straf op zitting immers veelal gelijk moeten zijn aan de straf in de strafbeschikking. Geen reden voor geklaag lijkt me of het risicoloos instellen van een kostbaar rechtsmiddel. Mijn bedenkingen over het overeenkomen van oriëntatiepunten en rechterlijke werkelijkheid komen louter voort uit de veelal gehoorde indruk dat in strafbeschikkingen structureel te hoge straffen worden opgelegd. En – daarmee komen we op het punt dat ik wil maken – wat mij betreft is het een of het ander. Of de straffen in strafbeschikking zijn te hoog en dan wordt er door rechters lager gestraft dan de oriëntatiepunten. Of er wordt door rechters gestraft conform de oriëntatiepunten maar dan kunnen de straffen in de strafbeschikking op zichzelf niet te hoog zijn. De uitkomst van de weddenschap is dus niet zo belangrijk voor hetgeen ik in mijn blog wilde betogen. Het gaat me erom dat er onverenigbare standpunten worden ingenomen als het gaat om de straftoemeting door rechter en openbaar ministerie.

Over een daarvan te onderscheiden ander belangrijk punt van discussie (namelijk het al dan niet beschrijvende karakter van de oriëntatiepunten) zal de uitkomst van de weddenschap niets kunnen zeggen. Dat heeft van doen met het feit dat de voorspelling van Lemaire dat rechters straffen conform de oriëntatiepunten een zelfvervullend karakter heeft. Als rechters maar lang en consequent genoeg voorgeschreven normen hanteren, kan het dat die normen inderdaad na verloop van tijd de werkelijkheid beschrijven. Met de uitkomst van de weddenschap is dus nog niets gezegd over het beschrijvende of normerende karakter van de oriëntatiepunten. Dat brengt ons dus niet dichterbij elkaar. Tijd om maar eens samen een flesje Diplomático open te trekken zou ik zeggen, de weddenschap te laten voor wat die is en achter dit debat een punt te zetten.

Rick Robroek
Universitair docent vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Amsterdam