Goedkoop en duurzaam vertrouwen van en in rechters

Vertrouwen moet niet alleen verdiend maar ook geschonken worden. Verdienen en schenken zijn twee kanten van vertrouwen die te weinig als wederkerigheid worden benoemd. Misschien moet de schenker van vertrouwen, werknemer of rechter, vaker bij zichzelf stilstaan wat hij de organisatie of de rechtspraak biedt voordat hij vertrouwen voelt afnemen in leidinggevende of wetgever. Vertrouwen wordt gevoed en vaker vervuld als bidder, burger of boef, magistraat of minister zelf het nodige doet om het vertrouwen te verdienen.

Grote woorden verkopen goed. Geloof, hoop, liefde of vertrouwen, hunkering valt hen ten deel, misnoegen en teleurstelling is vaak de uitkomst. Een vaag en groot woord als vertrouwen wordt vaak gebruikt over de gewenste richting van een relatie, leven of organisaties kracht bij te zetten. Wetenschappers, politici en burgers doen niet voor elkaar onder, maar ook rechters laten zich niet onbetuigd. Een afgekeurde verandering wordt al snel in de sleutel van wantrouwen gezet.

Een eerste voorbeeld over vertrouwen van rechters. De terrorismewetgeving van Donner uit 2003 werd vertaald als voedsel voor angstige burgers die zich beschermd wilden weten en waarbij bijvoorbeeld de huidige president van de Hoge Raad belangrijke rechtsbeginselen aangetast achtte. Hij deed hetzelfde toen hij uitlatingen van Wilders als een aantasting van het vertrouwen in de rechtsstaat diskwalificeerde. Indien daartoe geroepen dient de Hoge Raad zich daarover uit te laten, maar een president moet op persoonlijke titel zeer terughoudend zijn. Hij heeft immers geen eigen status, maar is voorzitter van een college. Heeft hij met dit soort uitlatingen het vertrouwen in de rechtspraak gediend of juist geschaad?

Een tweede voorbeeld gaat over het vertrouwen in rechters. Rechters worden vaker dan voorheen gewraakt en het rechterlijk oordeel wordt vaker in twijfel getrokken. Advocaten laten zich vaker bot uit over de rechterlijke kwaliteiten. Leidt die toenemende kritiek tot minder vertrouwen in de rechter? Als het vertrouwen in de rechtspraak rond de 70 procent schommelt, is dat dan een goed of een slecht teken? Zijn er stalinistische percentages van 95.4 procent nodig om te spreken van een goede rechtspraak? Misschien is er geen goed referentiekader beschikbaar om te kunnen bepalen of toenemende kritiek afnemende kwaliteit veronderstelt. Ik weet niet of klantwaarderingsonderzoeken enige zin hebben, ik weet niet hoe de enquête is samengesteld, hoe de deelnemers zijn geselecteerd, hoe de antwoorden zijn gewogen, maar bovenal weet ik niet of dergelijke onderzoeken enige betekenis hebben bij een institutie als de rechtspraak. Zou het niet verrassender zijn als advocaten en justitiabelen positief over rechters oordelen? Met deze tegenvragen is niet gezegd dat rechters verdachten onbeschoft moeten behandelen. Mijn voorkeur zou uitgaan naar een bot overkomende rechter met een goed juridisch oordeel, die de procedure op een helder, voortvarende en procesrechtelijk juiste wijze laat verlopen, boven een mediagevoelige rechter die een verkeerde beslissing neemt of het procesverloop niet in de hand heeft. Anders gezegd, minder of meer vertrouwen in de rechter zegt nog niet veel over de kwaliteit van de rechtspraak zelf.

Een belangrijk begrip, beginsel of argument levert onderscheidend vermogen op, een toetssteen, een weegschaal om een verandering op waarde te kunnen schatten. Dat lukt moeilijk met het vertrouwensbegrip omdat het een retorisch wapen is geworden om veranderingen te steunen of te bekritiseren. Daarmee is vertrouwen een nogal leeg begrip geworden. Laten we het begrip vertrouwen eens verder problematiseren.
Vertrouwen kent vele lagen. Ik noem één uitleg. Vertrouwen wordt gevoed wanneer de ander of het instituut waarop vertrouwen wordt gesteld, transparant en vertrouwensvol handelt. In die uitleg wordt vertrouwen mee afhankelijk gemaakt van vertrouwenwekkende informatie en de betrouwbaarheid van degene die het vertrouwen moet waarmaken. Vertrouwen wordt dus minder makkelijk ‘om niet’ geschonken, maar moet kennelijk door de rechter, de wetgever, de parlementariër of de leidinggevende verdiend worden.

Daartegenover staat een – helaas afstervende – tweede uitleg van vertrouwen, de klassieke wederkerigheidsrelatie. Hemelbestormend vertrouwen dat het schip met zilverlingen zal binnenvaren is pas navoelbaar als de bidder er zelf eerst hard voor gaat werken.
Een daarmee samenhangende, eveneens verdwijnende, opvatting is dat vertrouwen pas verloren mag gaan als de ander (bestuurder, minister etc.) belangen grovelijk heeft verwaarloosd.
Met dat criterium in het achterhoofd zetten rechters met hun kritiek op wetgeving goedkoop vertrouwen als retorisch wapen in. Rechters miskennen soms het basale uitgangspunt dat de eerste en de tweede staatsmacht, gehoord de adviescommissies uit de rechterlijke macht, de wetten maken en de rechters die vervolgens dienen uit te voeren. Nota bene: het staat de rechter vervolgens vrij om met zijn rechtsvindingsmethoden de wet uit te leggen in de richting van de door hem gewenste uitkomst. In die zin is er niet snel reden om het vertrouwen te verliezen. Er zijn dus vrijblijvende en gefundeerde vormen van vertrouwen. In dat licht zijn vragen naar het vertrouwen in, van en tussen rechters complex en de antwoorden minstens zo gecompliceerd.

De deelnemers aan het publieke debat over rechtspraak kunnen elkaar maar moeilijk overtuigen van wat goedkoop en duurzaam vertrouwen in, van en tussen rechters inhoudt. Zou het helpen als we voorlopig het woord vertrouwen niet in de mond nemen? Als we niet kunnen zwijgen over vertrouwen, laten we dan afspreken dat het vertrouwensbegrip niet langer het waardevolle woord is dat de spreker de luisteraar graag wil doen geloven. Misschien kan er taalfilosofisch onderzoek verricht worden naar andere uitdrukkingen voor vertrouwen, want dat vertrouwen als vervoermiddel tussen spreker en toehoorder, tussen publieke dienstverleners en -afnemers relationele betekenis heeft, is zeker. Vertrouwen, of waar vertrouwen voor staat, zegt niet alleen iets over de ander maar ook over ons eigen mens- en maatschappijbeeld.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en vice-president Gerechtshof Arnhem

Een gedachte over “Goedkoop en duurzaam vertrouwen van en in rechters

  1. Alexander F. de Savornin Lohman

    Er bestaat naar mijn mening veel misverstand over het begrip vertrouwen. Ik ben in de 40 jaar dat ik als advocaat gepraktiseerd heb, tot de conclusie gekomen dat het heel simpel ligt:
    Vertrouwen moet ieder moment bewezen worden. Iedere beslissing, iedere interventie moet bewijzen dat je vertrouwen waardig bent.
    Dit vertrouwen kan door geen enkele uitlating of vuilpraat aangetast worden, omdat de integriteit de waardigheid van het vertrouwen bewijst en ieder moment blijft bewijzen. Reageren op uitlatingen doet afbreuk aan de eigen integriteit omdat meestal angst (voor verlies van vertrouwen) hierbij een rol speelt. Echte integriteit kan door niemand afgebroken worden.
    Vertrouwen geven mag nooit blind zijn. Het moet gepaard gaan aan verantwoordelijkheid nemen voor de keuze die je maakt en daarbij kritisch blijven toekijken om te bezien of degene die je vertrouwen gegeven hebt, dit waarmaakt.
    Dat een instituut vertrouwen geniet betekent niet dat het betrouwbaar is. Ieder moment kan het vertrouwen beschaamd worden. We zagen voorbeelden in gerechtelijke dwalingen, tunnelvisie en fraude ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek. Dit zal zich altijd kunnen blijven voordoen. De integriteit waarmee met dergelijke situaties omgegaan wordt, bewijst de mate van vertrouwen die de instelling verdient. Vertrouwen verdienen (afdwingen) en vertrouwen schenken zijn daarom aspecten die niet van elkaar afhankelijk zijn.
    Dat een instituut mogelijk een goede naam heeft opgebouwd en daardoor een vertrouwenspositie geniet, geeft niemand de legitimatie om daarop blind af te gaan, noch aan de zijde van het instituut, noch aan de zijde van degene die van de diensten van het instituut gebruik maakt.

Reacties zijn gesloten.