De oriëntatiepunten straftoemeting in de werkelijkheid

In zijn bijdrage “De OM-strafbeschikking. Deel 2. Straffen als de rechter is makkelijker gezegd dan gedaan” stelt Rick Robroek – kort gezegd – dat het voor een doelmatige toepassing van de OM-beschikking handig zou zijn om iets onder de door de strafrechters toegepaste strafmaat te gaan zitten. Daarmee wordt onnodige belasting van de rechtspraak voorkomen. De oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS zouden voor de strafrechtpraktijk een belangrijke kenbron moeten zijn hoe strafrechters dat doen. Evenwel vermoedt Robroek dat strafrechters in de praktijk lager straffen dan ‘hun’ oriëntatiepunten zouden suggereren.

Over dat vermoeden wil ik iets zeggen. “Oriëntatiepunten geven de straf weer die rechters voor het modale feit (de meest voorkomende verschijningsvorm van het strafbare feit) plegen op te leggen. Zij komen tot stand na een inventarisatie van de praktijk van de straftoemeting en na consultatie van alle gerechten.” Dit citaat komt uit de Verantwoording waarmee de oriëntatiepunten worden ingeleid.

De oriëntatiepunten zijn retrospectief bedoeld en beogen inderdaad een weergave te zijn van de straftoemetingspraktijk. Ze verschillen daarmee fundamenteel van bijvoorbeeld de straftoemetingsrichtlijnen van het openbaar ministerie. Deze laatste hebben meer het karakter van een rechtspolitiek instrument. In reactie op gebeurtenissen en opvattingen in de samenleving kan het openbaar ministerie zijn richtlijnen voor zijn strafeisen voor bepaalde delicten verhogen, verlagen of anderszins aanpassen. Deze richtlijnen en de daarop gebaseerde strafeisen zijn voor de strafrechter niet bindend, maar er gaat zeker invloed van uit op de straftoemeting, indien de officieren van justitie deze richtlijnen althans vertalen naar hun eisen in individuele zaken, wat overigens niet per sé het geval is.

Anders dan voor het openbaar ministerie, past het hanteren van straftoemetingsbeleid niet goed bij de taak van de rechter. De rechter oordeelt immers op de merites van de zaak, gehoord de officier van justitie (die mede spreekt voor het eventuele slachtoffer) en de advocaat. Rechters hebben geen wettelijke bevoegdheid om beleidsregels over de hoogte van straffen vast te stellen. Dat is terecht want rechters kunnen daar maatschappelijk niet op worden aangesproken. Wel kun je in de rechtspraktijk trends en ontwikkelingen zien, die het resultaat zijn van voortdurende invloeden op individuele strafzaken. Die invloeden doen zich voor door telkens terugkerende debatten op zitting en – onvermijdelijk ook – doordat rechters zich als burgers op de hoogte houden van maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de strafmaat.

Zo zal de strafmaat toenemen bij afnemende tolerantie in de samenleving voor bepaald gedrag (bijvoorbeeld geweld tegen hulpverleners) en afnemen bij toenemende tolerantie (bijvoorbeeld hulp bij zelfdoding in geval van ernstig lijdende patiënten). Soms verdwijnen strafbaarstellingen uiteindelijk helemaal uit het Wetboek van strafrecht, zoals de strafbaarstelling van homoseksuele contacten, en misschien binnenkort ook die voor majesteitschennis. Na verloop van tijd worden soms ooit afgeschafte strafbepalingen, zoals het door mij bepleite pooierverbod, als het kabinet doorzet, weer opnieuw opgenomen.

Robroek heeft gelijk waar hij zegt dat de oriëntatiepunten straftoemeting niet zuiver empirisch of beschrijvend zijn. De hiervoor geciteerde inleiding zegt dat feitelijk al. De definitie van wat een “modaal feit” is, is een professionele, ervaringsgewijze modellering door strafrechters en is niet gebaseerd op empirisch onderzoek.

Al denk ik dat de appel niet ver van de boom valt. Dat denk ik namelijk omdat vorig jaar op het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, waar ik toen nog werkte, een student-stagiaire – Janou Benders, student aan het Universiteit van Maastricht – onderzoek heeft gedaan naar de straftoemeting op dat eiland. Hij heeft eenvoudigweg voor een aantal veelvoorkomende delicten de uitspraken van de Arubaanse strafrechters naast elkaar gezet over de periode 2013-2017. De kracht van zijn database ligt in de eenvoud. Hij heeft louter uitspraken opgenomen (en van onderscheidende trefwoorden voorzien) waarvan de strafmaat specifiek iets zegt over het bewezen delict. Tenlasteleggingen met meerdere delicten, waar de strafmaat te weinig zegt over de afzonderlijke delicten, heeft hij buiten beschouwing gelaten.

En wat blijkt – enigszins tot mijn verrassing – dat de straftoemeting op Aruba, ondanks de verschillen in wetgeving en strafmaxima, voor de meeste onderzochte delicten helemaal niet zo veel afwijkt van de Nederlandse oriëntatiepunten. Die worden daar officieel niet toegepast, maar misschien ligt de verklaring wel in het feit dat ze in de hoofden van de daar werkende Nederlandse rechters en officieren van justitie zijn meegereisd naar de Cariben.

Zo wordt op Aruba voor een overval op een winkel gemiddeld 38,5 maanden gevangenisstraf opgelegd, waar de Nederlandse oriëntatiepunten uitgaan van 36 maanden in geval van ander dan licht geweld.

Voor een overval op een woning wordt op Aruba gemiddeld 42 maanden gevangenisstraf opgelegd waar de Nederlandse oriëntatiepunten uitgaan van een bandbreedte van 36 tot 60 maanden.

Voor verkrachting legt de Arubaanse strafrechter gemiddeld 25,7 maanden op, waar de oriëntatiepunten uitgaan van 24 maanden.

Op Aruba ligt de strafmaat voor vuurwapenbezit overigens een stuk hoger, te weten 10,6 maanden tegen het Nederlandse oriëntatiepunt van 3 maanden. Dit is, vermoed ik, omdat illegaal vuurwapenbezit op deze eilanden een veel groter probleem is dan in Nederland.

Nu bewijst dit alles niet dat Robroek ongelijk heeft bij zijn in zijn blog uitgesproken vermoeden dat Nederlandse strafrechters wel eens structureel lager zouden kunnen straffen dan de oriëntatiepunten suggereren. Maar voor zijn vermoeden bestaat geen empirische basis, evenmin als voor de stelling dat de oriëntatiepunten wel de gemiddelde straf zouden weergeven.

De enige mogelijkheid om dat te toetsen én om mogelijk tot een (nog) beter inzicht te komen van de straftoemetingspraktijk in Nederland, is het doen van empirisch onderzoek. Waar de Nederlandse strafrechtspraktijk reeds jaren lang uitspraken publiceert op rechtspraak.nl is het een wonder dat dat er tot nu toe nog nooit van is gekomen. Gelet op het grote belang van straftoemeting voor de strafrechtspraktijk en voor de samenleving wordt het de hoogste tijd dat een universiteit, onderzoeksinstituut of de rechtspraak zelf die handschoen eens oppakt. Belangstellende onderzoekers stel ik graag materiaal en methodiek van Aruba ter beschikking.

En bij deze bied ik Robroek een weddenschap aan. Ik voorspel dat de uitkomst van empirisch onderzoek is dat voor 80% van de Oriëntatiepunten geldt dat de gevonden gemiddelde straftoemeting binnen een bandbreedte van 10% van die punten blijft. Inzet: een fles Diplomático.

Peter Lemaire
Rechter op Sint Maarten