Brein, gedrag, agressie en veerkracht: 40-min-1 jaar na Buikhuisen’s Leidse oratie

Door Frans L. Leeuw (WODC en Universiteit Maastricht)

In een vorige column schreef Dato Steenhuis over Wouter Buikhuisen en hoe met zijn gedachtengoed is “omgegaan”, om het vriendelijk te zeggen. Steenhuis’ poging wijlen Piet Grijs na te bootsen in een gefingeerde column over de (academische) moord op Buikhuisen, was interessant. Het daarin gekozen historische perspectief roept de vraag op wat inhoudelijk over het erfgoed van Buikhuisen in het heden te zeggen valt. Daar is namelijk alle reden toe, bijna 40 jaar nadat hij zijn Leidse inaugurale rede (Kriminologie in biosociaal perspectief, 1979) uitsprak.
Waar het zo’n 4, 5 decennia geleden nog om zeer kleine aantallen wetenschappers ging die naar biologische aspecten van criminaliteit keken [1], zoals Adrian Raine in zijn The Psychopathology of Crime (1993) of Wouter Buikhuisen zelf, dat beeld is de laatste 10 – 15 jaar grondig veranderd. Neuro-criminologie, het bio-psychosociale model en sociale neurowetenschappen (Cacioppi & Cacioppi, 2013)[2] worden steeds belangrijker. Ook cyber crimes worden vanuit dit kennisfonds geanalyseerd.

Voor Nederland doet een recent boekje dat ik mede-redigeerde [3] op een lezersvriendelijke manier verslag van wat in het onderzoeksprogramma “Veiligheid”, geëntameerd door het NWO regieorgaan “Nationaal Initiatief Hersenen & Cognitie” [4] en gecoördineerd vanuit het WODC, tot stand gebracht is tussen 2010-2016 [5]. Naast Veiligheid, waren Leren en Gezondheid de twee andere pijlers. In totaal werd door de overheid zo’n 20 miljoen vrijgemaakt, waarvan een derde voor onderzoek naar de rol van hersenen, cognities, hormonen én sociale contexten op het terrein van de veiligheid en gedrag. Dat gebeurde op twee thema’s: het verklaren en verminderen van antisociaal gedrag en het ondersteunen van professionals onder druk. Het doel was om universitair neurowetenschappelijk onderzoek in te zetten voor vraagstukken en behoeften uit de praktijk. Het ging om ruim 15 projecten die inmiddels tot diverse dissertaties, wetenschappelijke artikelen en rapporten geleid hebben.

Ik haal een paar voorbeelden aan die in het kader van dit nationale initiatief zijn uitgevoerd maar geef eerst een zeer globale kenschetsing van hoe, in dat boekje, de termen neurobiologie, neuropsychologie en neurowetenschap geduid zijn.

Neurobiologische factoren verwijzen naar de bouw en werking van de hersenen (bijv onderzocht via MRI’s); psychofysiologie (bijv hartslag en huidgeleiding) en hormonen ( bijv. het stresshormoon cortisol). Neuropsychologie houdt zich bezig met de relatie tussen gedrag, emotie en denken (cognitie) enerzijds en de werking van de hersenen en evt stoornissen daarin anderzijds. Een andere belangrijke term is neurowetenschap: de wetenschap die alle aspecten bestudeert van het zenuwstelsel en waarbij ook over cognitieve en sociale neurowetenschap wordt gesproken.

Nu over naar een paar van de projecten uit dit Nationaal Initiatief programma. Let wel: het zijn slechts voorbeelden; er is namelijk véel meer.

Arne Popma en collega’s deden en doen aan het VUmc wetenschappelijk (neurobiologisch) onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal en agressief gedrag bij jongens. De ‘boefjes’, zoals ze genoemd worden, vormen een probleem voor zichzelf en voor anderen en kosten de samenleving een hoop geld. Bij zulke jongens is het risico groot dat zij zich ook als volwassenen antisociaal en agressief gedragen. Zulk gedrag ontstaat door een combinatie van aanleg en omgeving en heeft ook neurobiologische correlaten. Popma ging met zijn team na bij 128 jongens, die allemaal voor hun 12de jaar al ‘actief’ waren, welke dat zijn. Ze moesten in de scanner een bepaalde taak uitvoeren en werden vergeleken met een controlegroep. Popma wijst er op dat het belangrijk is met de jongens te spreken naar aanleiding van de neurobiologische metingen, zodat zij ook zelf meer inzicht krijgen in hoe hun gedrag ontstaat. Overigens was hij de eerste wetenschapper in Nederland die, nadat het grootste tumult rondom Buikhuisen was verstomd, delinquente jongens fysiologische maten afnam.

