Transparantie

In april 2014, al weer bijna 4 jaar geleden, schreef ik een column over het voornemen van de Raad voor de Rechtspraak, om de doorlooptijden in 2018 met 40% te hebben gereduceerd. De titel van de column luidde: sneller recht is beter dan beter recht. Ik toonde mij ingenomen met het voornemen van de Raad, met als kanttekening dat nog niet zo heel erg duidelijk werd, wat er nu precies in 2018 moest zijn bereikt.

Dat jaar is inmiddels aangebroken, wat het zal brengen is nog niet bekend en of de geformuleerde doelstellingen zullen worden gehaald zal pas in oktober 2019 kunnen worden bekend gemaakt. Dan verschijnt namelijk de jaarlijkse publicatie van Raad, WODC en CBS onder de tittel Criminaliteit en Rechtshandhaving, een zeer nuttig overzicht van de prestaties van de strafrechtsketen.

Intussen was ik nieuwsgierig om, halverwege het verbetertraject, eens te kijken hoever men inmiddels was gevorderd. Maar toen ik dat, aan de hand van de gelijknamige publicatie over 2016, die in oktober 2017 verscheen, probeerde na te gaan, schrok ik. Wat bleek namelijk het geval? De gegevens over de doorlooptijden, die altijd in deze publicaties waren te vinden, waren verdwenen.

In 2012 en 2013 hadden die nog het oude patroon, waarin, per instantie van de rechtbank, de gemiddelde duur van de afdoeningen werd vermeld. Ook voor de afdoeningstermijnen bij het OM waren er gegevens beschikbaar en al die gegevens waren ook nog keurig opgesplitst naar categorie van misdrijven.

Echter met ingang van het jaar waarin de Raad zijn voornemens publiceerde, werden dergelijke gegevens niet meer verstrekt. Geen woord meer over de doorlooptijden, niet in de tekst van het rapport en ook niet in de onderliggende tabellen (in 2012 en 2013 resp. 6.31 en 6.23). Ook de gegevens van het OM zijn niet meer te vinden.

Nu lijkt het me niet getuigen van een grote neiging tot transparantie, om, net na het formuleren van zo’n gewichtig beleidsvoornemen, te stoppen met het verstrekking van relevante gegevens daarover. En ik hoop dan ook maar dat aan die beslissing andere overwegingen ten gronde liggen als die welke Minister Opstelten hanteerde toen hij zich begon te bemoeien met de uitkomst van bepaalde door het WODC verrichte onderzoeken. De betreffende publicatie komt namelijk tot stand in samenwerking tussen de Raad, het CBS en het WODC. Navraag bij het WODC leerde dat men gestopt was met publicatie omdat de ruwe cijfers te zeer vervuild en dus onbetrouwbaar waren. Maar dat zo’n probleem 3 jaar later, in 2016 nog niet is opgelost stemt tot zorg.

De Raad zou kunnen tegenwerpen dat gegevens over doorlooptijden ook zijn te vinden in het Jaaverslag van de Raad, maar daar gaat het toch om een heel ander soort gegevens , waaruit niet is af te leiden hoe lang de afdoening van een zaak bij de politierechter etc. gemiddeld heeft geduurd en al helemaal niet hoe dat per type misdrijf zit. Het gaat bij die cijfers namelijk over de mate waarin de normen die door de Raad zijn gesteld voor de diverse instanties, in de praktijk zijn gerealiseerd. Zo geldt voor de Meervoudige Kamer dat de norm dat 90% van de zaken binnen 6 maanden moet zijn afgedaan. In 2013 was het feitelijke percentage 78 in 2016 was het 83. Nog een heel stuk te gaan dus. Bij de politierechter moet 90% binnen 5 weken zijn afgehandeld. Het gehaalde percentage ligt in de periode 2013 t/m 2016 op 87. Dat lijkt dus in de buurt te komen. Bij de Hoven wordt de norm in de verste verte niet gehaald. Die is 85% binnen 9 maanden, maar de praktijk haalt nauwelijks 65%. Ook hier dus nog een lange weg te gaan.