In andere onderzoeken werd en wordt naar interventies en interventiemechanismen gekeken. Liza Cornet (WODC/NSCR/Twente) en Katy de Kogel (WODC) richtten zich op de vraag of de effecten van gedragsinterventies zoals de CoVa-training (cognitive vaardigheidstraining) kunnen toenemen als neuropsychologische en biologische factoren bij deze trainingen betrokken worden. Een van de onderzoeksdoelen van Jack van Honk (Universiteit Utrecht en University of Capetown) is de neurale mechanismen op het spoor te komen die aan de basis liggen van de effecten die hormonen hebben op (anti)sociaal en emotioneel gedrag. Hij werkt onder andere met tCDS, transcraniale directe glijkstroomstimulatie.

Onder leiding van Hanna Swaab (Universiteit Leiden) wordt biosociale input geleverd aan het PIT: Preventief Interventieteam van de Gemeente Amsterdam. Het PIT is gericht op drie soorten kinderen: broertjes en zusjes van de zogeheten top 600-criminelen, kinderen met volgens leerkrachten opvallend probleemgedrag en kinderen die vaak wegblijven van school. Studie wordt gemaakt van wat Swaab noemt ‘de sociale leerbaarheid’ van kinderen (met metingen of kinderen sociale informatie zoals gezichtsuitdrukkingen en emotionele kanten van de taal snappen; kan een kind zich in iemand verplaatsen; wat een kind (van) normaal sociaal gedrag vindt en of het kind zich zelf kan sturen/ is het in staat een korte termijn-beloning uit te stellen voor een langere termijndoel, waarbij de stress die met deze zelfregulatie gepaard kan gaan gemeten wordt door hartslag en huidgeleiding.

Ook werd door Ton Smeets en collega’s (Maastricht University) een nieuwe stresstest ontwikkeld, de “Maastricht Acute Stress Test (MAST) die eenvoudig is te gebruiken en effectief is [6]. Ik geef dit voorbeeld omdat het ontwikkelen van meetinstrumenten ook uitdrukkelijk een van de doelen én spin-offs van het Nationaal Initiatief is geweest.

Ging het bij deze voorbeelden om verklaring en beïnvloeding van (het risico op) antisociaal en agressief gedrag, het onderzoeksprogramma keek ook naar hoe de weerbaarheid beïnvloed en vergroot kan worden bij mensen die beroepsmatig geweld mee maken, en/of in ingewikkelde besluitvormingsprocessen zitten naar aanleiding van crises. Deels gebeurt dat in virtual reality situaties. Ik laat dat gedeelte van het programma in deze column verder buiten beschouwing, maar in het boekje “Brein onder druk” van Malou van Hintum et al (2017) is er veel over te lezen.

De evaluatie van het NIHC-Veiligheidsprogramma uit 2016 was zeer positief [7]. “Binnen de Pijler Veiligheid is in 5 programma’s onderzoek uitgevoerd naar de toegevoegde waarde van neurobiologische en neuropsychologische diagnostiek, assessment en subtypering van mensen met een verhoogd risico op agressief gedrag. Daarnaast is onderzoek gedaan naar innovatieve neurobiologische interventies. Ten behoeve van beroepsgroepen die actief zijn op het gebied van maatschappelijke veiligheid zijn neurobiologische en neuropsychologische oorzaken van stress, emoties en trauma’s nauwkeurig in kaart gebracht, bijvoorbeeld door middel van simulaties in laboratoriumsituaties en vergelijkingen met controlegroepen; op basis van de nieuwe kennis zijn interventie strategieën ontworpen en getest die de negatieve effecten kunnen beperken.” De eindevaluatie zegt verder: “De wetenschappelijke opbrengst van het programma is indrukwekkend. Het aantal gerealiseerde proefschriften en de grote aantallen wetenschappelijke publicaties die tot nu toe uit het onderzoek bij de pijlers Gezondheid, Veiligheid en Onderwijs zijn voortgekomen, is zeer aanzienlijk. Deze hoge opbrengst is mede tot stand gekomen door een goede samenwerking binnen en tussen de pijlers (gemeenschappelijke bijeenkomsten en symposia, uitwisseling van ideeën en methodes, gezamenlijke publicaties”.

Wellicht is het beste bewijs van het belang van het programma dat het op verschillende manieren voortgang vindt. De paar die ik noem, pretenderen geenszins enige vorm vna volledigheid! Ten eerste in het Neurolab programma, dat gerelateerd is aan de Nationale Wetenschapsagenda. Neurolab is dé werkplaats voor hersen-, cognitie- en gedragsonderzoeken. Binnen het WODC wordt voortgegaan door aan kennisdeling en kennisgroei te doen richting beleid en uitvoeringsorganisaties over de mogelijkheden en beperkingen van de inzichten uit dit het interdisciplinaire onderzoeksveld. Bijgevoegde infographic die onderdeel is van het boek “Neurowetenschappelijke toepassingen in de jeugdstrafrechtketen. Inventarisatie instrumenten, preventie en interventie” van Cornet, Bootsman, Alberda en de Kogel (2016, Boom Criminologie) laat zien wat daar gebeurt. Deze verkenning heeft inmiddels verschillende vervolgactiviteiten in gang gezet, zoals kennisverwerving over neurotech-innovaties, de ‘zelfmetende justitiabele’ (het bredere concept is ‘Quantified Self’), ontwikkelingen op het terrein van Neurolaw [8] en het onderzoek “Neuropsychogische kenmerken van jongvolwassenen onder reclasseringstoezicht” dat in september 2017 gestart is. Daarover een volgende keer meer.

Conclusies
De criticasters en (verwoede) tegenstanders van het belang van kennisvorming over bio-psycho-sociale aspecten van crimineel waaronder agressief gedrag, hebben ongelijk gekregen. Er is groei van kennis op het gebied van oorzaken van antisociaal gedrag ten opzichte van 30, 40 jaar geleden; dat geldt ook voor de ontwikkeling van meetinstrumenten en de vertaling naar de praktijk. Het beeld dat “Neuro/bio” ‘Destiny’ is en onveranderbaar en definitief, is weg. Het psycho-bio-sociale model is er voor in de plaats getreden. Ook als het gaat om het weerbaarder maken van mensen tegen stress.

Wouter Buikhuisen speelde daarbij decennia geleden een belangrijke rol, die door velen niet gezien werd of niet wilde worden gezien. In tegenstelling tot wat vaak beweerd is had Buikhuisen uitdrukkelijk wél oog voor de interactie tussen ‘sociaal en bio’. In zijn oratie zei hij het meermalen, onder andere op deze manier: “Biologische en sociale faktoren mogen niet worden beschouwd als gescheiden opererende faktoren’(p. 24). In tegenstelling tot beelden van toen had hij uitdrukkelijk wél oog voor ethische en maatschappelijke aspecten van zijn onderzoek (pag. 89-94) en, most interestingly, suggereerde hij onderzoek naar de relatie tussen agressie en voedsel en naar de “mogelijk dempende werking die van een gevangenisverblijf uitgaat op het functioneren van het autonome zenuwstelsel”(pag. 82-83). En zie: bij het WODC is Ap Zaalberg een paar jaar geleden op “voedsel” gepromoveerd en leidt daar nu onderzoek op dit gebied en medio maart promoveerde Meijers op ‘Sla het brein niet in de boeien’.

Kortom, met dank aan Wouter Buikhuisen die er 40 min 1 jaar geleden al op studeerde, over sprak en over schreef.

Frans L. Leeuw
Directeur Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) en hoogleraar ‘Recht, Openbaar bestuur en sociaal-wetenschappelijk onderzoek’ aan de Universiteit te Maastricht.

Voetnoten
[1] Ik laat het werk uit het einde van de 19de en begin 20e eeuw hier buiten beschouwing. Wie meer wil weten, kan C. Fijnaut’s boek Criminologie en strafrechtsbedeling: een historische en transatlantische inleiding, Boom/ Intersentia, 2014 lezen, waarin uitgebreid wordt ingegaan op bio-antropologische criminologie, Kriminalbiologie, frenologie en andere zaken-van-toen.
[2] Zie John T. Cacioppo, Stephanie Cacioppo in Perspectives on Psychological Science, November 4, 2013; November 1, 2013 https://doi.org/10.1177/1745691613507456.
[3] Brein onder druk. Over Stress, agressie en veerkracht. Malou van Hintum. Redactie: Katy de Kogel en Frans Leeuw, SWP, Amsterdam, 2017.
[4] https://www.hersenenencognitie.nl/contents/1109).
[5] Zie: https://www.nwo.nl/documents/nihc/eindrapport-onderzoeksprogramma-hcmi
[6] T. Smeets et al, Introducing the Maastricht Acute Stress Test (MAST): a quick and non-invasive approach to elicit robust autonomic and glucocorticoid stress responses. In: Psychoneuroendocrinology. 2012 Dec;37(12):1998-2008.
[7] https://www.nwo.nl/documents/nihc/eindrapport-onderzoeksprogramma-hcmi. Zie o.a. p. 3.
[8] Zie het themanummer van het Nederlands Juristenblad “Neurolaw In Nederland. De betekenis van de Neurowetenschappen voor het recht” onder redactie van Katy de Kogel, Paul van de Beek, Frans Leeuw, Gerben Meynen en Lizanne Westgeest.