Deze wijze van presenteren heeft, ik zei het al, bovendien het bezwaar dat er geen duidelijk beeld ontstaat van de werkelijke afdoeningstermijnen. En in verband daarmee komt de vraag op, hoe het mogelijk is, dat in 2013, bij een gemiddelde doorlooptijd van politierechter zaken van 254 dagen (Criminaliteit en Rechtshandhaving 2013 tabel 6.23) het Jaarverslag van de Raad kan melden dat 87% van dit type zaken binnen 5 weken is afgedaan. De overige 13 % van de zaken moet dan wel heel veel langer dan 5 weken hebben geduurd om dat gemiddelde van 254 dagen te bereiken. Hoe lang gemiddeld?

Welnu, enig rekenwerk levert een astronomische gemiddelde doorlooptijd op van 1719 dagen voor de bijna 10.000 zaken die niet binnen de gestelde termijn zijn afgehandeld. Ik ben er bij de berekening vanuit gegaan dat de zaken die wel aan de norm voldeden, gemiddeld allemaal net binnen de normtijd zijn afgedaan en ik wijs erop als die gemiddelde tijd lager wordt genomen, de gemiddelde doorlooptijd voor de resterende zaken nog verder omhoog gaat.

Een soortgelijke berekening voor de MK zaken, waarbij volgens het Jaarverslag 78% binnen de norm van 6 maanden wordt afgedaan, en de gemiddelde doorlooptijd van alle zaken 346 dagen bedroeg, levert voor de resterende 22% van de zaken een gemiddelde doorlooptijd van 934 dagen op.

Navraag bij de Raad hierover leerde dat men in het Jaarverslag een andere definitie voor doorlooptijd hanteert dan destijds in Criminaliteit en Rechtshandhaving het geval was. Lekker transparant!

Op grond van die Jaarverslaggegevens is overigens helemaal niet vast te stellen welke kant het opgaat met de doorlooptijden. Want wanneer is de beoogde reductie eigenlijk bereikt? Wanneer is de doorlooptijd bij de meervoudige kamer, waar in 2013 78% van de zaken binnen 6 maanden werd afgedaan met 40% gedaald. Als evenveel zaken binnen een 40% kortere termijn zijn afgedaan? Dat zou dan betekenen de 78% die in 2013 binnen de termijn van 180 dagen is afgedaan, in 2018 binnen 108 dagen moet zijn afgehandeld. Of betekent het dat 40% meer zaken binnen de gestelde termijn moet zijn afgewerkt? Uitgaande van de 78% in 2013 zou dat in 2018 tot het merkwaardige getal van 109% leiden.

De gekozen cijferopstelling leidt dus tot niets dan onduidelijkheid en verwarring en lijkt aan te sluiten op een tegenwoordig veel voorkomend gebruik om bepaalde normen zodanig vaag te formuleren dat afrekenen niet mogelijk is.

Navraag bij de Raad leerde ook dat er nog weer andere cijfers zijn, met weer een andere definitie die niet in het Jaarverslag staan, waaruit zou blijken dat er bij de pogingen om de doorlooptijden te bekorten, tot op heden geen enkele voortgang is geboekt. Ik betreur dat uiteraard ten zeerste, maar zeg dat dan en wees transparant zoals de rechterlijke organisatie betaamt.

Ik stel voor – hoe kom je erop? – dat de doorlooptijd begint op het moment dat het OM de zaak naar de rechtbank heeft verzonden en eindigt op het moment dat het vonnis wordt uitgesproken. Ik stel tevens voor dat ieder jaar het gemiddelde van die doorlooptijden wordt berekend voor 99% van de in dat jaar bij de diverse instantie afgehandelde zaken en dat per jaar de omvang van die ene procent niet meetelt. Daarmee wordt eventuele vertekening voorkomen van zaken die, noodgedwongen, veel langer duren dan gemiddeld. En de uitkomsten van dat alles zou ik graag weer terug zien in Criminaliteit en Rechtshandhaving. Daar horen ze.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie